© BNNVARA

Met het vrolijk jennende You Talk too Much van Joe Jones (1960) sluit Coen Verbraak zijn documentaire ter viering van Adriaan van Dis’ 75ste verjaardag af. Ik vermoed dat de Jarige Job er smakelijk om kan lachen. Wat mij betreft kan hij, als tv-personage, zo vaak hij wil praten – ook al omdat hij uitstekend luistert. Legio gasten, onder wie andere zwaargewichten (neem Freek de Jonge) zijn vaak een ramp aan praattafels, terwijl Van Dis niet alleen over zijn eigen onderwerp wijze en ware dingen zegt, maar dat ook doet wanneer hij betrokken wordt in een conversatie met andere aanschuivers over hún thema’s. Kom er ’s om. Zonder overmaat aan geldingsdrang; zelfbewust zonder zelfingenomenheid. Al lijkt zijn in Het Gooi aangeleerde maar volstrekt eigen geworden tongval bij slechte verstaanders tot andere conclusies te leiden.

We hebben kort voor dat slotlied de begraafplaats te Bergen in Noord-Holland bezocht, waar zijn plekje al gereserveerd is, met ‘uitzicht op’ de graven van Du Perron, Lucebert, andere Adriaan (Roland Holst) en Joost Zwagerman. Monter (Adriaan leeft immers nog, de anderen niet) kijkt en loopt hij rond, dat laatste minder soepel dan voorheen vanwege een mislukte heupoperatie (maar nooit zeuren: ‘Ik omarm mijn invaliditeit’ en ‘Gij zult niet verbitteren’). Toch, ondanks de onmisbare stok blijft de motoriek een zekere elegantie behouden. Elegantie die volledig onaangetast blijft in taal, dictie, gestiek en ‘manieren’. Adje Mulder, dat ‘Indische’ repatriantenkind, geboren in een afgelegen duindorp, heeft zich daarvoor heel wat meer dan elitedialect eigen moeten maken – zichzelf aan de haren uit het moeras van een ‘niet gemakkelijke’ jeugd moeten trekken (met slaande vader en niet-aanrakende moeder); zichzelf deels uit moeten vinden. Al kwam de zorg om zijn voorkomen dan weer niet van een vreemde: vader deed er alles aan ‘de best geklede werkloze van Bergen aan Zee’ te zijn.

Nieuw was voor mij dat hij voor de eerste opnamen van Hier is… Adriaan van Dis in de leer ging bij danseres en choreograaf Bambi Uden. En dat alles voor een loopje van luttele meters, voorafgaand aan zittend gepresenteerde interviews. Met zijn toenmalige tv-regisseur Ellen Jens lacht hij daar nu smakelijk om, zoals vaker met al dan niet vertederde zelfspot wordt omgekeken. Maar hoe was het zo gekomen, die bliksemcarrière bij de VPRO? Na een studie Nederlands, een redacteurschap bij de NRC en het schrijfdebuut Nathan Sid werd hij uitgenodigd mee te denken over de formule voor een nieuw interviewprogramma. Toen moet daar die jonge gast aan tafel gezegd hebben: ‘La formule, c’est moi.’

Jens bevestigt lachend. Onuitstaanbaar, hilarisch, wat u wil. Maar ook raak, want nog altijd lijkt de Gouden Standaard voor boekenprogramma’s Hier is… (hoe goed Zeeman ook was). En ook fascinerend omdat in veel opzichten Van Dis een vat vol tegenstrijdigheden is (zoals de mens, en zeker een Mensch, eigen). Zo ook hier: zelfverzekerd en onzeker ineen. Want van zijn lagere schoolklas mocht Adriaan als enige niet naar het voortgezet onderwijs (misschien was hij niet echt de enige hoor, hij liegt nou eenmaal graag en geeft dat jongeren met schrijfambitie zelfs als opdracht) en werd hij verwezen naar het ‘meer uitgebreid lager onderwijs’ (mulo). Hij kon en kan niet spellen, maar dyslexie ‘bestond nog niet’. Wat destijds (maar zelfs mijn kleindochter is het recent overkomen) betekende dat je dom was. Ironie is dat zijn lef met die formule ook in de onderwijsnederlaag wortelde: buitenlandse schrijvers durfde hij te benaderen in hun eigen taal, ‘want ik had mulo. Stampen, stampen, stampen’. Wat op mij als gymnasiast meteen al voorsprong opleverde, want de meesten van ons soort spraken na het eindexamen geen woord over de grens, terwijl we teksten vertaalden als de besten. Destijds, later is het gymnasium hopelijk verbeterd. Maar misschien heeft ook Adriaan zich het spreken wel na de mulo aangeleerd.

Tegenstrijdigheden volop, zoals alleen al vervat in de filmtitel: een wanhopige optimist. Man die wereld, mensheid, geschiedenis plus eigen bestaan met zorg ervaart en beziet, beleefde en bezag, maar desondanks moedig voorwaarts gaat. Die dapper is in omstandigheden waar de meesten duiken (al noemt hij zijn aandeel in het anti-apartheidsverzet ‘zo groot als de afgeknipte nagel van een pink’ – wat hem siert, maar de meesten van ons schoppen het niet tot die pinknagel), maar die ook het bange joch is op de grote prent van Topor die achter zijn bureau hangt – huiverend bij en voor de contouren van een enorme mannenfiguur. Papa. Hij heeft een aardiger vader en moeder geschreven. Dat hielp. Schrijven als genezing.

