Adelaarsveren

De rol van SS-Führer Franz Alfred Six in Hitlers terreurmachine is lang onderbelicht geweest. Lutz Hachmeister beschrijft in zijn biografie het systeem waarin de perswetenschapper carrière kon maken. Plus: hoe antifascistisch was Der Spiegel?

EEN BEETJE Duitse intellectueel kijkt met enig dédain neer op het weekblad Der Spiegel. Het is met zijn ietwat vulgaire aandacht voor modieuze verschijnselen en vaak minder ‘geleerde’ artikelen lang niet zo high brow als bij voorbeeld Die Zeit. Maar in tegenstelling tot de ellenlange, op eindeloze literatuurstudie gebaseerde essays in dat laatste blad getuigen de kortere en veelal oppervlakkiger artikelen in Der Spiegel van een vurige passie voor de onderzoeksjournalistiek. Bovendien staat het blad bekend als vooruitstrevend liberaal en heeft het meermalen gefungeerd als waakhond van de prille Bondsrepublikeinse democratie. Als grootste heldendaad geldt nog altijd de campagne tegen minister van Defensie Franz-Joseph Strauss, die in oktober 1962 leidde tot een politie-inval en arrestatie van Spiegel-eigenaar Rudolf Augstein. Ruime aandacht werd altijd geschonken aan de inktzwarte erfenis van het Derde Rijk. Vele naoorlogse prominenten werden geconfronteerd met de ideologische adelaarsveren die ze in 1945 hadden afgeschud, of zelfs met wandaden die ze in de jaren daarvoor hadden begaan. Bij het vijftigjarig bestaan van Der Spiegel, in 1997, gaf het blad zichzelf dan ook een fors schouderklopje door te beweren dat het vanaf het begin een geducht 'antifascistisch kanon’ was geweest. Helemaal kloppen doet dit (zelf)beeld van Der Spiegel niet. Terugblikkend lijkt het erop dat men oktober 1962 is gaan zien als 'mentale oprichtingsdatum’, terwijl het blad toen reeds meer dan vijftien jaar bestond. In het eerste anderhalve decennium van zijn bestaan was het, in janu ari 1947 door de 23-jarige Augstein opgerichte weekblad alles behalve links-liberaal en antifascistisch. Der Spiegel liet in deze jaren een nationaal-liberaal, van ressentiment tegen de geallieerde overwinnaars doortrokken geluid horen. Het blad ageerde tegen het streven van Adenauer om de Bondsrepubliek te integreren in het 'vrije Westen’ en was nauw gelieerd aan de rechtervleugel van de FDP. In deze partij, die een sleutelpositie in nam tussen SPD en CDU/CSU, hadden niet alleen overtuigde liberalen onderdak gevonden maar ook tal van (oud-) nazi’s en militairen die tussen 1939 en 1945 met uiterste plichtsbetrachting Duitslands nationale belangen hadden gediend door uit te zwermen over heel Europa. Gelet op de personele banden tussen het rechtse deel van de FDP en Der Spiegel lijkt het op het eerste gezicht vreemd dat het weekblad vanaf zijn ontstaan veel aandacht besteedde aan de gruweldaden van het nazi-regime en met onthullingen kwam over het zwarte verleden van lieden die in de Bondsrepubliek een respectabel bestaan hadden op gebouwd. Combineerde het blad een rechts politiek standpunt met onversneden antifascisme? Achteraf gezien is er met veel van die artikelen over het nazi-verleden in de beginjaren van Der Spiegel wel iets aan de hand. Opvallend was de grondige kennis van de organisatie en personele bezetting van het nazistische terreurapparaat. Bovendien leert nauwgezette analyse dat weliswaar fel werd uitgehaald naar bepaalde, vaak reeds overleden nazi-misdadigers, maar dat tal van andere lieden met een alles behalve brandschoon verleden werden afgeschilderd als keurige, plichtsgetrouwe, zeer vakbekwame functionarissen, die tegen hun zin terecht waren gekomen in een misdadige organisatie. WAT BETREFT de