Advocaat van goede zaken ‘iedereen weet dat het niet om rechtvaardigheid gaat in de zaak-de hakkelaar’

Slachtofferisme! honen de vakbroeders als ze weer eens van onderdrukkers en underdogs rept. Maar Gabi van Driem blijft erbij: justitie verliest de beginselen van haar taak uit het oog. En haar collega’s mogen zich ook wel weer eens op de portee van hun advocateneed bezinnen.
OP HET BRIEFPAPIER prijkt nog altijd het vrouwenteken; aan de kapstok in de hal hangen vandaag slechts vrouwenjassen. Maar dat is toeval. Want Van Driem Advocaten is weliswaar nog altijd een feministisch kantoor, maar de vijf vrouwelijke pleiters verdedigen niet meer alleen seksegenoten. Ook mannen kunnen hier sinds drie jaar voor juridische bijstand aankloppen.

Niettemin loopt door alle zaken van Van Driem Advocaten al jaren dezelfde rode draad. Vrouwen die slachtoffer zijn van verkrachting, mannen die een ontslagprocedure aanvechten, bedrijven die handtastelijke werknemers willen ontslaan: ‘Het zijn nooit de onderdrukkers die we steunen. Dat is een ideologische keuze.’ Met die keuze riep Gabi van Driem (45) de afgelopen vijftien jaar de nodige kritiek over zich af. Belachelijk! Dat is slachtofferisme! Iedereen heeft recht op verdediging, ook een verkrachter! Maar dan wijst Van Driem fijntjes op haar advocateneed: zij zal geen zaak verdedigen waarvan ze 'niet in gemoede weet dat die rechtvaardig is’.
Want Van Driem heeft een hoger doel: bij te dragen aan een veiliger, rechtvaardiger samenleving waarin mensen 'niet alleen gelijke beginrechten, maar ook gelijke eindrechten’ hebben, en waarin het recht voor mannen en voor vrouwen evenveel betekent. Zij wil niet per se die ene zaak winnen; zij vecht voor de underdog. En de underdog is een vrouw. 'Wij’, zegt ze, want ze spreekt ook voor haar kantoorgenoten, 'wij stellen ons te weer tegen de ongelijke positie die vrouwen nog altijd hebben, of we nu mannen of vrouwen verdedigen. En ook als we mannen helpen, doen we dat op een manier die binnen onze normen past: heel persoonlijk.’ Een spottend lachje: 'We zijn er niet alleen voor die ene rechtszaak, maar voor heel de mens.’ Vormingswerkster was Van Driem in een vorig leven.
Ze heeft haar wortels in de sociale advocatuur, maar die was haar niet sociaal genoeg. Eind jaren tachtig stapte Van Driem uit de Vereniging voor Sociale Advocatuur Amsterdam. Het beviel haar niet het lidmaatschap te moeten delen met kantoren die verkrachters en andere onderdrukkers verdedigden. Sindsdien roept ze met enige regelmaat dat haar vakbroeders nodig een ethische discussie moeten voeren. 'De discussie over ethiek in de advocatuur is publiekelijk al jaren niet meer gevoerd. Op dit kantoor voeren wij die iedere week.’
Bent u de moraalridder van de Nederlandse advocatuur?
'Ik ben helemaal geen moralist. Ik sta ook niet te zedenpreken in mijn pleidooien. Vroeger was ik veel moralistischer; wat dat betreft ben ik mijn wilde haren kwijt. Actievoeren doe ik ook al jaren niet meer. Maar ik vat mijn advocateneed heel streng op. Andere advocaten leggen die eed kennelijk anders uit; we lopen er steeds meer tegenaan dat onze collega’s een totaal andere moraal hebben dan wij.
Wij verdedigen nu een vrouw die al jaren wordt geterroriseerd door haar ex-vriend. Hij is al veroordeeld voor het feit dat hij haar heeft verkracht, maar hij blijft haar lastigvallen. In de rechtszaal moet die vrouw iedere overtreding die híj begaat aantonen. Als wij dan achteraf aan zijn advocaat vragen of we niet met elkaar kunnen regelen dat zijn cliënt onder psychiatrische behandeling komt, dan roept die: “Dat is mijn verantwoordelijkheid niet.” Terwijl er vroeg of laat natuurlijk iets vreselijks gebeurt. Maar strafrechtadvocaten nemen geen enkele verantwoordelijkheid voor wat hun cliënt doet. Het enige wat zij doen is het slachtoffer en liefst ook diens advocaat afschilderen als hysterisch. Wat is hun ethiek in vredesnaam?
