28 mei 1952 - 11 februari 2012

Adriaan Bontebal

Performing poet Adriaan Bontebal was de Carmiggelt van de kraakbeweging. Toen de slam opkwam vond hij de dichterswereld niet leuk meer. Eerlijk was hij, en weerloos.

DE CARMIGGELT van de kraakbeweging, de dichter met het houten been, de schrijver die zo droevig kon voorlezen dat het publiek het niet meer kon houden van het lachen - Adriaan Bontebal, pseudoniem van Aad van Rijn, stierf afgelopen zaterdag aan een hartstilstand.
In 1975 verloor hij zijn been tijdens een motorongeluk. Naar eigen zeggen was hij niet buiten bewustzijn toen hij - ‘het is maar een hippie’ - op de brancard werd gekwakt. Het zou zijn leven veranderen. De computerprogrammeur uit Leidschendam begon met schrijven. Hij was een van de krakers van De Blauwe Aanslag, het belastingkantoor in Den Haag.
Hij schreef puntige gedichten in de stijl van C. Buddingh’. Zijn invloeden waren voornamelijk Engelse dichters: Roger McCough, van wie hij veel bewerkingen bracht, John Cooper Clark en Atilla the Stockbroker. Adriaan Bontebal deed wat wij allemaal deden, jezelf constant omlaag halen en daar harde grappen over maken. Alleen deed hij dit het beste van iedereen. De figuur Bontebal was een karikatuur die zeer nauw paste op zijn eigen leven. Hij kon met uitgestreken gezicht de grootste droogkomische onzin ten gehore brengen onder golven van gelach en applaus zonder ook maar een spiertje te verrekken.
Zijn eerste dichtbundels heetten De vuilnisman komt in elke straat (1983) en Alleen in bad (1984) en verschenen in eigen beheer. Hij werkte in drukkerij de Bijstand en was medewerker van De Zwarte, de Haagse pendant van Bluf! Halverwege de jaren tachtig lazen we soms negen keer per week voor, in open jongerencentra, op middelbare scholen, in kraakpanden en in theaters. Kenmerkend waren hoe hij uiterst langzaam het podium op hinkte en zijn langzame en bedeesde manier van spreken. Een goede grap maken vraagt om een uitgekiende techniek. Zijn stilering kwam het best tot zijn recht in proza: beschrijvingen van de vandalisme-proof jongerencentra, de kleedkamers, de podia, de zalen. Bij uitgeverij In de Knipscheer verschenen de bundels prozaminiaturen Een goot met uitzicht (1988) en De Ark (1990). Hij publiceerde verhalen in Playboy, wat discussie gaf binnen het krakersbolwerk De Blauwe Aanslag en de linkse drukkerij waar hij werkte.
Adriaan Bontebal was befaamd om zijn collegialiteit. Hij zette klankdichter Jaap Blonk ertoe aan niet alleen de Ursonate van Kurt Schwitters uit te voeren, maar ook zijn eigen klankgedichten. Hij organiseerde in 1987 de Haagse Nacht van de literatuur waar een jonge Ingmar Heytze zijn held Johnny van Doorn kon ontmoeten. Hij heeft tal van jonge dichters gestimuleerd, het podium op gesleept. Competitie was hem vreemd. Met succes had hij een ambivalente verhouding. Terwijl hij veel optrad ontwikkelde hij een steeds hardnekkiger podiumvrees. Kort trad hij op met twee bodyguards, in kostuum gehesen kleerkasten, waartussen hij mager afstak.
Een van zijn meest gedenkwaardige teksten is het Haags dagboek, een reportage die hij met zijn vriend Hans de Bruin schreef over de belegering van De Blauwe Aanslag door aanhangers van extreem-rechts volgend op de aanslag op de echtgenote van Hans Janmaat in Kedichem in 1987. Bontebal en De Bruin beschrijven de angst, de agressie, de vervreemding van krakers die een week lang opgesloten zitten in een gebouw dat dag en nacht bekogeld wordt met stenen. Het dagboek is afwisselend een literaire en een journalistieke weerslag van de gebeurtenissen en maakt de verbijstering inzichtelijk over hoe mensen in gevechtshouding kunnen schieten en hoe moeilijk ze eruit komen. Het is gepubliceerd in het literaire tijdschrift De XXIste eeuw.
Adriaan Bontebal leidde na zijn krakersjaren een teruggetrokken bestaan. Zijn devies was dat als ieder dekseltje op ieder potje paste, die potjes door die deksels luchtdicht werden afgesloten. Tijdens een treinreis door Schotland durfde hij niet uit te stappen, mogelijk uit voorzienigheid, en diagnosticeerde bij zichzelf pleinvrees. 'Die Hagenaars zijn niet beroemd te maken’, mopperde Louis Behre van Crossing Border, die het daadwerkelijk geprobeerd heeft. Haagser dan Bontebal kun je ze nauwelijks krijgen, ieder verhaal van hem was een met smaak opgediste anekdote uit de stad. 'Zoals hij erover sprak, kon een Hagenaar met twee benen eigenlijk niet’, schreef Wim Noordhoek.
Stoïcijns was hij wat betreft zijn eigen traditie. Hij was een performing poet zoals Jules Deelder of Diana Ozon dat was en over wegbereider Simon Vinkenoog mocht met geen kwaad woord gesproken worden. Toen de slam opkwam vond hij de dichterswereld niet leuk meer. Er werd naar zijn smaak te veel met modder gegooid. Zijn verwantschap met striptekenaars was groot. Er bestaat een tekening gemaakt door Marnix Rueb van hem op zijn bundel Charmante jongen, sportief tiep (Doen, 1995), waarop een compleet verlopen Bontebal met die tekst een contactadvertentie komt zetten en de typiste het uitproest. Sommige van zijn teksten sloten nauw aan bij tekeningen van Eric Schreurs. Zijn laatste dichtbundel heette Overleven met het oorsmeer in de ketting (Innocenti, 1996). Het leken moppen, flauwe grappen, maar bij Adriaan Bontebal gingen ze tot de bodem van zijn eigen bestaan, de zelfkant die ontegenzeggelijk niets anders dan zijn eigen realiteit was. Wat hij schreef was op een hulpeloze manier geestig. Zijn weerloosheid en eerlijkheid waren hartverwarmend.
In het werk van Buddingh’ sprak hem de huiselijkheid aan, de kneuterigheid, het onopgesmukte. Bontebals eigen werkelijkheid was zo nodig nog kaler. Op het blog dat hij tot op de dag van zijn dood bijhield schrijft hij over broekzakbellers, mensen die onbedoeld hun telefoon in een beknelde toestand laten bellen. Ze moesten altijd Aad hebben die bovenaan stond. Dag oude kameraad, dag goede vriend, rust zacht.