16 mei 1929 – 27 maart 2012

Adrienne Rich

Met haar revolutionaire, grensoverschrijdende, poëzie was Adrienne Rich een van de belangrijkste publieke intellectuelen van Amerika. Gek genoeg bleef ze in Nederland zo goed als onbekend.

Toen Adrienne Rich vorige week overleed, werd zij in de Engelse en Amerikaanse pers herinnerd als een van de grootste dichters van de Verenigde Staten. Ze werd geroemd om haar intense, intieme en lyrische poëzie waarin het persoonlijke en politieke onafscheidelijk samengingen, en de waslijst aan prijzen en fellowships die ze ontving werd nog eens gememoreerd. Rich’s poëzie, hoe controversieel ook, is volkomen gecanoniseerd. Natuurlijk, de weerzin die de onomwonden feministische en lesbische inhoud van haar gedichten had opgeroepen werd ook weer even opgehaald. Bitter en hysterisch zou ze zijn, zeker in een gedicht als The Phenomenology of Anger, en haar boek Of Woman Born was door een mannelijke criticus zelfs als ‘absolute radicale hekserij’ getypeerd. Maar bij haar dood stond vast: Rich was een van de krachtigste schrijvers van Amerika en een van de belangrijkste publieke intellectuelen van het land.

Het is dan ook verwonderlijk dat Adrienne Rich in Nederland zo goed als onbekend is. Eind jaren zeventig zorgde haar boek over het moederschap hier voor enige beroering en begin jaren tachtig was er ook polemiek rond haar scherpe essay ‘Gedwongen heteroseksualiteit en lesbisch bestaan’. Maar beide geschriften verdronken al snel in interne feministische twisten en ook de vertaling van een bloemlezing uit haar gedichten door Maaike Meijer leidde vooral een subcultureel bestaan. Dat is jammer, want Rich’s poëzie mag feministisch en activistisch zijn, ze gaat nergens gebukt onder het naïeve sociaal-realisme die zo veel geëngageerde literatuur kenmerkt.

De poëzie werd Adrienne Rich letterlijk met de paplepel ingegoten. Ze werd in 1929 geboren in Baltimore, haar joodse vader Arnold Rice Rich was patholoog aan Johns Hopkins Medical School en haar protestantse moeder, Helen Elizabeth Jones, was voor haar huwelijk concertpianist en componist. Haar vader moedigde haar aan in haar vrije tijd zo veel mogelijk gedichten te lezen – zijn bibliotheek stond vol met het werk van dichters als Auden, Blake, Keats, Rossetti, Tennyson en Yeats. Zijn doel was van haar zuster Cynthia een romanschrijfster te maken en van haar een dichteres. ‘Er werd van mij verwacht dat ik elke dag iets schreef en het hem liet zien’, herinnerde Rich zich later. Als brave dochter gehoorzaamde ze hem. ‘Dus twintig jaar lang schreef ik voor één man in het bijzonder’, noteerde ze later, ‘die mij bekritiseerde, prees en mij het gevoel gaf dat ik inderdaad “uitzonderlijk” was.’ Maar ze stelde later ook dat zijn betrokkenheid ‘egoïstisch en tiranniek’ was.

Toen zij eind jaren veertig aan Harvards Radcliffe College studeerde stuurde ze haar poëzie naar de Yale Younger Poets Competition, die dat jaar beoordeeld werd door Auden. Hij riep haar niet alleen tot winnaar uit, maar schreef ook het voorwoord bij haar eerste dichtbundel, A Change of World, uit 1951. ‘The typical danger for poets in our age is, perhaps, the desire to be “original”’, schreef hij daarin. ‘Miss Rich, who is, I understand, 21 years old, displays a modesty not so common for that age.’

Die bescheidenheid van Rich’s eerste poëzie, die nog volkomen traditioneel van vorm is, zou later vooral als vrouwelijk worden gezien. Ze had geleerd zich te voegen – een inzicht dat ze in Of Woman Born in 1976 uitwerkte: moeders, en vrouwen in het algemeen, oefenen juist op vrouwen de druk uit om zich aan te passen, om compromissen te sluiten. Aan die druk om aangepast te zijn wist Rich zich langzaam maar zeker te ontworstelen, waarbij ook haar poëzie losser, informeler, origineler werd. Zoals veel critici over haar werk opmerkten: de ontwikkeling van haar poëzie weerspiegelde de verandering van vrouwenlevens in de twintigste eeuw. Maaike Meijer, die in de jaren tachtig een mooi stuk over Rich’s poëzie schreef, zag ook de transformatie van een meisje dat zich netjes aan de regels hield naar een ‘eigenzinnige heks’, die tovert met de taal en in de oude voorraadkamers van de cultuur zoekt naar eigen woorden en beelden om de vrouwelijke ervaring te kunnen vatten.

Maar voor het zo ver was trouwde Rich met Alfred Conrad, hoogleraar economie aan Harvard, en kreeg ze drie zonen. Langzaam maar zeker radicaliseerde ze. In haar bundel uit 1963, Snapshots of a Daughter-in-Law, sprak al onomwonden het feministische onbehagen. In haar persoonlijk leven begon ze zich steeds meer in te zetten voor de burgerrechtenbeweging en het feminisme. Ze organiseerde thuis soirées voor de Black Panthers en tegen Vietnam. De afstand tot haar man groeide en in 1970 volgde een scheiding. In hetzelfde jaar schoot hij zichzelf door het hoofd.

Rich wierp zich in de vrouwenliefde en ontmoette de in Jamaica geboren schrijfster Michelle Cliff, met wie ze vanaf 1976 tot haar dood zou samenleven. ‘De onderdrukte ­lesbienne die ik sinds mijn adolescentie met mij meedroeg begon haar ledematen te strekken’, schreef ze. De persoonlijke, politieke en ­seksuele revolutie in haar leven uitte zich ook in haar dichtwerk, in bundels als The Will to Change (1971), Diving Into the Wreck (1973) en vooral in Twenty-One Love Poems (1976). Daarin dichtte ze: ‘The rules break like a thermometer,/ quicksilver spills across the charted systems/ we’re out in a country that has no language/ …whatever we do together is pure invention/ the maps they gave us were out of date/ by years…’

Dat is wat Adrienne Rich in haar poëzie vanaf de jaren zeventig zou doen: regels breken, de grenzen opzoeken en die overschrijden, en telkens zoeken naar nieuwe taal en nieuwe mythen om de vrouwelijke identiteit in woorden te vangen. Zoals ze in het gedicht Tear Gas schreef: ‘The will to change begins in the body not in the mind/ My politics is in my body, accruing and expanding with every/ act of resistance and each of my failures/ Locked in the closet at 4 years old I beat the wall with my body/ that act is in me still’.