Als je het objectieve feit kent dat je cliënt iemand heeft verkracht, moet je inzien dat het niet zoveel zin heeft om alleen maar strafrechtadvocaat te spelen. Er is een maatschappij die gevaar loopt als je daarin te ver gaat. Over dit soort zaken moet zo'n ethische discussie gaan, maar dat is niet interessant, en het levert geen geld op.’
Advocaten zijn glamourboys geworden, die te druk zijn met scoren.
'Terwijl het helemaal niet moeilijk is om te scoren! Geen enkele verklaring van geen enkel slachtoffer is zo consistent dat je er geen gaten in kunt schieten. Het geheugen is nu eenmaal gebrekkig; mensen herinneren zich niet alles precies. En daar wordt door strafrechtadvocaten vaak genadeloos gebruik van gemaakt. Als een advocaat in een verkrachtingszaak alle trucs al heeft geprobeerd, zoals zeggen dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, probeert hij ten slotte het slachtoffer onderuit te halen en haar verklaring door te prikken. Dat gebeurt op een heel grievende manier, terwijl je dat ook netjes kunt doen. Je kunt dat zelfs toetsen aan ethische maatstaven, aan grondrechten die we met z'n allen hebben vastgelegd. Zo hoor je iemands lichamelijke integriteit en privacy te respecteren, en haar die verkrachting niet in de rechtszaal nog eens te laten doormaken.’
Maar er zíjn toch ethische normen? Er is zelfs een tuchtrecht voor advocaten.
'Daar heb ik weinig vertrouwen in. De advocaat Oscar Hammerstein heeft een keer in de rechtszaal gezegd dat een hoer zich aanbood voor verkrachting. Ik heb toen gezegd dat dat een discriminatoire uitlating is, en bovendien smaad aan het adres van mijn cliënte. Maar de klacht die ik heb ingediend bij de Orde van Advocaten is afgewezen. Daar zitten voornamelijk mannen en die vinden dat een advocaat in de uitoefening van zijn beroep moet kunnen zeggen wat-ie wil, als het maar in het belang van zijn cliënt is. Maar dat klopt niet. In een ethische advocatuur hoor je alleen de rechten van je cliënt te waarborgen, niet diens belangen.
De rechtsfilosoof Luban heeft een aantal eisen geformuleerd die voor alle advocaten gelden. Zoals: er mag geen handeling worden gepleegd die moreel niet te rechtvaardigen schade toebrengt aan anderen, met name aan onschuldigen. In mijn vakgebied geldt dat vooral voor de slachtoffers, die niet door het slijk mogen worden gehaald. En, zegt Luban, er mag geen bedrog plaatsvinden. Gerard Spong is bijvoorbeeld verweten dat hij in de zaak van de Hakkelaar voorgesprekken heeft gevoerd met een getuige. Het lijkt me een vorm van bedrog als je een getuige opvoert die al helemaal door je is geprogrammeerd. Een advocaat mag volgens Luban ook niet streven naar wezenlijk onrechtvaardige uitkomsten. Als je je daaraan houdt - geen bedrog, geen manipulatie van de wet, geen schade toebrengen aan anderen - dan is daarbinnen nog genoeg ruimte om iemand te verdedigen.’
In NRC Handelsblad werden strafpleiters als Spong onlangs als 'advocaten van gore zaken’ getypeerd.
'Spong is nog niet eens de ergste. Als ik hem zeg: We moeten iets ondernemen want dit kan zo niet; jij zult die man wel vrijpleiten maar hij blijft mijn cliënt lastig vallen - dan denk ik dat hij wel bereid is om buiten de rechter om naar een oplossing te zoeken. Maar er zijn heel veel advocaten die geen nacht slechter slapen als hun cliënt een bedreiging blijft voor mijn cliënt. Ik spreek ze daarop aan: luister eens, misschien krijg jij door je knappe betoog een heel gevaarlijk figuur op vrije voeten. Wat vind je daarvan, als persoon? Dan geven ze niet thuis, alsof ze willen ontkennen dat er buiten de rechtszaal een samenleving is die door hun cliënt wordt bedreigd. Dat is een gespletenheid die ik niet begrijp.’
In andere beroepen is het heel normaal om een scheiding te maken tussen werk en privé-leven. Een advocaat is ingehuurd om iemands rechten te verdedigen.
