Kunst - De omzwervingen van een Escher-verzamelaar

Afdalen naar boven

Labyrintisch kunstenaar Escher noemde zijn twaalf jaar Italië ‘de beste tijd van mijn leven’. Zijn sporen door Italië zijn bijeen gesprokkeld door Federico Giudiceandrea, die daarmee de grootste privé-Escher-collectie van Europa heeft.

Medium lw 20140

‘Dit was mijn eerste’, fluistert verzamelaar Federico Giudiceandrea (60). We staan voor een van de beroemdste Eschers, Relativiteit uit 1953, het onmogelijke trappenhuis met de haaks op elkaar staande trappen. ‘Gekocht halverwege de jaren negentig op een veiling in New York voor zo’n vijfduizend euro. Ondenkbaar nu.’ We worden opnieuw tot stilte gemaand door de suppoost. ‘Si, si’, glimlacht de man die alles wat hier hangt bezit.

De Italiaanse tentoonstelling Escher gaat in 2016 zijn derde jaar in. Na groot succes in Rome, met 250.000 bezoekers, vervolgens Bologna, met 175.000 bezoekers, is ze momenteel tot 3 april te zien in Treviso, vlak bij Venetië. Dan verhuist ze naar het Palazzo Reale van Milaan tot januari 2017. Het is de collectie-Giudiceandrea, de grootste privé-collectie van Escher in Europa. De technisch ingenieur verzamelt Escher sinds hij een jongen was. Posters, daar begon het mee.

‘Ik was de klas uitgestuurd’, zegt hij zacht terwijl hij ons buiten gehoorafstand van de suppoost manoeuvreert. Bij de ingang had hij gewoon twee kaartjes uit zijn portemonnee gehaald. Niemand hier weet wie hij is. ‘Ik zat op het gymnasium en was een druk baasje. Ik moest mijn straf afwachten in het scheikundelaboratorium en begon wat te bladeren in een tijdschrift dat er lag, Le Scienze, de Italiaanse versie van Scientific American. In dat blad zag ik mijn eerste Eschers: Belvedere en Waterval. Ze raakten me diep.’

Belvedere en Waterval horen net als Relativiteit tot Eschers wereldberoemde fantasieconstructies, waarvan je pas na lang kijken doorkrijgt wat er niet klopt. Een bouwkundig onmogelijke uitkijktoren, water dat omhoog stroomt. De ‘paradoxen’ die Escher uitdacht in zijn atelier in Baarn, na ‘de beste jaren van mijn leven’ in Italië (1922-1935), na het gehate Zwitserland, na België, na de Tweede Wereldoorlog. ‘Ik ben met passie gaan werken toen ik ontdekte dat ik zelf dingen had die eruit moesten, dat ik iets kon uiten wat een ander niet heeft’, zei Escher in een interview met Bibeb in Vrij Nederland in 1968. ‘Dat begon in Zwitserland met die domme bergen. Italië, het landschap, de mensen, die zeggen me wat. Zwitserland niet en Holland nog veel minder.’

Van Eschers Italiaanse verleden wist de inmiddels 22-jarige student elektrotechniek Federico Giudiceandrea in 1977 nog niets. Met een groepje vrienden, bèta-nerds net als hij, ging hij een tentoonstelling van zijn idool bekijken in Florence. Escher werd in de hippietijd ineens cool. De internationale hippie-scene had de kurkdroge geheelonthouder Escher geannexeerd als goeroe van de psychedelische visioenen die voortkomen uit lsd-trips. De underground-platenhoezen met Eschers (gestolen) reptielen, sprinkhanen en tripachtige nachtmerries kende Giudiceandrea al te goed. Maar in Florence stond hij ineens oog in oog met een heel andere Escher. Daar hingen de Calabrese dorpjes. ‘Morano Calabro, waar mijn vader was geboren; én Rossano Calabro, waar mijn moeder was geboren. Ik was als door de bliksem getroffen.’

