Af

Ze sprak me aan in het gangpad met brood­beleg, vanwege een pak hagelslag waar ze niet bij kon. Het stond te laag. ‘Mijn rug’, zei ze. ‘En mijn knieën.’ Ze leek me een jaar of zeventig. Uit de zak van haar jas stak een doorzichtig plastic regenkapje, met van die witte koordjes om vast te knopen. Een voorwerp dat langzaam uitsterft. Ik ging door mijn knieën om de hagelslag te pakken en zette die in haar karretje, waarin al een grote zak witte kadetjes lag. ‘Dank u wel hoor’, zei ze. ‘Normaal gaat mijn dochter altijd mee, voor het bukken. Maar die moest vandaag naar de rechter want ze gaat van haar man af.’ Ze trok een ondoorgrondelijk gezicht en begon toen gedachteloos met haar wijsvinger in de zak met kadetjes te porren. Het was lang geleden dat ik die uitdrukking gehoord had: ze gaat van haar man af. Nog altijd stel ik me daar een piepkleine vrouw bij voor, die van een reusachtige man af klimt, voetje voor voetje, behoedzaam naar houvast zoekend, alsof ze een berg afdaalt. Over mannen zeiden ze dat minder vaak, geloof ik. Die moesten het doen met ‘hij heeft zijn vrouw in de steek gelaten’. Met die ene zin veranderde de echtgenoot in kwestie in een harteloze vader en zijn vrouw in een hulpbehoevend kind, dat huilend in een ledikantje achterbleef. Mij leek van iemand af gaan beter, heldhaftiger. Tegenwoordig hoor ik eigenlijk vooral neutrale benamingen. Zij is bij hem weg. Hij is bij haar weg. Ze zijn uit elkaar. Misschien is dat wel een goed teken, in de strijd der seksen. Eindelijk gedeeld ouderschap over de kinderen, de lapjeskat en de schuldvraag. Mevrouw had inmiddels een paar gaten in de zak met kadet­jes geprikt. Toen ze opkeek vroeg ze schalks of ik nog een tweede pak hagelslag wilde pakken; dan was het maar in huis. ‘Ik hou zelf meer van bruin brood’, zei ze. ‘Met pitjeskaas. Maar mijn man vindt dit zo lekker.’ Ze glimlachte. Ja, dacht ik. Soms kan het. Niet weggaan maar blijven. Samen oud worden. Elkaar kadetjes gunnen. Met hagelslag.