'Ik vind dat een geforceerde scheiding. Op die manier ben je puur technocratisch bezig en kun je door ieder regime worden ingehuurd. Spong beaamt dat ook, en zegt dat hij iedereen zou kunnen verdedigen. Als zijn eigen kind wordt verkracht, blijft hij dan ook pedofielen verdedigen? Ik vind het zielig als je zo'n scheiding aanbrengt. Iedere advocaat heeft toch een geweten? Functioneert dat dan anders dan het mijne? Dat kan ik me niet voorstellen, die strafrechtadvocaten zijn heus niet allemaal vervelende jongens. Nee, er klopt iets niet.’
DE 'STRAFRECHTJONGENS’, zegt Van Driem, krijgen in hun opleiding voorgehouden dat zij voor hun cliënt, die in zijn eentje machteloos staat, een wal moeten opwerpen tegen de vervolgende partij: de machtige staat. En dat mag met alle mogelijke middelen. Maar over tien jaar, voorspelt ze, zijn we daarvan teruggekomen.
Waarom? Van de gevangenis wordt een dader ook niet beter. Is het niet gerechtvaardigd om te proberen iemand met man en macht daaruit te houden?
'Advocaten verschuilen zich vaak achter het argument dat gevangenisstraf nergens goed voor is. Dat wordt ook gestaafd door allerlei onderzoeken, maar dat is een heel andere discussie. Sommige mensen moet je gewoon opbergen, en dat we dat op een andere manier zouden moeten doen is een tweede. Nu zijn er heel veel waarborgen voor de verdachte, wat uitstekend is want niemand moet ten onrechte achter de tralies verdwijnen, maar die waarborgen gaan ten koste van het slachtoffer.
Kijk, officieren van justitie zijn gewoon ambtenaren. Die werken van negen tot vijf en worden niet beloond naar prestatie. Een advocaat wel; die verdient meer naarmate hij harder werkt aan een zaak. Ik denk dat de overheid daar op dit moment hard bij achterloopt, en te slecht is uitgerust om dat bij te benen. De officier van justitie behartigt de belangen van de gedupeerden niet meer goed; daardoor raken mensen het vertrouwen in justitie kwijt. En niets is zo gevaarlijk als dat, want de volgende stap is eigenrichting. Dan krijg je van die buurtcomités die de zaak gaan beveiligen.
Dat was juist waarom de overheid in het verleden het strafrechtelijk systeem naar zich toe heeft getrokken: om de vendetta - het “oog om oog, tand om tand”-principe - weg te nemen. De officier van justitie heeft van de staat de opdracht gekregen om zo te vervolgen dat mensen geen wraakgevoelens hoeven te koesteren. Die moet dus de belangen van het slachtoffer verdedigen, wat een enorme verantwoordelijkheid is. Maar die filosofie van de verantwoordelijkheid is verdwenen.
In de opleiding van de rechterlijke macht zou meer aandacht moeten komen voor de mensen voor wie nou eigenlijk recht gesproken wordt. Of het nou een slachtoffer is van een verkeersdelict of van een verkrachting - de staat heeft de taak op zich genomen hen te beschermen, maar kwijt zich momenteel onvoldoende van die taak.
Bij de politie zitten mensen die het graag goed willen doen en burgers bescherming willen bieden. Zo'n rechercheur doet zijn best, heeft een heleboel verhoren gehouden en denkt: ik heb een goede zaak. Vervolgens vindt de officier die zaak niet sterk genoeg en brengt hem niet ter zitting. Die is bang om te verliezen en in zijn hemd te staan. Dat is een regelrecht ontmoedigingsbeleid. Veertig procent van onze zaken zijn zedenzaken, die heel moeilijk te bewijzen zijn. Veel officieren beginnen daar niet eens aan, want die willen hun zaak winnen. Tja, zo krijgen mensen vanzelf het idee: als er niets gebeurt, schiet ik hem zelf wel overhoop.’
Er komt toch juist steeds meer aandacht voor de rol van het slachtoffer in het strafproces?