Medium lw 20141

Zijn ouders hadden Calabrië al verlaten voor de drie zoons geboren werden. ‘Mijn vader was docent Grieks en Latijn. Mijn moeder was zijn leerling. Ze scheelden twintig jaar. Hij heeft keurig gewacht tot ze klaar was met school. Toen zijn ze getrouwd. Maar Calabrië is Calabrië. Het bleef maar gonzen als ze arm in arm door de hoofdstraat liepen. Toen heeft mijn vader de verst mogelijke plek in Italië aangeschreven om overplaatsing aan te vragen. Dat was Brixen/Bressanone, Zuid-Tirol, op 45 kilometer van de Oostenrijkse grens en op vijftienhonderd kilometer van Calabrië. Daar zijn mijn broers en ik geboren. Tweetalig Italiaans-Duits opgegroeid, want daar stond mijn vader op. Wij moesten wereldburgers worden.’

We zijn inmiddels aanbeland bij de houtsnede Rossano Calabro uit 1931. Het geboortedorp van zijn moeder. ‘Om dit in 1977 in Florence te zien hangen, dat was voor mij…’ De ingenieur raakt er opnieuw ontroerd van. ‘Calabrië heeft wel duizend dorpen. Escher heeft er maar dertien gekozen.’ Hij pakt zijn iPhone en drukt op de toetsen, mompelend ‘dertien op duizend, maakt… één procent, maar dan gedeeld door… dus de kans is 0,0001. Eén op tienduizend. Zo klein was de kans dat hij precies die dorpjes zou kiezen!’ Een stralende blik.

Achteraf blijkt dat Calabrië vierhonderd gemeenten telt en niet duizend, maar wat doet het ertoe. Het gaat erom dat het geen toeval kan zijn, hij en Escher. Het was het lot. ‘Voor Rossano heb ik gebloed, hoor’, vertelt hij trouwhartig. ‘Tien jaar geleden bij Christie’s Amsterdam, dertigduizend euro. Ik was zo dom geweest om in het kringetje van Escher-handelaren bekend te maken dat ik hem per se moest hebben. Men wist het. Dertigduizend euro voor een houtsnede uit de Italiaanse tijd, dat was echt belachelijk. Maar ik heb hem.’

Medium escher fotoalbum67

De verzamelaar en technisch ingenieur is heus geen naïeveling. Hij heeft zestig octrooien op allerlei apparaten die dienen voor de meting en bewerking van ruw hout. Hij vliegt voortdurend de hele wereld over om de toepassing van zijn hightech-uitvindingen in de houtindustrie te controleren. Een paar jaar geleden heeft hij een belangrijke internationale prijs gewonnen met zijn bedrijf Microtec uit Brixen/Bressanone voor de ‘evolutie die ingenieur Giudiceandrea teweeg heeft gebracht in de kijk op en bewerking van hout’.

Hij spaart vooral de Italiaanse Escher. Uiteraard weet hij precies wat hij doet. Eschers Italiaanse tijd heeft minder marktwaarde dan het werk dat hij lang daarna in Baarn heeft gemaakt, toen de blik van de buitenwereld naar de binnenwereld verhuisde, van de landscapes naar de mindscapes. Italië was Eschers opmaat naar het al, naar de ‘clou van het universum’ waar hij volgens de Italiaanse wetenschapsfilosoof Giulio Giorello zijn leven lang naar op zoek is geweest. Een clou die verborgen lag in de plooien van het Italiaanse landschap, dat voor Escher een dusdanige openbaring was dat hij het euforisch heeft afgegraasd.

‘Dertigduizend euro voor een houtsnede uit de Italiaanse tijd, dat was echt belachelijk. Maar ik heb hem’

Tussen 1922 en 1935 bezocht hij meer dan honderd Italiaanse dorpjes, met een duidelijke voorkeur voor het diepe zuiden. Het kon hem niet hoog, afgelegen en duizelingwekkend genoeg zijn. Grillige rotspartijen met erop of ertegenaan geplakte dorpjes in Sergio Leone-achtige landschappen. Muilezelpaadjes langs het ravijn en manshoge cactussen. Escher kwam waar geen buitenlander ooit was geweest.

