Afgekloven grootheden

De televisie brengt herhalingen en de filmwereld doet in de zomer ook zoiets. Onder de titel Les Vacances du Cinema gaat de zogenaamde arthouse-film juist niet op vakantie. Een willekeurige reeks films die het afgelopen jaar met wisselend succes in filmhuizen en bioscopen heeft gedraaid, wordt her en der in het land nog een keer ingezet. Het kan een gelegenheid zijn om een gemiste film in te halen, maar verder is het vooral vakantie voor de programmeurs.

Retrospectieven zijn natuurlijk ook herhalingen, maar ze hebben het voordeel dat ze minder willekeurig zijn. En als het mee zit, brengen ze films op het doek die lang niet te zien zijn geweest. Een retrospectief kan een ontdekkingsreis door het oeuvre van een filmmaker zijn. Maar dan moet er nog wel iets te ontdekken zijn.
Luchino Visconti behoort tot de absolute elite van de filmgeschiedenis. Daar is menigeen zich al tijden van bewust en dat heeft ervoor gezorgd dat zijn films met een redelijke regelmaat te zien zijn geweest. Een meesterwerk kan in wezen nooit ongelegen komen, maar een half retrospectief (Visconti maakte ruim een dozijn films die niet allemaal worden vertoond) op pad langs de filmhuizen sturen is toch een wat halfzachte zaak.
Fellini is dood. Fellini is een meester. Fellini is een monument. En Fellini is compleet. Tuttofellini. Een reusachtige grafsteen. Van alle filmmakers heeft een retrospectief van het werk van Fellini waarschijnlijk het minst weg van een ontdekkingsreis. De films zijn uit en te na vertoond, en zijn exuberante verbeeldingswereld is gemeengoed geworden. Maar Fellini heeft een fors oeuvre achtergelaten, en het is zonder meer prettig om de gelegenheid te krijgen om een relatief onbekend werk van de maestro middels een goede kopie te zien.
De zogenaamde re-issue is een andere vorm van herhaling. Men blaast het stof van een klassieker en brengt hem als was het een nieuwe film in roulatie. In de terugblikkende zomeroogst is dat het geval met Touch of Evil van Orson Welles. Nu behoort dit duistere en ongrijpbare meesterwerk tot mijn absolute favorieten, dus behoor ik eerst te zeggen dat het een uiterst goede zaak is dat deze fascinerende nachtmerrie van Welles weer groot, donker en scherp op het doek is te zien. Maar het is met Welles als met Visconti en Fellini: het is een afgekloven grootheid uit de filmgeschiedenis.
Een handvol films van Visconti is prettig en deftig, en een fris gerestaureerde Il Gattopardo is een rijk bezit. Maar een ferme presentatie van het prille en weerbarstige oeuvre van Aurelio Grimaldi zou een stuk spannender zijn. Alles van Fellini staat in feite boven de wet, maar alles van Nanni Moretti zou een feestelijke roes van de ene na de andere ontdekking opleveren. Natuurlijk moeten de films van Welles in goede kopieen permanent beschikbaar zijn, maar het in Nederland veronachtzaamde werk van John Jost zou kunnen laten zien dat dwarsheid en eigenzinnigheid binnen de Amerikaanse cinema ook hier en nu kan betekenen.
Filmhuisprogrammeurs houden angstvallig vast aan de overbekende namen. De immer nuchter redenerende en zich documenterende Jos van der Burg legde zijn oor te luister bij de retro-makers en schreef zijn onthutsende bevindingen op in de Filmkrant van deze maand. Het blijft voorlopig herhalen van wat al herhaaldelijk is herhaald.
Het echt grote herhalen staat ons volgend jaar te wachten. Dan viert alles en iedereen het honderdjarige bestaan van de film. Er zullen zoveel doden tot leven worden gewekt dat het zal lijken of de film geen heden meer heeft. Dat zou een voordeel kunnen hebben. Als alle grote namen weer zijn geeerd en alle gouden klassiekers weer zijn vertoond, dan ontstaat er vanuit een herhalingsmoeheid misschien toch behoefte aan onbekend repertoire. Een behoefte aan filmreizen door onontgonnen gebieden.