'In de Hoge Raad dringt langzamerhand wel door dat het recht te weinig betekent voor de underdog, en dat de rechtsstaat wordt uitgehold als de slachtoffers niet aan het woord kunnen komen. Maar in het strafprocesrecht is daar nog altijd geen gelegenheid voor. Als advocaat van het slachtoffer krijg je vijf minuten het woord. Wanneer je voor het slachtoffer schadevergoeding eist, heb je formeel het recht om getuigen te horen. Maar daar wordt erg afgemeten over gedaan, en wij wachten dat niet af. Wij doen dat in kort geding bij de burgerlijk rechter. Want wij willen het slachtoffer niet afhankelijk maken, maar juist actief in het proces betrekken. Daarom gaan we die weg van het civiele recht in, waar het slachtoffer gelijkwaardig is aan de dader.’
En waar dat slachtoffer heel actief allerlei wraakgevoelens gaat uitleven.
'Nee, want die worden in zo'n proces in banen geleid. Bovendien hebben veel slachtoffers niet eens last van wraakgevoelens. Ze willen eigenlijk ook geen geld, ze willen erkenning. Het strafrecht is al helemáál een paardemiddel: een incestslachtoffer wil haar vader of opa meestal helemaal niet achter de tralies. Ze wil dat hij het toegeeft, en zegt dat het hem spijt. Pas wanneer dat niet gebeurt, proberen wij die erkenning, uitgedrukt in geld, op te eisen bij de civiele rechter.’
BENT U ER na al die zedenzaken inmiddels achter wat er mis is met onze seksuele moraal?
'Seksueel-geweldmisdrijven hebben veel meer met macht dan met seksualiteit te maken. Sommige vrouwen voelen zich geïntimideerd doordat hun baas altijd zijn hand op hun arm legt. Dat heeft niets met erogene zones te maken, maar alles met macht. Vrouwen worden misbruikt door mannen die hen als echtgenote, als dochter, als werkneemster eronder willen krijgen.
Als ik in de rechtszaal een aidstest of een DNA-onderzoek eis van iemand die wordt verdacht van verkrachting, beginnen strafpleiters altijd meteen over het “hellende vlak”, omdat ik het waag aan de grondrechten van hun cliënt te knabbelen. Maar met zijn gedragingen heeft die meneer het recht op lichamelijke integriteit van het slachtoffer gebroken. Dan moet-ie zijn eigen grondrecht maar even laten varen.
Het grootste machtsmiddel dat vrouwen hebben, is het kunnen schenken van leven. Door een verkrachting wordt die diepste integriteit geschonden en is een vrouw voor de rest van haar leven beschadigd. Het recht is voor vrouwen de moraliteit waaraan ze zich vastklampen. Juist vrouwen verwachten veel van het recht, omdat zij de underdog zijn. Maar het recht stelt hen teleur, zoals het op dit moment alle slachtoffers in de kou laat staan.
Dorien Pessers heeft eens gezegd: het recht is het laatste normatieve bastion dat bescherming kan bieden aan iedere burger. De morele integriteit van de rechtsorde vindt zijn basis in de advocateneed en in de persoonlijke morele positie van de advocaat. Gerard Spong zegt daarop: het geloof in die eed is subjectief. Maar dan verliest die eed zijn volledige betekenis en wordt het wild west in de Nederlandse rechtsorde. Dat zien we nu al! De zaak-De Hakkelaar is een schoolvoorbeeld van een wild west-orde. Daar staan de topstukken van de technocratische advocatuur elkaar af te troeven met alles wat ze bedacht hebben, om het proces maar zo lang mogelijk voort te laten slepen.
Spong begon in deze zaak direct zand in de raderen van justitie te gooien. Hij zei dat er niet de juiste middelen waren gebruikt bij de opsporing. Het is één groot spel: hoe kan ik ze zoveel mogelijk voor de voeten lopen. Nou, door bijvoorbeeld tachtig getuigen te gaan horen. Dat is natuurlijk waanzin. Iedereen weet dat het hier niet gaat om rechtvaardigheid, maar om een juridisch steekspel. Ik zou er erg vóór zijn om al die oneigenlijke mogelijkheden om het recht te frustreren, met wetswijzigingen eruit te halen.
Heel Nederland zit ademloos te kijken naar dat toneelstukje van die strafrechtjongens, terwijl iedereen vermoedt dat de verdachten hartstikke schuldig zijn. Ik vind het belachelijk. Dit is niet de manier waarop de maatschappij en de slachtoffers worden beschermd en de rechtsstaat kan zorgen dat er orde is. Als er een ethiek voor de advocaat was, zou zo'n zaak heel anders verlopen en honderdduizenden guldens minder kosten. Dan zou de loop van gerechtigheid niet langs kronkelpaden voeren, maar rechtdoor.’