Tegenstrijdigheden. In de filmopening laat hij weten zich nooit schrijver te noemen. Want schrijven is ‘iets noodzakelijks voor het ordenen van je gedachten – je krankzinnigheid’. Om later vast te stellen dat zijn door het boekenprogramma verworven faam hem veel heeft opgeleverd maar hem ook belemmerde in zijn, jawel, schrijverschap. Het is een van de redenen waarom hij naar Parijs vluchtte: ‘onzichtbaar worden’.

‘Wat blijft er over?’ vraagt Verbraak op het kerkhof. Natuurlijk krijgt hij ook ‘botten en wormen’ te horen, maar eerst gaat Van Dis even mee in de ware aard van die altijd confronterende vraag: het Journaal zal het overlijden wel melden en fragmenten uit de fameuze interviewruzie met Oltmans laten zien. En hopelijk dan toch ook maar die met W.F. Hermans. Onvermijdelijk inderdaad, maar wat wil hij dan? ‘Ze moeten vertellen dat ik mooie boeken heb geschreven.’ Het ontroert me van die zich nooit schrijver noemende. Ik hoop dat het Journaal goed kijkt en luistert en boeken noemt, want hij heeft er mooie geschreven. Maar ja, ik ben een tv-mannetje. En ook hier zal het helaas niet gaan over zijn geschriften.

Eerst zijn we nog in Parijs, waar hij verbluft vaststelt dat zijn naam nog bij brievenbus en bel van het appartement staat. En waar een mooi, gedempt gesprek wordt gevoerd in vermoedelijk de Saint Sulpice, waar hij uren kon zitten en kijken. Bijvoorbeeld naar de druk gebruikte biechthokjes en wie daar binnenging – ook al omdat de zondaar in de mens hem verre van vreemd is. Heerlijk toch, dat katholicisme, stellen ze vast: Adriaan had voor verwante zaken zeven jaar de psychiater nodig. Over religie, het gebed, de behoefte aan een mooi verhaal, een arm om je heen. Over de troost die voor hem in schoonheid schuilt, in kunst. ‘Daar zit God in?’ ‘Ja, in schoonheid.’

En dan gaat het dus ook over ‘het leven als een akelige bedoening’ vol vallen en opstaan en het beste ervan proberen te maken: wanhopig optimist. Het zal herkenning zijn die me roert. En zie in Parijs de ontmoeting met Breyten Breytenbach, die hem in die stad tot Zuid-Afrikaans verzet verleidde. Die mannen houden van elkaar. (Op andere wijze dan de herenliefde die Adriaan als jongeman omarmde. ‘Het heeft een tijd geduurd voor ik als hetero uit de kast kwam’, is zijn verrukkelijke omdraaiing.)

Gaan we nog even naar een middelbare school in Emmen. Waar hij met leerlingen praat over schrijven en boeken. Er zijn er bij die zelf ook willen schrijven. Hij geeft praktische en inhoudelijke tips. Van tien regels per dag tot ‘pijn en verdriet moet al achter je liggen; je bent als schrijver een koele architect; tranen moeten bij de lezer komen, niet bij jou, want dan vlekt wat je geschreven hebt’ (die laatste is van voor de tekstverwerker).

‘Hebben uw boeken ook een doel?’ Hij zucht diep. ‘Een schrijver moet maar één ding: een goed boek schrijven.’ En dan, sceptisch: ‘Denk je dat ik iets voor elkaar krijg met die boeken?’ Het meisje: ‘Ja: ze zetten mij aan het denken.’ Hij veert op: ‘You made my day. Als je maar één iemand aanraakt is het al genoeg. De wet van de fluistering.’ Want iemand doet iets dat effect kan hebben. En zo wordt fluistering megafoon. We zien voor onze ogen de optimist in de wanhoop tot leven komen.

Toch nog even die televisie. De verdiensten van formule moi komen dus aan bod. En dan vooral in het spectaculaire (de botsing; komisch acteur Benigni die hem in de armen springt; geniale engerd Naipaul). Maar ook in de ‘mislukking’, zoals wanneer zijn grote held Michel Tournier de uitzending deelt met debutant Frans Pointl. Bij Tournier (onder meer De Elzenkoning) nul reactie uit het publiek, dat het, grotendeels Fransloos, zonder ondertitels moet doen. Bij Pointl volop respons (gast en gastheer elk in eigen karakteristieke vorm). Pointl vloog de boekwinkel uit, Tournier deed er niets. Een grillig medium.

Maar niet komt aan de orde (en dat is te billijken) dat andere tv-werk, dat minstens even belangrijk was: de reisdocumentaires. Van Dis in Afrika, dat hij schaamtevol en indrukwekkend maakte (mede dankzij regisseur Hans Pool) en waarvoor hij in 2008 de Nipkowschijf kreeg. En Van Dis in Indonesië (2012, weer met Pool), waarop dezelfde kwalificaties van toepassing zijn. Als iemand de haast karikaturale westerling overzee was, dan hij. Als iemand zich daarvan bewust was, erop reflecteerde en van alle kwaden het minst kwade, soms het goede deed, dan hij. Nee, dit is geen necrologie, gelukkig. Moge hij doorgaan, met stok, tot het einde dat hij niet vreest. Wat we weer weten door de biecht van deze godloze gelovige in schoonheid en waarheid (ondanks de leugens), met zijn scherp oog voor de zwakke en verworpene, voor menselijk tekort. Hem deskundig afgenomen door pastoor Coen Verbraak.

Coen Verbraak, Adriaan van Dis, een wanhopig optimist, VPRO, zaterdag 18 december, NPO 2, 20.25 uur. Recensies van Van Dis in Afrika en Van Dis in Indonesië.