enorme expertise op het gebied van het Derde Rijk is inmiddels duidelijk dat hier niet zozeer sprake was van uitgelezen investigative journalism als wel van het werk van wat we tegenwoordig 'ervarings deskundigen’ noemen. Bij de later zo bejubelde 'waakhond der Bonner-democratie’ werkten namelijk nogal wat ex-SD'ers. Hoe wel hun ervaring met het inlichtingenwerk een goede voorbereiding op de onderzoeksjournalistiek was geweest, konden zij voor hun verhalen vooral putten uit eigen belevenissen en gebruik maken van hun tijdens het Derde Rijk opgebouwde connecties. In werkelijkheid waren de ogenschijnlijk zo antifascistische artikelen vaak afrekeningen met ex-kameraden die het na de nederlaag op een akkoordje met de geallieerden hadden gegooid en soms hielpen met het inrekenen van ondergedoken SD'ers. Zo publiceerde Der Spiegel artikelen over de voormalige SS- officier Walter Hirschfeld, die voor de Amerikaanse inlichtingendienst was gaan werken als agent-provocateur en ervoor had gezorgd dat verscheidene SD'ers konden worden opgepakt. Hirschfeld, die er door het weekblad van werd beschuldigd door de SD buitgemaakt goud achterover te hebben gedrukt, was onder meer verantwoordelijk geweest voor de arrestatie van Horst Mahnke, een voormalige 'marxisme-expert’ van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA). Deze Mahnke, die tijdens zijn gevangenschap zwaar was mishandeld, was in de jaren vijftig buitenlandredacteur van Der Spiegel. Zijn collega was Georg Wolff, die als SD'er de oorlog in Noorwegen had doorgebracht. En de Spiegel-specialist voor politiezaken was dr. Bernhard Wehner, een voormalige Kriminalrat met de rang van SS- Hauptsturmführer, die in het RSHA had gewerkt. Wehner schreef een lange serie artikelen over Arthur Nebe, het hoofd van de Kriminalpolizei (Kripo) en de latere bevelhebber van de uiterst 'succesvolle’ Einsatzgruppe B, die in Rusland op onvoorstelbare wijze heeft huisgehouden. Wehners bloedstollende verhaal liet niet alleen zien hoe vreselijk het was geweest, maar moest tevens duidelijk maken dat de Kripo niets te maken had gehad met de SD of Gestapo. Of deze boodschap bij het grote publiek is overgekomen valt niet te zeggen, wel dat Wehner enkele jaren later politiechef van Düsseldorf werd en hoofdredacteur van het vakblad Kriminalistik. Naast hun late journalistieke roeping, het feit dat ze in vroegere dienstrapporten waren gekarakteriseerd als 'in jeder Hinsicht Nationalsozialist’, hadden deze Spiegel-redacteuren nog iets gemeen. Ze waren allemaal student en/of ondergeschikte geweest van SS-Gruppenführer prof. dr. Franz Alfred Six. In de meer serieuze boeken die zich bezighouden met Hitlers terreurmachinerie duikt de naam van deze Six geregeld op, maar zijn rol bleef tot nog toe vrij schimmig. Toch was hij uiterst belangrijk bij de ontwikkeling van de SD. Eind jaren dertig was hij hoofd van de SD-afdeling Buitenland en tevens hoofd Gegnerforschung, waarbij niet alleen dossiers werden aangelegd van werkelijke tegenstanders maar ook van alle potentiële vijanden van het Derde Rijk, zoals joden, vrijmetselaars, Jehova’s getuigen en overige 'on-Duitse’ categorieën. De betekenis van Six bij de voorbereiding van de shoah is lang onderschat geweest. Zo komt zijn naam niet voor in de driedelige Enzyklopädie des Holocaust (Berlijn 1993), terwijl men daarin wel van alles te weten kan komen over de assistenten van Adolf Eichmann. Six was echter voor het uitbreken van de oorlog de chef van Eichmann en zorgde ervoor dat deze bekwame organisator snel carrière kon ma ken. De functie van de SD bij het voorbereiden