Interview met Karla Peijs

Afblazen als grootste wapenfeit

Minister Karla Peijs van Verkeer en Waterstaat stopt na de verkiezingen van 22 november. Peijs is, terugkijkend op haar werk, juist trots op wat haar ministerie niet gaat bouwen, boren of indammen.

Met een lach maar heel vastberaden komt het eruit: ‘Ik ga er niet vanuit dat de PvdA de grootste wordt bij de verkiezingen, maar wij, het CDA.’ Minister Karla Peijs van Verkeer en Waterstaat is niet de enige politicus die niet graag ingaat op een als-vraag. Maar haar antwoord doet denken aan een sporter die weet dat hij de overwinning dichterbij kan brengen door de tegenstander te imponeren met een optimistisch uitgedragen geloof in eigen kunnen. Verder speculeren over de gevolgen van de verkiezingsuitslag als het CDA op 22 november niet de grootste wordt, heeft bij Peijs dan ook geen zin. Ze kijkt je lachend, maar ook een beetje triomfantelijk aan. Onwillekeurig schiet je daarvan zelf ook in de lach. Zo treedt ze sinds haar aantreden in 2003, als minister in het tweede kabinet-Balkenende, ook de hoge heren van Schiphol of de klm tegemoet: charmant, met humor, zonder bureaucratisch geneuzel, heel concreet.

Het doet je ook geloven dat haar argumenten om na drie jaar ministerschap alweer te stoppen oprecht zijn: ‘Het enige ministerie dat ik wil hebben is Verkeer en Waterstaat, want dit is eigenlijk het enige leuke departement. Ik kan mezelf er helemaal in kwijt. Het vereist daadkracht, je kunt echt dingen doen, je kunt het verschil maken. Daarnaast vind ik dat je niet te lang op één ministerie moet blijven zitten. Dus stop ik.’

Op de vraag welk verschil zij als minister dan heeft gemaakt, komt ze niet met een snelweg, een dijk of ander imposant tastbaar project, maar met de opmerking dat ze de luiken op het ministerie open heeft gezet. Voor een doener als Peijs is dat een opmerkelijk, in vaag organisatiejargon vervat antwoord. ‘Op dit ministerie werken veel ingenieurs. Die kunnen heel mooie dingen bouwen, maar zijn minder gefocust op wat de mensen willen. We hebben de afgelopen jaren gewerkt aan het luisteren naar wat er écht speelt in de samenleving. Nee, niet alleen door met de gebruikelijke gesprekspartners te praten die mogelijk ook zijn losgezongen van hun achterban. We proberen echt te voorkomen dat de boel weer verambtelijkt.’

In tegenstelling tot menige voorganger is Peijs daardoor juist trots op wat haar ministerie niet gaat bouwen, boren of indammen. Het afblazen van de zweeftrein naar het Noorden en het niet aanleggen van een tunnel onder het Naardermeer zijn volgens haarzelf haar grootste politieke wapenfeiten.

Minder tevreden is ze over haar voornemen om samen met de Tweede Kamer een lange-termijnvisie te ontwikkelen voor bijvoorbeeld het Europese transportbeleid: ‘Ik was daarin graag een stap verder gekomen, maar dat is niet gelukt. Het voorwerk in de Europese besluitvorming, het masseren en een richting in proberen te krijgen, wordt vooral door het ministerie en onze permanente vertegenwoordiger in Brussel gedaan. De Tweede Kamer kan nu feitelijk alleen maar achteraf reageren op voorstellen van de Europese commissaris, kort daarvoor is het praten in het luchtledige. Zo werkt het nu eenmaal in Europa.’

Maar is achteraf reageren niet altijd te laat? ‘Ja, ja, ja’, reageert Peijs aanvankelijk, om dan ineens uit te halen naar voormalig premier Wim Kok: ‘Hij heeft ervoor gezorgd dat Nederland minder europarlementariërs heeft. Met zeven miljoen inwoners meer dan België hebben wij sindsdien bijna evenveel afgevaardigden in het Europarlement. Dat had nooit mogen gebeuren. Het is de hoogste tijd dat dat weer verandert, want in het Europarlement moeten de zaken worden gedaan. Van hieruit moeten we dan onze europarlementariërs voeden.’

Ergert het haar dan niet dat het in de huidige verkiezingsstrijd niet over Europa of de rest van het buitenland gaat, maar over onze koopkracht? ‘Nee, het zijn ook echt binnenlandse verkiezingen, het gaat dus over onze koopkracht en niet over die van de Chinezen. We moeten natuurlijk in het binnenlandse beleid wel naar buiten kijken.’

Maar hangt het succes van dat op economische groei gerichte binnenlandse beleid niet juist af van de ontwikkelingen in de Afghaanse provincie Uruzgan en in Irak? Dat kan de wereldeconomie toch beïnvloeden? Peijs antwoordt kort: ‘Nee, we gaan nu niet over de rug van onze jongens in Afghanistan die discussie weer voeren.’

Mag die discussie dan nooit meer worden gevoerd, ook niet als er straks doden, veel doden vallen aan Nederlandse kant? ‘We moeten de discussie wel zuiver houden. Laten we eerst nog eens terugkijken. Er werden in Afghanistan boeddhabeelden vernietigd en de vrouwen mochten er niet buiten komen. Waarbij de mannen dat van die boeddhabeelden overigens ook nog eens het ergste vonden. Daar moeten we niet naar terug. In Afghanistan zijn we op de goede weg. We moeten dat land een kans geven en nu echt het karwei afmaken.’

