Advocaat van de duivel

HET VATICAAN reageerde als gebeten op de nieuwe Nobelprijswinnaar José Saramago (1922), zoon van eenvoudige landarbeiders, autodidact, ex-metaalarbeider, opgegroeid in een katholieke traditie onder het bewind van een van Portugals grootste potentaten en Romes grootste vrienden, de niets en niemand ontziende Salazar. Gepokt en gemazeld onder diens dictatuur koos Saramago in 1969 voor de Communistische Partij en zwoer de beginselen daarvan nooit af, een mededeling waarmee hij bijna elk interview begint. Een man dus met een overtuiging die hij wil uitdragen. Het pausenblad Osservatore Romano brieste over een ‘ouderwetse communist’ en ‘een antiklerikaal’ die ten onrechte was bekroond voor zijn anti-religieus geschrijf.

De kerkse wrok om Saramago’s boek Het evangelie volgens Jezus Christus (uit 1991) zit kennelijk diep. Saramago geldt al jaren als een scherpzinnig analyticus met iconoclastische denkbeelden; zijn herinterpretatie van de bijbelse evangeliën lijkt er het ultieme bewijs van. Een blasfemisch boek, oordeelden velen. Dat vond de Portugese regering eveneens: ze liet de roman ijlings van de lijst voor de European Literary Award van de Europese Unie schrappen.
Voor een goede gelovige is het ook niet niks wat erin te berde wordt gebracht. Voornamelijk geïnteresseerd in alles wat de bijbel verzwijgt, maakt Saramago van de altijd wat schimmig gebleven Jozef-figuur een man die wordt opgevreten door wroeging omdat hij, na door een toeval bekend te zijn geraakt met koning Herodes’ monsterlijke plan om alle kinderen van Jezus’ leeftijd te vermoorden, daaraan geen enkele ruchtbaarheid geeft. Zijn zoon zal dat schuldgevoel van hem overnemen nadat Jozef, ten onrechte aangezien voor een rebel tegen het Romeinse gezag, op 33-jarige leeftijd de kruisdood is gestorven. Daarmee wordt een band tussen dit tweetal gesuggereerd die, zal later blijken, groter is dan het mystieke verbond tussen de Vader in de hemel en Zijn vertegenwoordiger op aarde.
AL EVEN onorthodox gaat Saramago om met Maria Magdalena en de duivel. Terwijl de schone uit Magdala in de bijbel vooral in verband wordt gebracht met haar losbandige leven, groeit ze in de roman uit tot een energieke, intelligente minnares die de Nazarener met raad en daad terzijde staat. Vanaf hun eerste kennismaking delen ze ‘alle gevoelens en gebaren, alle ruimten en gewaarwordingen (…) zonder al te veel ontzag voor regel, norm of wet’. Door hem de geheimen van haar lichaam te laten genieten, maakt ze van Jezus een man van vlees en bloed, een man ook die weet heeft van 'de onrustige wonde van de begeerte’.
Over hun hoofden heen vechten intussen God en Satan om het antwoord op de vraag wie van de twee de werkelijke kwade genius is. De cynische tiran die een veel machtiger koninkrijk wil stichten dan het joodse en daarvoor een leer nodig heeft die in de geschiedenis vooral machtsstrijd, martelingen, slachtpartijen en lijden zal teweegbrengen. Of zijn eeuwige tegenpool die hem met duivels genoegen hinderlijk blijft volgen. Als Jezus ten slotte hangend aan het kruis afscheid neemt met de woorden: 'Mensen, vergeeft het Hem, want Hij weet niet wat Hij heeft gedaan’, lijkt deze variant op de oorspronkelijke bijbeltekst meer een aanklacht dan een smeekbede om begrip.
Maar toch. Wie zich bij het lezen van Saramago’s werk niet laat leiden door paapse leesblindheid ziet al snel dat de auteur er eerder de rol van advocaat van de duivel in speelt dan dat hij de duivel zelf is. Zijn geloof in de mensheid houdt niet over, zoveel is zeker. Door vrijwel iedere zin schemert de overtuiging dat de mens voortdurend is geneigd tot lijdzaamheid, onderwerping en de ergste vormen van collaboratie. Slechts een enkeling komt in verzet. Maar dit pessimisme, dat anderen realisme zullen noemen, wordt getemperd door een bijna onvoorwaardelijk geloof in de kracht van de liefde. Die boodschap tekent de paradox van Saramago’s communisme - dat hij overigens altijd een levenshouding is blijven noemen, eerder dan een partijpolitieke keuze. In zijn werk is ongelooflijk veel christelijks terug te vinden.
Een van zijn ontroerendste liefdesgeschiedenissen staat in Memoriaal van een klooster, de roman waarmee Saramago na 1982 internationaal doorbrak. Het decor is historisch. Hij roept de tijd in herinnering van de achttiende-eeuwse vorst Dom JoaŸo(V, een man met de ambities van een Zonnekoning. Als dank voor een troonopvolger zadelde hij het land op met een buitenproportioneel klooster bij Mafra. Duizenden arbeiders werkten er onder de meest erbarmelijke omstandigheden aan en stierven bij bosjes.
