Adorno

Met veel belangstelling las ik ‘De verleiding van het absolute’ in De Groene van 7 juni. Op heldere wijze zet Ger Groot daarin uiteen in hoeverre de eis tot zuiverheid, die intrinsiek is aan het program van de Verlichting, aanleiding is geweest tot de grootste verschrikking van deze eeuw. Zijn voorzichtige pleidooi voor een min of meer aanvaarden van het feit dat het onaanvaardbare niet buiten de geschiedenis gehouden kan worden, heeft naar mijn smaak evenwel iets te veel weg van waarvan hij Adorno wil beschuldigen: verabsoluteerd pessimisme.

In tegenstelling tot wat de auteur suggereert, word ik bij lezing van Adorno’s late geschriften, zoals zijn magnum opus Negative Dialektik en dan met name het deel Meditationen zur Metaphysik, in het geheel niet geconfronteerd met een vermeend absoluut pessimisme. Adorno is een buitengewoon scherp criticus van elke neiging in de filosofie tot een definitief en sluitend geheel te komen, maar niet minder van het tegenovergestelde: absoluut scepticisme.
Wie Adorno niet dialectisch leest, begrijpt hem op voorhand niet. Als ik dan zo'n zin als ‘Een tot zichzelf gekomen rede moet zich ermee verzoenen te blijven leven onder een betrokken hemel’ lees, vrees ik te mogen constateren dat de auteur van het essay zelf voor het absolute pessimisme is gevallen, een pessimisme van de verabsoluteerde bescheidenheid, een soort onto-theologie waar de verlossing het midden is tussen goed en kwaad, waar een derde mogelijkheid resoluut-absoluut uitgesloten wordt en slechts nog 'banale troost’ rest. Zulks onder het mom van de algemeen menselijke mogelijkheid van het kwaad. Dat is gewoonweg slechte dialectiek. Een dergelijke relativering is in feite een capitulatie voor de status van het algemeen menselijke, en dat lijkt minstens zoveel op ideologie als een te radicaal-positief geinterpreteerd politiek programma van de zuiverheid, want daarmee loop je het gevaar een metafysische categorie te introduceren die een precedent schept voor de legitimering van kwalijke gebeurtenissen.
Dus, dat Adorno ongelijk heeft, zoals de aankondiging voor in uw blad zegt, waag ik te betwijfelen. En bovendien denk ik dat het belangrijk is dat ik uw aandacht vestig op een passage uit bovengenoemde Meditationen: 'Das perennierende Leiden hat soviel Recht auf Ausdruck wie der Gemartete zu brullen; darum mag falsch gewesen sein, nach Auschwitz liesse kein Gedicht mehr sich schreiben.’ Dat is gepubliceerd in 1966, klaarblijkelijk drie jaar voor de uitspraak die Ger Groot citeert, waarvan dit citaat de nuancering door Adorno zelf is. Begrijpt u het?
Amsterdam, DENNIS SCHULTING, student theologie/filosofie UvA