Hij was niet een grand tour-reiziger à la Goethe die na twee jaar tredmolen van oudheidkundige highlights in zijn Italiaanse reisdagboek verzuchte: ‘Ich hab’ es mir sauer werden lassen.’ Goethe bivakkeerde twee jaar lang in pensionnetjes, stond iedere dag voor het ochtendgloren op en werkte zich in het zweet, als de dood om iets te missen. Hij bestreek de hele laars van de Dolomieten tot Sicilië tussen 1786 en 1788, toen het heelhuids overleven van zo’n reis op zich al een prestatie was.

Escher woonde aan het begin van de vorige eeuw jarenlang comfortabel in een liberty-villa op de chique Monteverde Vecchio in Rome met schitterend uitzicht over de eeuwige stad. Maar Rome bekeek hij nauwelijks. ‘Wat sprak u zo aan in het Italiaanse landschap?’ vroeg een journalist hem tientallen jaren later op een zeldzame filmopname in zijn Baarnse atelier. Escher lachte een beetje afwerend: ‘Alleen het Zúid-Italiaanse landschap interesseerde mij. De Moorse invloeden, die broodjesdaken die je hebt in het zuiden, samen met de rotspartijen. Ik heb twaalf jaar lang in Rome gewoond, maar de architectuur van Rome heeft me nooit iets gezegd. Al die renaissance en barok. U vraagt mij waarom, maar er is geen waarom. Ik was geïnteresseerd in de wetmatigheid in de natuur.’

Medium lw102

Reizen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was ook nog behoorlijk afzien, zeker in het arme, achterlijke Italiaanse zuiden. Escher genoot ervan. ‘Gedurende de omzwervingen lijkt alles werkelijkheid, maar later in de herinnering erkent men dat het was als een droom. En het heerlijke feit van willens en wetens en noodzakelijkerwijze het comfort waaraan wij thuis gewend zijn te moeten ontberen: de onaangenaamste zaken: een bed niet vrij van ongedierte, voedsel van dikwijls minderwaardige kwaliteit – dat alles verschijnt ons niet alleen als voorwaarde maar zelfs als onderdeel van onze genietingen’, schrijft hij aan zijn Nederlandse vriend Bas Kist.

‘Het comfort waaraan wij thuis gewend zijn’ – dat was in Eschers geval niet bij wijze van spreken. Hij was het zorgenkind, maar het mocht ‘Mauk’ (het familiaire koosnaampje voor Maurits) aan niets ontbreken. Als Mauk naar Italië wilde, mocht Mauk naar Italië. En dan werd er een okergele villa in aanbouw in een van de duurste wijken van Rome gekocht als onderkomen voor het jonge stelletje, Mauk en zijn vrouw Jetta. Met een atelier in het torentje en ruimte voor het personeel, dat absoluut noodzakelijk was na de geboorte van de twee zoontjes.

Hoofdingenieur van Rijkswaterstaat George Arnold Escher had de jongste van zijn vijf zonen zijn hele leven royaal onderhouden. Tot aan zijn vaders dood in 1939 op 96-jarige leeftijd leefde de toen 41-jarige Maurits Cornelis Escher van een maandelijkse toelage. Na zijn vaders dood was er de erfenis. Pas vanaf 1954, toen hij inmiddels 56 was, begon zijn werk eindelijk vruchten af te werpen, zij het nog altijd boven op een dikke matras van twee erfenissen, want ook de ouders van de Zwitsers-Italiaanse Jetta waren rijk.

Escher vond het verschrikkelijk dat hij op zijn vaders zak moest leven en vermeldde iedere cent die hij verdiende als een triomf aan zijn vrienden en familie in Nederland. Maar het was lang niet genoeg om het leven waaraan hij en de eveneens gepamperde Jetta gewend waren te bekostigen. In Italië werkte hij onafgebroken aan zijn clou van het universum die niemand in Nederland wilde kopen, of überhaupt snapte. Minstens één, soms twee, soms drie maanden per jaar ging Escher in Italië op pad om het repertoire waar hij voor de rest van zijn leven uit zou putten vast te leggen. Hoe onherbergzamer, hoe beter.

