Adellijke supporters

LUC PANHUYSEN
RAMPJAAR 1672: HOE DE REPUBLIEK AAN DE ONDERGANG ONTSNAPTE
Atlas, 468 blz., € 34,95

Het vorige boek van Luc Panhuysen, de meesterlijke dubbelbiografie van Johan en Cornelis de Witt, ging over de gloriejaren van de ‘Ware Vrijheid’, een periode die ook bekendstaat als het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672). Nadat in de Opstand de vrijheid van de noordelijke Nederlanden was bevochten op Spanje, waarbij het huis van Oranje-Nassau een belangrijke rol had gespeeld, werd volgens veel Hollandse regenten diezelfde vrijheid bedreigd door datzelfde Oranjehuis. Men had zich niet bevrijd van de ene tiran om zich nu te laten ringeloren door een stadhouder met monarchale ambities.
Nadat hij in 1653 was aangetreden als raadspensionaris van de Staten van Holland had Johan de Witt door middel van een behendige buitenlandse politiek het land door vele stormen geleid. Hierbij waren niet alleen twee zeeoorlogen met Engeland uitgevochten, maar was De Witt er tevens in geslaagd de territoriale ambities van de jonge Lodewijk XIV te fnuiken. In 1670 sloten echter Engeland en Frankrijk een geheim bondgenootschap, waardoor de Franse koning twee jaar later, samen met de bisschoppen van Münster en Keulen, de Republiek binnen kon vallen. Een door Oranjegezinden opstookte volkswoede leidde toen tot de val van Johan de Witt, die korte tijd later samen met zijn broer werd vermoord, en tot de benoeming tot stadhouder en opperbevelhebber van de jonge Willem III.
In Rampjaar 1672 schildert Panhuysen op indringende wijze de voorbereiding van de overval op de Republiek, de gebrekkige wijze waarop daar aanvankelijk op werd gereageerd, de Blitzkrieg van Lodewijk XIV, en hoe door het onder water laten lopen van een hele reeks polders op het nippertje werd voorkomen dat ook het westen van het land werd bezet. Ook de twee jaar durende oorlog die hierop volgde wordt uitgebreid beschreven.
Was in Panhuysens boek over de gebroeders De Witt de hoofdrol weggelegd voor de stedelijke regenten, in dit boek draait alles om de onervaren maar vastberaden en krachtdadige prins van Oranje. De auteur heeft er namelijk voor gekozen om de onvoorstelbare crisis waarin het land verkeerde, en die bijna eindigde met de ondergang van de Republiek, te beschrijven door de ogen van drie adellijke supporters van de prins.
Het boek is voor een groot deel gebaseerd op de correspondentie tussen Godard Adriaan van Reede, heer van Amerongen, zijn vrouw Margaratha Turnor, en hun zoon Godard, heer van Ginkel. Op zich zou de keuze voor zo’n particulier perspectief kunnen leiden tot een enigszins passief verhaal, waarbij de hoofdpersonen worden meegevoerd op de golven van het noodlot. Hier is dat echter beslist niet het geval, omdat vader en zoon Van Reede een actieve rol spelen. Dit heeft een even spannend als informatief boek opgeleverd.
Godard Adriaan reist als ambassadeur van de Republiek door de Duitse landen en poogt vanaf de herfst van 1671 wanhopig te voorkomen dat Lodewijk over Duits territorium kan opmarcheren. Daarna speelt hij een belangrijke rol bij het tot stand komen van een bondgenootschap met de keurvorst van Brandenburg en de Oostenrijkse keizer. Ondertussen vecht zijn zoon als cavalerieofficier in het leger van prins Willem, terwijl zijn vrouw thuis de zaken waarneemt en vergeefs haar best doet om te voorkomen dat hun kasteel door de Fransen wordt verwoest.
Door gebruik te maken van deze zeer uitgebreide correspondentie slaagt Panhuysen erin een beklemmend en aangrijpend beeld te schetsen van de lotgevallen van deze familie én van de Republiek als geheel. Als hij beschrijft hoe in de winter van 1671-72 Godard Adriaan bij verschillende Duitse vorsten vergeefs het vuur uit zijn sloffen loopt om het naderend onheil af te wenden, terwijl zijn vrouw kordaat maar angstig allerlei voorzorgsmaatregelen neemt, wordt de spanning bijna voelbaar. Niet in de laatste plaats wordt dit veroorzaakt door het feit dat Panhuysen met evenveel (ogenschijnlijk) gemak zowel de gruwelijke realiteit van de oorlog als het dagelijks leven in de zeventiende eeuw beschrijft.
Tegelijkertijd geeft hij een levendig inkijkje in de machtsverhoudingen van die tijd. Hoewel de Van Reedes tot de trouwste aanhangers van de prins behoren, en deze voordat hij aan de macht komt regelmatig een vorkje meeprikt op kasteel Amerongen, krijgen zij in toenemende mate de indruk dat hun diensten niet op waarde worden geschat. Godard Adriaan moet eindeloos wachten op de forse bedragen die hij heeft voorgeschoten en zoon Godard wordt bij promoties telkens gepasseerd. De verbittering hierover, terwijl de Van Reedes de oorlogsellende stoïcijns trachten te verdragen en prins en vaderland ondanks alles loyaal blijven dienen, geeft het verhaal een bijzonder menselijk tintje. Dat geldt ook voor de wraakzucht die, als de krijgskansen en de politieke verhoudingen wijzigen, zich soms van hen meester maakt. Met enig leedvermaak wordt geconstateerd hoe aristocraten die het met de Fransen op een akkoordje hebben gegooid politiek zijn uitgerangeerd, en als er sprake van is dat de prins samen met zijn bondgenoten zal optrekken naar Parijs hoopt Van Reede senior dat de troepen ‘wat ravage zullen maken in die hoerenhuizen van Fontaineblaue, St. Germain en Versailles’, waar zij allicht wel ‘een half afgereden marquise of comtesse’ zullen vinden.
Dit is superieure geschiedenis, die heel dichtbij komt.