Integratie is een ander onderwerp waarover het in de huidige verkiezingstijd niet lijkt te gaan, in tegenstelling tot in 2002, toen het door toedoen van Pim Fortuyn het belangrijkste onderwerp was geworden. ‘Het CDA zegt er toch echt iets over in het verkiezingsprogramma’, is Peijs’ eerste reactie. Maar daarna geeft ze toe dat dat programma dik is en wel meer geduldige letters bevat.

Zelf vindt ze integratie wel degelijk een belangrijk onderwerp: ‘Als wij niet twee maar één volk willen zijn, in één maatschappij, dan moeten we er echt voor zorgen dat allochtone jongeren aan goede banen komen. Wij hier op Verkeer en Waterstaat zijn een wit ministerie. Het is echt toevallig dat u net twee medewerkers van Indonesische afkomst hebt gezien, bovendien zijn zij al zo geïntegreerd. Voor de rest moet je hier een kleurtje met een lantaren zoeken. Als wij een personeelsadvertentie plaatsen reageren allochtonen niet eens, dus van discriminatie op alleen al de naam is geen sprake. Wij weten de weg naar de allochtonen niet te vinden en zij niet naar ons. Dat moet als de donder veranderen. Want een goed opgeleide allochtone jongere die geen goede baan heeft, dat is een slecht signaal naar zijn neefjes en nichtjes. Die gaan denken dat studeren toch geen zin heeft.’

Tekenend voor Peijs’ pragmatische aanpak is het contact dat ze heeft gelegd met Elek Usta, een Turkse aan wie ze onlangs de prijs voor de zwarte zakenvrouw van het jaar mocht uitreiken. ‘Deze vrouw heeft een wervings- en selectiebureau. Ik heb haar gevraagd om hier te komen praten. Van haar kunnen we misschien leren. Want onze mind-set moet om.’ Met haar vuist op tafel kloppend: ‘En die gaat ook om. Als het daarvoor nodig is dat we vrouwen met een hoofddoekje accepteren, dan doen we dat hier op het ministerie. Die meiden zeggen tegen mij dat een hoofddoekje hun de vrijheid geeft naar buiten te gaan. Ze zijn vaak vlijmscherp, ik heb daar echt respect voor. Ik geloof ook dat er dan vanzelf een ontwikkeling gaat plaatsvinden. Hebt u problemen met een hoofddoekje? U hoeft dat hoofddoekje toch niet op.’

Dit voorjaar, vlak na de voor het CDA desastreus verlopen raadsverkiezingen, viel Peijs’ naam. Zij zou vaker moeten worden ingezet om het verwaarloosde sociale gezicht van de christen-democraten op te poetsen. Opnieuw die lach. Maar dan heel resoluut: ‘Ik deel helemaal niet de conclusie dat wij te weinig een sociaal gezicht hebben. Het was bij de gemeenteraadsverkiezingen alleen nog te vroeg om te kunnen laten zien dat we gedaan hebben wat we beloofden en dat dit succes zou hebben. Ik vond het ook onzin dat toen werd gezegd dat we het beter moesten uitleggen. Daar werd ik doodziek van.

Het meest sociale beleid dat je kunt voeren, is zorgen voor banen zodat mensen onafhankelijk zijn. Ik moet er niet aan denken dat ik een uitkering heb en er dan iemand van de sociale dienst komt tellen hoeveel tandenborstels er bij mij op de wastafel staan. Dat is verschrikkelijk. Ik wil de deur dicht kunnen doen als de overheid bij mij op de stoep staat, want die wil ik niet in mijn huis zien. Die eigenstandigheid, daar moeten we aan werken.’

Het aantal banen groeit. Volgens de oppositiepartijen mag het CDA zichzelf daarvoor niet op de borst kloppen. Het is volgens hen de aantrekkende wereldeconomie waar de grootste regeringspartij van profiteert. Peijs reageert laconiek. ‘Toen het in het begin van het kabinet-Balkenende II verkeerd ging, zei niemand dat het niet door ons kwam. Wij kregen er de schuld van. Maar het is van tweeën één: als het toen waar was dat het aan ons lag, dan ligt het succes nu ook aan ons. De oppositie kan kiezen.’

Het CDA zit na een dieptepunt weer in de lift. Ook de populariteit van premier Jan Peter Balkenende groeit. ‘Ja’, reageert Peijs met onverholen plezier, ‘ik zie Jan Marijnissen nog staan zwaaien toen het ons in de peilingen slecht ging. Hij vond dat we maar op moesten stappen. Maar volgens mij hadden we hier afgesproken dat we eens in de vier jaar de kiezer naar de echte stembussen zouden laten gaan.’

Volgens Peijs moet de grootste partij na de verkiezingen in ieder geval in het kabinet. Ook dat formuleert ze alsof het CDA al gewonnen heeft: ‘De winnaar blijft in ieder geval. Er zijn dan vervolgens heel veel leuke partijen om mee samen te werken. U kunt nu wel willen weten met wie het CDA dan gaat regeren, maar in ons politieke bestel kunnen we toch niet zeggen dat we alleen met de vvd verder willen. Moeten we als dat niet kan dan zeggen: laat maar zitten? Dat kan niet, het land moet geregeerd worden. Dan liefst wel met een kabinet dat vier jaar blijft zitten. De kans dat dit lukt, is groter als je met twee partijen regeert. Ja, wat uw moeder vroeger zei, dat spelen met z’n drieën tot ruzie leidt, klopt ook in de politiek.’

Ook met de ChristenUnie erbij? ‘Die partij is puur links. Nou weet ik wel dat de realiteitszin komt als er eenmaal bestuursverantwoordelijkheid is. Kijk maar naar Marijke Vos van GroenLinks nu ze wethouder is in Amsterdam. Maar ik vind twee partijen toch echt verkieslijker.’