Zijn ideale landschap vond hij vooral in het woeste Abruzzi-gebergte ten noordoosten van Rome en in de teen van de laars, Calabrië. De rij namen van onbekende rotsdorpjes die hij afwerkte is indrukwekkend: Castrovalva, Pentedattilo, Vitorchiano, Barbarano, Tropea, Palestrina… Aanvankelijk tekende hij nog na, maar allengs brak de visie door en begon het Italiaanse landschap steeds meer op een Escher te lijken. Hij zette het naar zijn hand, of beter gezegd: hij vertaalde de lijnen in het landschap die wij gewone stervelingen niet zien in geometrische figuren.

‘Kijk, hier heeft hij van mijn vaders geboortedorp Morano een kegelvorm gemaakt. En altijd op en top een heer, hè.’ Giudiceandrea wijst op een foto naast Morano van Escher met jasje, stropdas, plusfours, geruite wollen kousen en bergschoenen. Hij staat in de brandende zon in de typische ontdekkerspose, een hand leunend op het stoer geplante dijbeen, de andere in de zij, voor een partij zuidelijke cactussen, een rots, een paar torentjes. ‘La Cattolica di Stilo, Calabrië, mei 1930’, vermeldt het bijschrift.

De verzamelaar leest hardop voor: ‘Crotone, Tropea, Pentedattilo, Santa Severina… dit was allemaal in Calabrië. Ah, kijk, deze foto is van groot belang.’ Op een smal randje boven een diepe afgrond staan twee mannetjes. ‘Dat waren Eschers collega’s en reisgenoten, Schiess en Haas-Triverio. Escher heeft deze foto gemaakt. Dit is vlak bij Cariati, waar ik mijn ouderlijk huis nog altijd heb. Ik ben hier ook geweest. Maar ik durfde echt niet daar boven de afgrond te gaan staan. Zij wel. Hoog, hoger, hoogst, Escher wilde alles van bovenaf bekijken. Dat is nogal moeilijk hè, bij jullie in Nederland.’ Hij lacht voldaan, als iemand die precies weet waar hij het over heeft.

In Nederland is de ingenieur al talloze malen geweest. Met het excuus van Schiphol, belangrijk kruispunt van de intercontinentale vluchten die hij vaak moet nemen, plakt hij er altijd een paar daagjes ‘Escher-speuren’ aan vast. Zo goed als alles wat er nog op de vrije markt te vinden is, bevindt zich in Nederland. Maar het wordt steeds kostbaarder. Afgelopen november ging de zeldzame lithografie Toverspiegel uit 1946 aan zijn neus voorbij. Veilinghuis Bubb Kuyper te Haarlem, gespecialiseerd in Escher, realiseerde een prijs die zijn geraamde budget ver oversteeg. ‘37.000 euro, in de catalogus stond een vraagprijs van zes- tot zevenduizend, dat is ruim vijf keer over de kop. Nog niet lang geleden zaten we er met z’n tweeën of drieën, de echte Escher-bieders. We kennen elkaar natuurlijk. Nu ineens is het volle bak, bieders die niemand ooit heeft gezien, vaak uit het buitenland, en geen prijs lijkt te hoog.’

‘Van bijna alles wat hij in Nederland heeft gemaakt kan ik op zijn Italiaanse werk het origineel aanwijzen. Hij verzon nooit iets’

Verzamelen is ook een sport. Het wordt een steeds grotere prestatie om een Escher voor de prijs die hij in zijn hoofd heeft in handen te krijgen. Voor het moederlijke geboortedorp kun je een eenmalige uitzondering maken, als het maar is ingecalculeerd. Voor de houtsnede Metamorphose II uit 1939-1940, de beroemdste, grootste en duurste Escher, betaalde hij een paar jaar geleden graag 120.000 euro. Natuurlijk. Hij is inmiddels al weer minstens tweehonderdduizend waard.

‘Als ik dát aan mijn vrouw had verteld…’, lacht de ingenieur als een stoute jongen. Zijn vrouw wist nooit wat hij kocht, waar, en voor hoeveel. ‘Ze was altijd een enorme tegenstander van mijn Escher-verzameling’, vertelt hij terwijl we zoeken naar een bomengroep die hij wil laten zien. ‘Ze vond dat ik het geld over de balk smeet. Nu vindt ze dat niet meer, natuurlijk. Mijn verzameling is in de tussentijd vele malen meer waard. Maar ja, spijtoptanten, daar doen we niet aan. Dus nu is het gewoon binnen ons huwelijk van: ík heb verder altijd gelijk. In alles.’ En hij lacht zichzelf hartelijk uit.