en plannen van de genocide is tot voor kort sterk onderbelicht gebleven, maar vooral Six heeft hierin een zeer grote rol gespeeld. In het eerste deel van zijn recente standaard werk Nazi-Germany and the Jews noemt Saul Friedländer Six weliswaar meermalen, maar gaat niet in op diens belangrijke rol bij het tot 'volksvijand nummer één’ stempelen van de joden. OVER DEZE SIX is nu, van de hand van mediawetenschapper en directeur van het Keulse film festival Lutz Hachmeister, een bijzonder boek verschenen. Der Gegnerforscher is geen traditionele biografie. In feite was Six ook geen interessante man. Afkomstig uit de kleine, sterk verarmde middenstand en opgegroeid zonder de klassieke Bildung, waren de vooruitzich ten voor de in 1909 geboren Six tijdens de Weimar-republiek zeer somber geweest. Als werkstudent kon hij nauwelijks het hoofd boven water houden, tijd en geld om zich werkelijk intellectueel te ontwikkelen had hij niet en over connecties beschikte hij evenmin. Zoals zoveel rancuneuze lotgenoten koos hij voor het nationaal-socialisme. Als militant nazi-student in Heidelberg deed hij mee aan menige actie tegen joodse of anderszins 'volksvijandige’ docenten, zoals tegen de beroemde statisticus en publicist over politieke moorden E.J. Gumbel. Na de Machtübernahme maakte Six zijn studie perswetenschappen af en in 1936 promoveerde hij op een flinterdunne, grotendeels uit Hitler- en Goebbels-citaten bestaande dissertatie over nationaal-socialistische propaganda. Hierna stond niets een glansrijke academische loopbaan meer in de weg, want toen de jonge nazi-geleerde niet in staat bleek een, voor het ambt van hoogleraar noodzakelijke, tweede dissertatie te schrijven, werd dit non-existente Habilitationsschrift eenvoudig tot 'staatsgeheim’ gestempeld. Intussen was de jonge doctor reeds werkzaam op het Presse-amt van de SD. Als SS-intellectueel maakte Six pijlsnel carrière en gold hij al spoedig als dé expert op het gebied van zowel propaganda als Gegnerforschung. Tegen het uitbreken van de oorlog leek Six’ rol enigszins uitgespeeld, omdat hij niet geschikt was als aanvoerder van een moordcommando en evenmin in de wieg was gelegd voor het meer 'harde’ inlichtingenwerk. Hoewel hij zich trachtte te profileren als de grote deskundige in zake het 'joodse vraagstuk’, wist hij in de keiharde concurrentiestrijd met andere SS-leiders bij de totstandkoming van het RSHA slechts een relatief onbetekenende afdeling te krijgen. De rechters in Neurenberg heeft hij later willen doen geloven dat hij een conflict had met zijn di recte superieur, Reinhard Heydrich. Hoewel deze de beperkingen van Six inzag had hij hem nog geenszins afgeschreven. In het kader van de voorbereidingen voor operatie Seelöwe - de invasie van Engeland - stond Six immers genoteerd als chef van de Sicherheitspolizei in Londen. Bij de inval in de Sovjet- Unie commandeerde hij een speciale eenheid die de archieven in Moskou zou moeten confisque ren. Zeer waarschijnlijk is hij betrokken geweest bij enkele moordpartijen, maar bewezen is dit nooit. Na het kortstondige avontuur aan het Oostfront belandde Six als hoofd van de pers afdeling op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar was hij onder andere de chef van de Russische ballinge Marie Wassiltschikoff, die in haar Berlijnse dagboeken (Privé-domein) schrijft dat hij in het laatste oorlogsjaar in opdracht van Himm ler pogingen ondernam om tot vredesonderhandelingen met de westelijke geallieerden te komen. Volgens Hachmeister ontbreek hiervoor ieder bewijs. WAT DIT BOEK zo bijzonder maakt is niet zozeer de