Adèle Bloemendaal 11 januari 1933 – 21 januari 2017

Haar dringend advies aan podiumkunstenaars: ‘Kind, ga nooit naar een psychiater, want het kost je je vreten.’ We hebben er haar mooiste lied aan te danken. Ze is in ‘het vak’ een hogeschool geweest.

Dat ‘mooiste’ lied, het is maar relatief: Adèle Bloemendaal reeg moeiteloos het ene hoogtepunt aan het andere. Maar De zwarte doos, een liedtekst van haar ‘cabaretpooier’ Jacques Klöters, is er in haar oeuvre wel eentje van de buitencategorie. Iedere fatale val of uitslaande brand is de diva ‘gehard ontstegen’. Wroeten in de brokstukken van haar uitgebrande noodlot is dus onbegonnen werk.

‘Nooit in ’t vuur gaan zoeken naar die zwarte doos’, zo begint het lied. Het komt uit Adèle op de Orinoco (1990), de afsluiting van een decennium vol programma’s met jongensboekentitels, die een mix waren van literaire chansons (waaronder teksten van Brecht), autobiografische conferences en op haar lijf geschreven nummers van voornoemde Klöters, van Hans Dorrestein (‘mijn troetelcavia’), van de Homerus van het Nederlandse kleinkunstlied, Jan Boerstoel, en van Flip Broekman, die in 1985 voor Adèle het Vingerlied schreef:

Die stinkt niet naar jenever,
die kwijlt niet in je nek.
Hij doet gewoon z’n werk
en dat doet-ie lang niet gek.
Je lichaam is een doolhof,
maar hij kent er elke heg.
En als moeder plotseling binnenkomt,
dan stop je ’m even weg.
Dat is je vinger,
je eigen vinger.
Die heeft tenminste geen maîtresse in Parijs.

Je stond als liefhebber voor die theaterprogramma’s in ellenlange rijen voor ettelijke kassa’s, en het loonde altijd de moeite. Want Bloemendaal en haar door de goden gekuste musici Martin van Dijk en Tom Barlage trokken alles uit de kast. Uit die tijd stamt ook de hier afgedrukte foto, in 1983 geschoten door Kors van Bennekom, die Adèle betrapte bij haar intensieve kleedkamerritueel: ‘Verdomme, ik zit mijn wimpers te verkankeren, even niet lullen nou!’

Een stoofpot van ongein en schoonheid

Geboren werd ze als Adèle Hameetman, dochter van een Jordanese groenteboer. Haar eerste successen oogstte ze met haar gabber van het eerste uur, Leen Jongewaard. Zij (19 toen) en Leen (25) repeteerden bij Toneelgroep Aanschouw in het gebouw van de gereformeerde Vereeniging tot Verbreiding der Waarheid in de Elandstraat. In 1952 traden ze met het cabaretprogramma Draadloos op in het bovenzaaltje van de Amsterdamse bioscoop Kriterion. Het Parool kwam kijken. En snel werd er van twee kanten aan ze getrokken. En niet door de minsten. Toon Hermans wilde Leen en Adèle laten auditeren voor zijn nieuwe programma. En de eerste Nederlandse kindertoneelgroep Puck was in ze geïnteresseerd. Zij kozen voor toneel, dat gaf meer vastigheid. Acteur en regisseur bij Puck, Egbert van Paridon: ‘Adèle was een blonde stoot, een barokke geile meid die geweldig ordinair kon zijn. En Leen was een volks talent. Ik wou ze allebei hebben.’

Vanaf zomer 1953 kregen de twee elke ochtend van acht tot tien spraakles van Van Paridon. Daarna begonnen de repetities aan Dievenbal van Jean Anouilh in de regie van mevrouw Ank van der Moer, haar debuut. Leen Jongewaard is lang bij Puck gebleven. Adèle, die de verkorte artiestennaam ‘Hamé’ had verworven, hield het na een half jaar voor gezien. Ze trouwde met de vliegtuigingenieur Bob Bloemendaal, pleegde contractbreuk, en ging met hem naar Californië. Na een paar jaar kwam ze als de gescheiden single Adèle Bloemendaal naar Holland terug. En werd meteen overal gevraagd. Het circus van haar podiumcarrière begon toen pas goed. Ze is overal geweest en overal kort. ‘Want ik kan nergens zijn/ voor lange duur’, zong ze in het prachtlied Adieu Vaarwel.

Toen ze op haar dertigste een zoon kreeg, John, samen met Donald (‘Ik zou je ’t liefste/ in een doosje willen doen’) Jones, de eerste zingende zwarte man van Nederland die ons aller harten stal, deed ze een tijdlang alleen nog maar televisie. Een goed belegde boterham, overdag werken, ’s avonds thuis, scheelt een oppas – Adèle is altijd een praktisch mens geweest. En niet per se een goede moeder. Ze werkte samen met televisieregisseur Rob Touber, die haar in sterke shows literair repertoire liet brengen: Het huwelijk van Elsschot bijvoorbeeld, of de Ballade von der ‘Judenhure’ Marie Sanders van Brecht/Eisler, in de vertaling van Jaap van der Merwe. Met dezelfde flair deed ze de parodie van Drs. P op een carnavalskraker, Wat heb je gedaan, Daan? Drs. P: ‘Dom refrein met veel herhaling, voor de coupletten rijmwoorden, zinledige lettergrepen en onzinteksten. “In de hele met zijn allen van die dingen niet meer aan.”’

Ik heb vaak met mijn moeder zitten kijken. Mijn moeder was dol op Adèle omdat die alles durfde. Ik snapte toen ook voor het eerst wat het in die tijd uitgevonden begrip ‘sandwichformule’ betekent: een stoofpot van ongein en schoonheid, waarbij je het ene vreet en het andere ontdekt. Adèle bleef in dit alles wie ze was: een gaaf wijf uit één stuk. Tegen de eeuwwisseling verdween ze en dook dan af en toe weer even op. In 2006 bij Paul de Leeuw, die samen met Adèle haar eigen lied Jalousie zong. ‘Je kan het nog, Adèle’, fluisterde De Leeuw. Mooie televisie. In 2013, ze werd tachtig, en er kwam een hommage, Adèle, met Paul de Groot, Sanne Wallis de Vries en Martin van Dijk. En daar was haar hese spelonkenlach weer. In drievoud. Heerlijk!

Ook in mijn leven vonden heel wat rampen plaats:
hoe vaak verdween ik plotseling niet uit het zicht;
lag ik weer eens in stukken in het ochtendlicht?
Juist als het goed gaat, word ik tegendraads.