De bomen die hij wilde laten zien staan op de houtsnede Modderplas uit 1952. Hollandser tafereel dan dit bestaat niet. Een modderplas met rondom voetafdrukken en bandensporen in de doorweekte bodem. ‘Dit is heel bijzonder’, wijst de ingenieur, ‘want Escher heeft maar heel weinig Nederlands landschap gemaakt. Maar let op! Die bomen, die weerspiegeld worden in de modderplas, waar kennen wij die van?’

Ja, waar kennen wij die van? De ingenieur voert ons terug naar Eschers zuidelijke periode en wijst met een triomfantelijk gezicht op de houtsnede Pineta van Calvi, Corsica, juni 1933. En inderdaad. De prominente pijnbomen op de voorgrond, waardoor het dorpje Calvi (weer op een rots) te zien is, zijn exact dezelfde als die in de Nederlandse Modderplas worden weerspiegeld. Dit is waar het de ingenieur eigenlijk om te doen is. Deze vingerafdrukken van Italië in het werk van Escher, die hij onvermoeibaar blijft naspeuren.

Medium giudiceandrea2

‘U moet denken: het licht was ineens helemaal uit gegaan. Escher kwam uit “de beste jaren van mijn leven” in Italië. Zwitserland was een straf geweest, in een besneeuwd berglandschap waar ze geïsoleerd zaten en dat hem totaal niet inspireerde. Toen de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog in Baarn. Zijn zeer geliefde leermeester, de graficus Samuel Jessurun de Mesquita, die in januari 1944 door de nazi’s uit zijn huis aan de Linnaeuskade in Amsterdam was afgevoerd en vergast in Auschwitz. Zijn wereldvreemde vrouw Jetta die de kluts volkomen kwijt was en zat te verpieteren in Baarn, waar hij niets mee kon.

En wat doet Escher? Hij pakt zijn Italiaanse werk, dat allemaal keurig lag opgeslagen in de archiefkasten in Baarn, en hij verzint een helemaal nieuwe wereld. Een innerlijke wereld, waarin hij het Italiaanse landschap gebruikt ter ondersteuning van zijn concepten. Van bijna alles wat hij in Nederland heeft gemaakt kan ik u op zijn Italiaanse werk het origineel aanwijzen. Hij verzon nooit iets, het lag allemaal keurig opgeslagen in zijn kasten. Dat is een unicum in de kunstgeschiedenis.’

Als hij zomaar een Escher ‘vindt’, in de zin van dat hij bij het grasduinen in Amsterdamse antiquairwinkeltjes, of Haarlemse, of Haagse, ineens op een drukje stuit dat hij nog niet heeft, krijgt hij een hevige fysieke reactie. Hartkloppingen, een soort lichthoofdigheid. Het gaat natuurlijk niet meer om het grote werk, dat alleen nog op veilingen van hand tot hand verhuist voor steeds hogere prijzen. Maar ook klein werk, een ex-libris, een illustratie, kan hem ontroeren. Een Escher herkent hij onmiddellijk. ‘Ik ken ze allemaal uit mijn hoofd. Het zijn er 448 volgens de catalogus van Bool. Dat is de enige officiële catalogus, verschenen in het boek Leven en werk van M.C. Escher, uitgegeven door Meulenhoff in 1981 en al lang niet meer te krijgen. De Escher Stichting wil het opnieuw gaan uitgeven. Ik hoop dat ze de nummers van Bool dan niet overhoop halen, want er zijn sindsdien nog twee nieuwe Eschers bij gekomen.’ Hij heeft er nu 140.