Saramago volgt de megalomane onderneming tot in de kleinste details. Zo is er het transport van een 31 ton wegend blok marmer dat als balkon zal dienen. Een leger manschappen is nodig om deze zinloze onderneming tot een goed einde te brengen, vierhonderd ossen, een monstrueuze wagen, 'een soort zeeschip van de Indische Compagnie op wielen’, en meer dan twintig karren voor het vervoer van kabels, touwen, hefbomen, hamers, schoppen, houwelen en wat al niet. Mensen raken onder de wielen, voeten worden verbrijzeld. De afstand van drie mijl kost een volle week. 'Toen ze het bouwterrein op liepen, was het alsof ze van een verloren oorlog terugkwamen, vuil, hun kleren in flarden, zonder buit.’
Portugal leeft in die jaren in armoede. Zelfs in de elementairste levensbehoeften kan niet worden voorzien. Regeringsapparaat, leger en vloot desintegreren steeds erger, maar de uiterlijke vormen van deze macht worden belangrijker naarmate het geloof erin terugwijkt. En terwijl het hof zich te buiten gaat aan pracht en praal beheerst de blinde macht van de Inquisitie het openbare leven. Overal hangt de geur van de auto-da-fé’s, de ketterverbrandingen.
SARAMAGO vervlecht deze geschiedenis van barbarij en onderdrukking met die van Baltazar Zeven-Zonnen en zijn geliefde Blimunda, een zieneres. Samen met pater Bartolomeu Lourenço - onder zijn werkelijke naam Bartolomeu de GusmaŸo staat hij te boek als de pionier van de luchtvaart - bouwen ze de passarola, waarmee daadwerkelijk een hallucinerende vlucht boven Lissabon wordt ondernomen. De bouw aan dit ruimtevaartuig functioneert in de roman als tegenhanger van de constructie van het klooster, waardoor het boek meer wordt dan het zoveelste verhaal over onderdrukking. De tegen alle verwachtingen in geslaagde ruimtevlucht representeert een utopie, een mogelijke wereld waaruit repressie en politiek gekrakeel verdwenen zijn en, zoals bij de constructie van het projectiel, de sociale verhoudingen niet langer berusten op berekening maar zich richten naar de verbeeldingskracht en de verlangens van het hart.
De passarola stort neer in de omgeving van het klooster. De tijd verstrijkt, de bouwplannen worden steeds drastischer. Vlak voor de wijding van het klooster gaat Baltazar naar het door hem zorgvuldig met takkenbossen verborgen gevaarte, hij valt bij de inspectie daarvan door een verrotte plank en verdwijnt uit het blikveld van zijn minnares. Negen jaar lang zal Blimunda hem onafgebroken zoeken, totdat ze Baltazar in Lissabon terugvindt op een van de brandstapels opgericht door de Inquisitie. Ze ziet hem vanuit een menigte toeschouwers en voegt zich voorgoed bij hem.
OOK IN Het beleg van Lissabon (1989) maakt Saramago een las tussen het persoonlijke lot van twee mensen en de geschiedenis waarbij ze betrokken raken. Hij doet dat in een zin die me cruciaal lijkt voor dit boek en zijn andere werk: 'Natuurlijk is het oorlog, een belegeringsoorlog, ieder van ons belegert de ander en wordt tegelijk door de ander belegerd, we willen de muren van de ander slechten en die van onszelf overeind houden, terwijl liefde betekent dat er geen barrières meer zijn, liefde is het einde van het beleg.’
Raimundo Silva is als corrector verbonden aan een grote uitgeverij en net als alle correctoren niet bepaald een heraut van de vermetelheid. Weerzin tegen zijn onbeduidende bestaan verleidt hem ertoe in te grijpen in een boek dat hij onder handen heeft, een historische beschrijving van de gebeurtenissen uit het jaar 1147, toen Dom Afonso Henriques Lissabon belegerde om de stad te veroveren op de Moren. De eerste Portugese koning werd bij die actie gesteund door kruisvaarders die op weg naar Jeruzalem in Porto waren geland. Als beloning voor hun deelname mochten ze de ingenomen stad plunderen.
Juist op dit punt pleegt Silva zijn vorm van verzet in een poging om zich van zijn naamloosheid te bevrijden. Door aan de tekst het woordje niet toe te voegen terwijl de kruisvaarders wel degelijk deelnamen, corrigeert hij de geschiedenis. Uiteraard wordt zijn verdraaiing van de feiten ontdekt, maar de frauduleuze handeling leidt, anders dan gedacht, niet tot het gehoopte ontslag. Integendeel, zijn cheffin Maria Sara vraagt hem deze revisie van de gebeurtenissen te romantiseren, een verzoek dat niet alleen hun romance inluidt, maar hem ook tot romancier zal maken. Van nu af aan ziet hij Lissabon als door een kaleidoscoop waarin beelden uit heden en verleden over elkaar heen draaien. Wanneer hij vanuit zijn raam uitkijkt over de straten, pleinen en terrassen van zijn stad, ziet hij daar tegelijkertijd een citadel die wemelt van donkere, bebaarde Moren die zich gevechtsklaar maken om het beleg te kunnen overleven. Maar ook Silva’s herschrijving zal onontkoombaar eindigen met het bloedbad van weleer.
