Sylvia von Kospoth in Goede moeders, regie Jorien van Nes © Submarine / KRO-NCRV

Veel serieuze, nieuwe documentaires zijn in sportzomers zelden te verwachten. Maar Goede moeders is er zo een, een Teledoc – ‘lange documentaire met een eigentijds Nederlands onderwerp dat op een prikkelende, toegankelijke en cinematografische manier wordt verteld en bestemd is voor een groot publiek’. Een niet geringe ambitie die regelmatig wordt waargemaakt. De lengte gelukkig tussen zeventig minuten en anderhalf uur (zelfs meesterwerken worden soms rücksichtslos geamputeerd om in vijftig minuten tussen reclameblokken te passen).

Prikkelend aan deze film van Jorien van Nes is meteen al dat hij, schijnbaar haaks op de titel, gaat over ‘slechte moeders’. Althans, ‘slecht’ in de ogen van bevoegde autoriteiten, zoals Veilig Thuis, advies- en meldpunt voor huiselijk geweld, kindermishandeling en ouderenmishandeling; de Raad voor de Kinderbescherming; en uiteindelijk de rechter wanneer die besluit tot uithuisplaatsing van kinderen. Waarmee de probleemstelling van de film, gedragen door verloskundige Sylvia von Kospoth, op tafel ligt: zijn de criteria voor ‘goede moeder’ de juiste en, zo ja, worden ze correct toegepast? En vooral: als het mis is gegaan in het leven van een vrouw (waarbij de partner uiteraard vaak ook een grote rol speelde) en kind of kinderen haar zijn ontnomen, wat is dan het effect van de wettelijk verplichte melding van nieuwe zwangerschap door (para)medici?

Von Kospoth komt in haar praktijk in Harlingen en omgeving met enige regelmaat vrouwen tegen wier kind of kinderen al dan niet terecht is/zijn weggehaald en die nu, in een nieuwe fase van hun leven, met een andere (betere) partner, in een ander (beter) huis, soms na overwonnen verslaving, opnieuw zwanger zijn. Zij is dus verplicht daar melding van te doen in het besef dat vanaf dat moment bij instituties alarmbellen gaan rinkelen en onderzoek zal worden gedaan, ook als moeder, partner en zijzelf ervan overtuigd zijn dat het ongeboren kind gewenst en kansrijk zal zijn.

Te vaak maakt zij mee dat de voorwaardelijkheid en controle door ‘organen’ onverantwoorde stress voor moeder, partner en ongeboren kind betekenen; dat onderzoek niet goed gebeurt; dat de criteria onhelder, subjectief en gekleurd door het verleden zijn; zelfs dat anonieme meldingen over falend moederschap vals kunnen zijn. Extra (en gigantische) complicatie is dat bij vrouwen het verdriet over afgenomen kinderen immens is en dat bij hen de hoop meespeelt dat de nieuwe, betere omstandigheden niet alleen betekenen dat ze de ongeborene mogen houden, maar ook dat ze ‘verloren’ kinderen terug zullen krijgen. Wat zelden gebeurt, want de hechting in een pleeggezin telt zwaarder.

In haar ‘ach meid toch…’ tegen een van haar cliënten, die blijvend rouwt om de kinderen die ze kwijt is, die ze incidenteel mag zien maar zelfs niet mag vasthouden, en dat altijd in gezelschap van pleegouder en professional, ligt de betrokkenheid van Sylvia, die zich ontpopt als strijdster. We horen en zien hier de stemmen van felle criticasters. Dat onttrekking aan de ouderlijke macht soms onvermijdelijk en zelfs redding kan zijn moeten we zelf bedenken.

Jorien van Nes, Goede moeders, KRO-NCRV Teledoc, woensdag 7 juli, NPO 2, 19.55 uur