Adieu canards, canaux, canailles!

Voor het slapen gaan herlas ik Voltaires Candide. De lectuur had andermaal het effect van een atomaire ontploffing. Werkelijk, daarmee vergeleken bewegen de verzamelde gruwelen in Brett Easton Ellis’ American Psycho zich op het niveau van de sprookjes van Moeder de Gans. Dat de kerk daarnaast niet blij zal zijn geweest met al die twijfelachtige paters die ten tonele worden gevoerd, kan men zich ook wel voorstellen.

Het boek is verschillende keren in het Nederlands vertaald, de laatste keer door Hans van Pinxteren. Het is een pure vorm van vaderlands flagellantisme, want onze landgenoten komen er bepaald niet best van af. Speciaal de Hollandse slavendrijver Vanderdendur. ‘Ja meneer’, zegt een toegetakelde neger, 'als we in de suikerfabriek werken en onze vinger in de molen komt, hakken ze onze hand af; als we willen weglopen, hakken ze ons been af. Dat is me allebei overkomen.’
Deze Vanderdendur is, leer ik uit het boek van France Guwy (Voltaire, help!), een literaire wraakneming op Voltaires Amsterdamse uitgever Van Duren. De schrijver werd door hem en door menige Hollandse collega genadeloos geplunderd. 'Adieu canards, canaux, canailles!’ riep hij in opperste woede. Zijn houding tegenover de Hollanders was ambivalent, gevoelens van pure apeliefde werden afgewisseld door aanvallen van onverwaterde afkeer. Voltaire, in een berijmde brief aan FrederikII: 'Een vrij en op winst belust volk,/ levend in deze uithoek van de aarde,/ altijd ronddobberend op een boot/ zouden ze de lucht en het water verkopen.’
Want, zei ook Johann Gottfried Herder, 'in Holland is alles te koop’. De uitdrukking 'een Hollandse koopman’ is een pleonasme, zei Heinrich Heine, 'da jeder Hollander Kaufmann ist’. Liefst een koopman in mensenvlees, getuige Heines poetische portret van de bigotte slavenhandelaar Mynheer Van Koek, die bezijden de fokkemast met mercantiele bezorgdheid ziet hoe de zwarte handel onder zijn grijpgrage tengels crepeert. Zij sterven door melancholie en door het feit dat hun eigen stank hun de adem beneemt, meldt de scheepsarts Van der Smissen - als er bij Heine een Hollander opduikt heet hij veelal Van der Pissen of Van der Smissen. Mynheer Van Koek ziet vertwijfeld hoe het ene lijk na het andere aan de haaien wordt gevoerd. En hij bidt: 'Verschone ihr Leben um Christi Will'n,/ der fur uns alle gestorben!/ Denn bleiben mir nicht dreihundert Stuck,/ So ist mein Geschaft verdorben.’
'Goud is jullie God’, zeiden de Westafrikaanse negers tegen de Nederlandse mensenhandelaars.
Drie eeuwen later besloot God, in nauwe samenspraak met Zijn Zoon, de Nederlanders hun kolonien af te nemen. Er is even door het handeldrijvende deel der natie om geprutteld ('Indie verloren, rampspoed geboren’), maar zelfs de VVD zal moeten toegeven dat de reputatie van het Koninkrijk der Nederlanden er sedertdien aanzienlijk op is vooruitgegaan.