beschrijving van de duizelingwekkend steile carrière van een middelmatige academicus, als wel het totaalbeeld dat Hachmeister weet te schilderen van het systeem waarin deze man als een komeet omhoog schoot. Niet alleen geeft de auteur van vrijwel elke figuur die het pad van Six kruist een beknopte biografische schets, ook krijgt de lezer een helder beeld van de chaotische en meedogenloze factiestrijd tussen en binnen de verschillende onderdelen van het terreurapparaat. Naast de rivaliteit schetst Hachmeister ook het old boys network dat vele SD'ers na 1945 zo van pas zou komen. Zo plaatst hij in een speciaal 'Exkurs’ aan het eind van het boek de nodige kanttekeningen bij de zelfverheerlijking van Der Spiegel als antifascistisch weekblad. Tot slot wordt nog eens duidelijk hoe gebrekkig de zogenaamde 'denazificatie’ is geweest waar het ging om lieden aan wier handen veel bloed kleefde, al hadden ze misschien zelf niemand omgebracht. Nu is die denazificatie nog altijd onderwerp van felle controverses. Aanvankelijk was het zuiveringsbeleid, vooral in de Amerikaanse zone, heel streng. Zo streng zelfs dat het gehele opsporings- en juridische apparaat al snel verstopt raakte. Bovendien hadden wel erg veel mensen boter op het hoofd, zodat het de moeite loonde om ontlastende verklaringen af te leggen, aange zien de mensen die je daarmee hielp moreel verplicht waren te vertellen dat ook jij in wezen al tijd een tegenstander van het regime was geweest. Het witwassen van het bruine verleden werd op deze manier een populair gezelschapsspel. In de jaren vijftig leken de Duitsers, in de woorden van Ralph Giordano 'der grosse Frieden mit den Tätern’ gesloten te hebben. Pas in de jaren zestig begon men serieus werk te maken van de vervolging van oorlogsmisdadigers. Ook zij die er, zoals Six en de Gestapo-ideoloog Werner Best, aanvankelijk met enkele jaren vanaf waren gekomen, moesten zich nu weer verantwoorden. Veel kostbare tijd was echter verloren gegaan en veel aan klachten waren niet meer te be wijzen. Six kon als uitgever en marketing-adviseur van de motorenfabriek van Porsche een acceptabele boterham verdienen, anderen konden hun tijdens het Derde Rijk verworven expertise inzetten bij het bestrijden van het communistische gevaar. Hun nationaal-socialisme werd nu be titeld als 'prematuur anticommunisme’, en dat was eigenlijk een aanbeveling. Tegenwoordig wordt er her haaldelijk op gewezen dat, sub specie aeternitatis, deze slappe denazificatie een zegen is geweest. Niet alleen had een strenge vervolging Duitsland in een nog grotere chaos gestort, ook had dit ongunstig uitgewerkt op de ontwikkeling van de democratie. Een harde aanpak van de talloze fanatieke nazi’s zou er immers voor gezorgd hebben dat er een reservoir van uiterst rancuneuze types zou zijn ontstaan dat een bedreiging zou hebben gevormd voor de prille democratie. Wie zich gedeisd hield, en niet te veel pech had, kon weer een redelijk bestaan opbouwen. De 'grote vrede’ die de Bondsrepubliek met misdadigers als Six c.s. had gesloten was wederzijds. Openlijk beleden nationaal-socialisme en frontale oppositie te gen het nieuwe staatsbestel brachten de eigen positie in gevaar, dus paste men zich aan. Er valt voor deze theorie veel te zeggen. Wie echter leest wat lieden als Six en ondergeschikten hebben uitgespookt, en hoe het hen na 1945 verging, kan niet anders concluderen dan dat deze types, die niet het fatsoen hadden er zelf een eind aan te maken, erg zachtzinnig zijn aangepakt. En dat valt aan hun slachtoffers, althans dat handjevol dat nog in leven is, niet uit te leggen.