Adem die naar appel ruikt

In de eerste hoofdstukken van haar debuut De hemel boven Parijs brengt Bregje Hofstede (1988) de elementen voor haar verhaal kordaat in stelling.

Olivier, van middelbare leeftijd en docent kunstgeschiedenis aan een Parijse universiteit, raakt begeesterd van de Nederlandse Sofie (roepnaam Fie) Schoonhoven, die college bij hem volgt. Ze doet hem denken aan zijn jeugdliefde Mathilde. Het motto van het boek, enkele versregels van Hanny Michaelis, zet een helder thema uit: het doordreunende en onontkoombare verleden. Fie, die blijkbaar een treffende gelijkenis vertoont met Mathilde, jaagt Olivier terug naar de tijd van zijn eerste grote liefde, die slecht is geëindigd. In korte, vlotte hoofdstukken roept Hofstede haar personages en hun belangrijkste beslommeringen op, compacte en gerichte flashbacks geven steeds net voldoende context voor een probleemloze voortgang van het verhaal.

Small bregje hofstra

Het doortastende tempo van de roman sprak mij zeer aan, ik kreeg het idee dat Hofstede ook wel begrijpt dat een dergelijke premisse niet te veel introductie behoeft. Aanvankelijk twijfelde ik over enkele keuzes, die me wat al te literair afgepast leken, zoals Oliviers kinderloosheid. Toen Mathilde zwanger van hem werd, wist hij haar tot een abortus te overtuigen, het is de bron van zijn berouw, de reden voor zijn grote verlangen naar een tweede kans. Maar zijn vrije status, gesymboliseerd in zijn lat-relatie met de maar iets jongere Sylvie, maakt hem een wat al te doorzichtig doelwit voor een obsessie, hij schuift wat te eenvoudig in zijn rol. Ook had ik af en toe moeite met de beschrijvingen van de jonge vrouwen. Het spannende, branievolle meisje Mathilde ben ik al aanzienlijk vaker tegengekomen en Fie komt te stuurs, te vlak te voorschijn. Fie’s essays over kunst die in hun geheel zijn opgenomen leken me bovendien iets te veel van het goede. Dan mijn laatste bezwaar: de dialogen die af en toe in toneelvorm zijn gesteld, de toegevoegde waarde ervan heb ik niet kunnen ontdekken (en ik zou het toejuichen als in een volgend boek de personages minder met elkaar praten dan tegen elkaar).

Maar perfecte romans bestaan niet en het heeft geen zin om daarnaar te zoeken. De hemel boven Parijs is in de eerste plaats geslaagd omdat de auteur haar keuzes doorgrondt en daarmee een wonderlijke eigen toon creëert. Het lukt haar om een gebalanceerd midden te houden tussen noodlotsroman en zedenschets, tussen nuchterheid en overgave.

De zinnen zijn zelden erg lang, de meeste staan in dienst van het verhaal, maar Hofstede heeft ook het vermogen om taal het werk te laten doen. ‘In zijn hoofd werden deze dag en dat moment van vijfentwintig jaar geleden naar elkaar toe gebracht, en als de punten van een laken bij elkaar genomen; en alles wat ertussen lag, verdween in een smalle plooi. Zo opgevouwen leek zijn leven kort en simpel.’ Een passage met een goed beeld en een no-nonsense ritme, in kennelijk zelfvertrouwen geschreven.

Hofstede’s Parijs is aantrekkelijk, maar behapbaar, eerder gedistingeerd dan glamoureus

Een kort woord over de vermeende gelijkenis tussen Mathilde en Fie. In een film hadden we onmiddellijk gezien dat de twee jonge vrouwen niet werkelijk op elkaar lijken, maar een goede roman weet van elk personage een open en dolend hoofd te maken dat verbeelding boven feit stelt en ontsluit hoe psychologie een mens drijft.

Wanneer ik mijn notities in de kantlijn overlees zie ik strenge strepen onder enkele slordige zinnen langzaam verdwijnen naarmate ik verder blader. Meer en meer zie ik aantekeningen als ‘sterk’, ‘mooi’ en ‘goed!’. En zo zal ik me De hemel boven Parijs herinneren, als een roman die met elk nieuw hoofdstuk aan kracht wint. Olivier blijkt een volwaardig dramatisch personage, geloofwaardig in zijn vrije val het verleden in, in zijn verliefdheid en lust. De aanvankelijk tamme Fie komt los, fijne contradictoire kanten van haar persoonlijkheid worden zichtbaar, het is duidelijk dat Hofstede deze twee mensen voor elkaar klaarstoomt.

De schrijver houdt het ook verfrissend volwassen wanneer ze het intieme domein betreedt. Aantrekking en afstoting weet ze realistisch op te roepen. Geur speelt een belangrijke rol. Iemands adem ruikt naar appel; wanneer Fie opeens schrikt van de lichaamsgeur van haar eerste minnaar weten we dat de romantiek voorbij is. En dan deze zin over een kus: ‘Zijn adem smaakte oud, alsof zijn eerste ademteug nog altijd onder in zijn longen zat.’ Na haar korte affaire met de jongen Marc blijkt Fie zwanger, een wat voor de hand liggende spiegeling. Maar Hofstede maakt dat meteen weer goed met de beschrijving van de eerste vrijpartij tussen Fie en Olivier die zowel ontluisterend als intiem is en het vervolg begrijpelijk maakt.

Parijs, een oudere man en een veel jongere vrouw, van een afstand de plot voor een nieuwe Woody Allen. Maar Hofstede lijkt zich van geen kwaad bewust en dat is de beste instelling. Parijs, ze zet de stad niet in overdreven siervol licht. Haar Parijs is aantrekkelijk, maar behapbaar, eerder gedistingeerd dan glamoureus. Hofstede speelt niet met de lezer, ze blijft binnen de lijnen, haar roman is niet complex of al te onverwacht, maar een succesvolle vertelling in een sterke Europese traditie.


Beeld: Bregje Hofstede speelt niet met de lezer, ze blijft binnen de lijnen, haar roman is niet complex, maar een succesvolle vertelling (Ilse Joliet).