‘Ik ben een echte verzamelaar’, vertelt de ingenieur na drie uur Escher doorploegen bij een welverdiend glas chardonnay op een terrasje onder de bogen van Treviso. ‘Ik had het als jongetje al. Voetbalplaatjes, postzegels, ik verzamelde alles. Het heeft te maken met getallen, met dingen ordenen. Het geeft mij rust. Ieder dingetje op zijn plaats, in het juiste vakje. Escher verzamelen is een beetje als de wereld ordenen, of mijn wereld dan. Daarom wil ik ook van alles weten waar het vandaan komt, wat de context was. Om er een schema van te kunnen maken, het in het juiste vakje te kunnen plaatsen. Zoals een fysicus de fundamentele deeltjes wil begrijpen en ordenen. Als ik weer een van de 450 werken in handen heb, vervult me dat met grote tevredenheid. Weer een vakje gevuld.’ Hij glimlacht verlegen en voegt eraan toe: ‘En je moet natuurlijk ook geluk hebben in het leven.’

Geluk? ‘Ja, dat je soms op het goede moment iets niet doet. Ik was een echte hippie. Ik had al bij jullie in het Vondelpark geslapen, en op de Dam. In 1974, in mijn eindexamenjaar, was ik stiekem met twee vrienden naar Istanbul gelift. Het was paasvakantie, aan mijn ouders had ik niets verteld. We wilden vanaf The Pudding Shop in Istanbul de bus naar Kathmandu in Nepal nemen. Na George Harrisons Concert for Bangladesh moesten we allemaal die kant op. Dat waren de hippie-trails die vanuit Europa naar India, Pakistan en Nepal liepen. De bus reed voor, ik stond op het punt om in te stappen. Maar toen… ik weet niet wat het was. Waarschijnlijk toch mijn opvoeding. De aarzeling om zo radicaal te breken met het verleden. Het grote verdriet dat ik mijn ouders zou hebben aangedaan. Ik heb de bus niet genomen. Ik ben teruggegaan naar huis, heb mijn school afgemaakt, heb me ingeschreven aan de universiteit en ben ingenieur geworden.’ Hij neemt een flinke slok en voegt er dan aan toe: ‘En Escher-verzamelaar.’

Hij sprokkelt nu al twintig jaar Escher, zich tevreden stellend met wat er nog over is in Europa. De overgrote bulk van de erfenis-Escher verdween na zijn dood in 1972 naar Amerika, naar de kunsthandelaar Michael Sachs. Een onfris verhaal, waarin Eschers accountant Jan Vermeulen een kwalijke rol heeft gespeeld, hierin geholpen door de desinteresse van Eschers drie in het buitenland wonende zoons George, Arthur en Jan. Ze zagen de papieren rompslomp niet zitten en waren bang voor de hoge belastingaanslag die accountant Vermeulen ze met veel dramatiek had voorgehouden.

Bij Michael Sachs in Amerika bevindt zich nu dus de tekening met de afdruk van een nazilaars die Escher in februari 1944 op de trap van de Linnaeuskade 24 vond en mee naar huis nam. De laatste, dramatische getuigenis van het leven van zijn leermeester Samuel Jessurun de Mesquita. Hij heeft sindsdien tot Eschers dood altijd op de deur van de kast in zijn Baarnse atelier gehangen.

‘Voor mij is dat onaanvaardbaar’, zegt Giudiceandrea. ‘Ik ken Michael Sachs goed, hij laat me genereus urenlang grasduinen door de fantastische Escher-collectie die hij heeft en die hij nooit had mogen hebben. Bij hem hangt inderdaad ook De Mesquita’s tekening met de afdruk van de nazilaars. Dat is Nederlands erfgoed. Het gaat mij er niet om dat ík hem zou moeten hebben. Maar hij hoort in het Escher Museum in Den Haag, niet in Amerika bij een kunsthandelaar die zit te wachten tot de prijzen nog verder stijgen.’


Voor dit artikel waren M.C. Escher: Een biografie van Wim Hazeu (1998, Meulenhoff) en de hulp van de Escher Stichting van groot belang

Beeld: (1) Pentedatillo, Calabrië, 1930. Houtsnede 32,3 x 23,6 cm; (2) Pentedatillo (panorama), Calabrië, 1931. Houtsnede, 32,1 x 23,2 cm; (3) Escher in 1930 bij Cattolica di Stilo, Calabrië; (4) Vitorchiano nel Cimino, 1925, houtsnede, 57 x 39mm; (5) Federico Giudiceandrea voor het geboortedorp van zijn moeder (links) en dat van zijn vader. Foto’s: 2015 The M.C. Escher Company – Baarn