ZO'N VERVLOEIING van historische beelden en het heden als zich hier afspeelt in het hoofd van Silva mag exemplarisch heten voor de manier waarop Saramago betekenis geeft aan de werkelijkheid. Daardoor heeft zijn preoccupatie met het verleden niet alleen het karakter van een reflectie op de eigen tijd waarin machtsmisbruik, geweld, foltering, onderdrukking en vernedering onverminderd gedijen en alleen de liefde nog een sprank hoopt geeft op humaniteit, zijn verhalen krijgen er bij herhaling iets surrealistisch door. De stijl van vertellen verhevigt dit effect. Die tilt de lezer op in een vloedgolf van woorden en poëtische beelden. Saramago schrijft in langgerekte, meanderende zinnen, die met hun volstrekt eigen ritmiek ingebed zijn in pagina’s lange alinea’s vol opsommingen, woordstapelingen, overpeinzingen, commentaren, gezegden en volkswijsheden, zinnen waarin het primaat van de gesproken taal bewaard is gebleven. Wie zich niet laat afschrikken door de aanvankelijke vreemdheid van dit luisterrijke taalgebruik, wordt al snel meegesleept door de bezwerende aantrekkingskracht ervan. De vertaling van zijn werk moet een heidense klus zijn, Harrie Lemmens tekent daarvoor en hij doet het met grote perfectie.
In het onlangs vertaalde De stad der blinden (1995) neemt Saramago de metafoor van de menselijke verblinding tot uitgangspunt. 'Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blinden zijn, blinden die zien, blinden die ziende niet zien’, luidt de uitsmijter van het boek. Opnieuw toont hij zich een moralist: Mensen hebben de gave van de rede, maar gebruiken die vooral om zichzelf en de ander te gronde te richten.
DE ROMAN kent een beklemmend begin: een automobilist stopt voor een verkeerslicht en constateert dat hij plotseling blind is. Een toevallige passant biedt hulp, brengt hem naar huis maar steelt vervolgens zijn auto. Hij wordt de tweede blinde maar zeker niet de laatste. Er blijkt een epidemie te zijn uitgebroken waarbij iedereen die een besmette aankijkt een wit waas voor de ogen krijgt. De regering probeert door snel ingrijpen verdere escalatie te voorkomen. Tevergeefs, zal later blijken. De eerste groep blinden krijgt onderdak in een verlaten gekkenhuis. Soldaten houden toezicht, er zijn orders om onmiddellijk met scherp te schieten bij weerspannig gedrag.
Met die quarantaine begint de ellende pas goed. Meedogenloos leidt Saramago de lezer - in het spoor van zeven naamloze slachtoffers, waarvan er één, de vrouw van de oogarts, haar gezichtsvermogen heeft behouden - een wereld binnen waarin machtswellust, terreur, wraak, verkrachting en moord hoogtij vieren. Woordgebruik en locatiekeuze onthullen zijn bedoelingen meer dan voldoende: deze opsluiting is een hel die door de betrokkenen wordt 'veranderd in een hel van de hel’. Hun onderkomen verandert in een Augiasstal waarin de drek door toiletten, gangen en hallen stroomt. Verblinding leidt tot degeneratie, ja tot verdierlijking. Gesteld voor de vraag wat prevaleert, de menselijke solidariteit of het eigenbelang, kiest vrijwel iedereen voor zijn eigen hachje. Saramago’s enscenering van dit verval laat zien hoe flinterdun en breekbaar in feite de schaal is die de beschaving omhult.
Maar het toont net zo goed dat verzet helpt. Aangevoerd door de 'zieneres’ breekt het uitgehongerde zevental dankzij brandstichting uit zijn isolement en trekt langs rottend afval, uitwerpselen en wrakstukken van auto’s en vrachtwagens de desolate stad in, op zoek naar voedsel. Hun liefderijke omgang met elkaar en de onderlinge solidariteit blijken hun redding. Een stortbui werkt als een doopsel dat het 'onverdraaglijke vuil’ van hun zielen afschrobt. Met die schoonwassing begint het heelproces waardoor de eerste blinden opnieuw het licht zien. Dan ook voegt Saramago zich bij het gezelschap in de gedaante van de blinde, naamloze schrijver die alleen herkenbaar is aan zijn stem en die werkt aan het boek dat de lezer onder ogen heeft. Het is de lezer dan allang duidelijk; ook hij is een blinde en als zodanig een medeplichtige.
Ergens halverwege het boek duikt de vraag op of het hier gaat om een parabel. De oorspronkelijke titel, Ensaio sobre a Cequeira, suggereert een analytischer benadering van de werkelijkheid, die van het essay. De symboliek in de roman heeft echter alles van een moraliteit, het door en door christelijke verhaal waarin namen van mensen er niet toe doen maar des te meer het advies om te leven in harmonie met Gods wetten die Hij openbaart in ons hart. Voor die boodschap is het Vaticaan gek genoeg niet, maar de Nobelprijscommissie wél ontvankelijk gebleken.