Hf 2.0-2.0: Lucie Horsch

Ademruimte

Omdat de concertzaal geen vliegtuig is, dus geen verdienmodel, mag er na de versoepeling van de coronalockdown nog steeds bijna niemand binnen. Zo werden zondag 7 juni in het Amsterdamse Muziekgebouw slechts dertig bezoekers toegelaten tot het eerste post-lockdownoptreden van het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam onder Daniel Reuss. Oorspronkelijk was dit een Holland Festival-programma met als belangrijke primeur Louis Andriessens May voor koor en orkest, geschreven ter nagedachtenis van Frans Brüggen. Het festival werd geannuleerd en de bezetting van May bleek onverenigbaar met de anderhalvemetervoorschriften. Gevolg: gewijzigd programma en een videostream voor iedereen die er niet bij kon zijn, tot zondag aanstaande te zien op het YouTube-kanaal van het Holland Festival.

Dat het bij ontstentenis van May toch een hommage aan de blokfluitvirtuoos en oprichter van het orkest van dienst kon worden, was post mortem mede zijn verdienste. Hij liet iets na. Andriessen componeerde in 1964 voor Brüggen het verder volledig gedateerde wat-zal-ik-eens-voor-blokfluit-schrijven-solostukje ‘Sweet’. Samuel Scheidts snijdend verdrietige ‘Pavane’ was huisrepertoire van het Orkest van de Achttiende Eeuw. Het fictieve ‘Fluitconcert in D’, dat Brüggen op basis van materiaal uit Bach-cantates samenstelde, was ideale munitie voor blokfluitiste Lucie Horsch, die bij gelegenheid meteen de Nederlandse Muziekprijs kon ontvangen.

Zo komen we ergens. En dat komt met zulke krachten ook wel over via het nieuwe normaal van de videostream. Opgesteld in een kring spelen de strijkers van het orkest met de ruime adem van de oprichter het zesstemmige ‘Ricercar’ uit Bachs Ein musikalisches Opfer. Hij is er nog, ergens. Later is Josquins koorwerk ‘Nymphes des bois’ ter herinnering aan componist Johannes Ockeghem, fantastisch uitgevoerd door Cappella Amsterdam onder Daniel Reuss, een plaatsvervangend in memoriam voor alle ademruimte.

Maar dan. In de zaal minister van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur Ingrid van Engelshoven – de kunstbaas wier advieslichaam, de Raad voor Cultuur, de politiek zojuist heeft aanbevolen de subsidie-aanvragen van de twee uitvoerende ensembles niet te honoreren. In haar vlakke laudatio voor Horsch moeten wij op zijn Telegraafs vernemen hoe een grote Hollandse toch nuchter is gebleven. Het is afgrijselijk. Dan staat de laureate in een verbluffend helder, inderdaad broodnuchter dankwoord op tegen de vlakheid van een krachteloos, met alle diversiteitswinden meewaaiend kunstbeleid van een tijd waarin, zegt ze, ‘veel musici het gevoel hebben dat hun stem niet gehoord wordt’. Prestaties van ‘grote artistieke kwaliteit’ worden door de politiek met fatale gevolgen ondergeschikt gemaakt aan andere, niet-artistieke maatstaven. ‘Met de eisen die worden gesteld zijn musici vaak gedwongen om hun eigen creatieve persoonlijkheid te verloochenen om maar te mogen blijven meedraaien in het systeem.’ Dat krijg je als een kunst, die zelf niets anders dan het hoogste doel kan zijn, wordt geacht ook emancipatoire en evolutionaire doelstellingen te dienen.

Vervolgens speelt Horsch ernstig licht Brüggens fictieve Bach-concert met de bijna-ironie van het veroverde gemak dat loon naar werken heet. Zo klinkt dat, het in al zijn superioriteit onmachtige verzet tegen de dwingelandij van de inclusie. Het heet grote kunst. Tot criteria veroordeeld, door criteria geveld, in een symbolisch lege zaal verdedigd door de beste muzikanten die we hebben. De ontroerde ziel gilt het uit.

Voor streaming en het volledige Holland Festival- programma t/m 21 juni, zie hollandfestival.nl