Profiel: José María Aznar

Afgepeigerde Bush-amigo

De Spaanse premier José María Aznar leek afgemat. Tegenover hem in het Madrileense regeringspaleis Monclao was afgelopen vrijdag zo’n beetje de halve wereldpers verzameld. Een horde fotografen liet bij ieder handgebaar van Aznar de salvo’s van hun camera’s klinken. Rechts van hem stond Tony Blair, met een minstens zo afgepeigerd gelaat. Denk niet dat dit makkelijk is, zou Aznar zeggen. «Ik ben er zeker van dat premier Blair, net zoals ik, veel liever iets anders deed. Dit weekend op vakantie gaan, bijvoorbeeld. Maar we werken oprecht voor de vrede, we willen eenvoudigweg niet dat onze landen aan terroristen of massavernietigingswapens worden onderworpen.»

Daarna trok de Spaanse regeringsleider het gezicht opnieuw in de plooi met een veeg over zijn snor en vouwde de handen voor zich op het katheder. De persconferentie duurde een half uurtje. Woorden als «massavernietigingswapens», «vrede» en «Saddam» vielen het meest.

De avond ervoor, ongeveer op hetzelfde moment dat de regeringshelikopter met de Britse premier landde op Moncloa, trad tijdens een benefietconcert onder het motto «Niet in onze naam» een dwarsdoorsnee aan Spaanse artiesten op tegen een mogelijke oorlog in Irak. In de mooie wetenschap dat de opbrengst van het concert naar arme Irakese kinderen ging, zongen de bezoekers het uit. «Sólo le pido a Dios/ Que la guerra no me sea indiferente» («Ik vraag alleen maar aan God/ Dat de oorlog me niet onverschillig laat»).

Welbeschouwd is Sólo le pido a Dios een tamelijk afgekloven Argentijns hippieliedje, maar het wint dezer dagen onmiskenbaar aan kracht. Het vertegenwoordigt de drie miljoen Spanjaarden die half februari onder aanvoering van een razende filmregisseur Pedro Almodóvar — zijn film Hable con ella dingt mee naar twee Oscars — de straat op gingen uit protest tegen de Amerikaanse politiek rond Irak. Beter gezegd: ze demonstreerden tegen de onvoorwaardelijke steun die hún premier Aznar aan dat beleid geeft. Volgens de laatste peiling van de progressieve radiozender Cadena Ser is 94 procent van de Spanjaarden tegen een aanval op Irak. Zelfs onder de goedkeuring van een nieuwe VN-resolutie ziet tachtig procent van de ondervraagden geen heil in een geallieerde interventie.

Het zijn cijfers die ook het staatsonderzoeksbureau CIS inmiddels moeiteloos produceert en de Partido Popular (PP, Volkspartij) van Aznar tot radeloosheid drijven. Na alle jammerlijke beslissingen die de overheid nam nadat in het najaar in een vliegende storm de olietanker Prestige voor de kust verging, leek de electorale schade nog beperkt. De algemene staking van juni tegen de nieuwe werkloosheidswet had hetzelfde effect. Het volk morde in een democratisch protest, niets aan de hand. Aquí no pasa nada.

Door onvoorwaardelijke steun van Aznar voor de Amerikaanse politiek is nu alles anders. Alle oppositiepartijen zijn tegen, de invloed rijke Spaanse bisschopsconferentie is mordicus tegen, het regeringsgezinde dagblad El Mundo valt openlijk het beleid af. Vers in het geheugen ligt ook de ware staatsgreep op de streng gecontroleerde publieke zender TVE: tijdens het jaarlijkse filmgala scandeerden acteurs tijdens de rechtstreekse uitzending urenlang hun nee tegen de oorlog.

Deze crisis rond Irak komt op het beroerdste moment dat de PP zichzelf na zeven jaar voorspoedig landsbestuur had toegewenst. Meer dan tevreden kan Aznar terugzien op een periode waarin hij het werkloosheidscijfer van een draconische twintig procent terugdrong naar negen procent. Hij stuwde Spanje naar de kopgroep van landen die meededen aan de euro, bracht het begrotingstekort terug tot nul en trad dankzij samenwerking met Frankrijk effectief op tegen allerhande loslopende ETA-commando’s.

Aznar sprak in die dagen over het breken van het «felipismo» als zijn voornaamste drijfveer, een verwijzing naar de dertien jaren premierschap van zijn voorganger, de sociaal-democraat Felipe González. Anders ook dan González rekende Aznar onverbiddelijk af met politieke vriendjes die al te gretig in overheidsgelden graaiden.

Veel Spanjaarden kenschetsten de man die in 1996 premier werd als saai, stram en eentonig. Het deerde Aznar niet, want dat was exact wat hij voor ogen had. Hij beoogde met name een terugkeer naar de normale toestand. «De gewoonste landen zijn de sterkste landen», gromde Aznar steevast na de vraag wat hij bedoelde met «normaal».

Aznar had het eerder gedaan. Vlak voordat hij in 1990 werd benoemd tot opvolger van partijvoorzitter Manuel Fraga, die nog minis ter was geweest onder Franco, bestierde Aznar vanuit Valladolid de Spaanse deelstaat Castilië-Leon. Het immense district, ruim twee keer Nederland, is bijna exemplarisch voor de rest van Spanje. Slechts een paar belangrijke buitenlandse bedrijven, sterk afhankelijk van de landbouw, een drukkende werkloosheid, dunbevolkt en in rap tempo vergrijzend. Normaal. Tomás Villanueva, de huidige voorzitter van de Volkspartij in Valladolid, gebruikt het woord keer op keer. «Aznar is een normale man. Een normále rechtenstudie, een normále functie als overheidsfunctionaris (na zijn studie werkte Aznar als belastinginspecteur — rz). Wij waren de generatie die in de schaduw van Fraga groot werd. Geen losgeslagen vriendenclub, wel mensen die leerden fouten te herstellen.»

De PP haalde bij de nationale verkiezingen van 2000 bijna 45 procent van de stemmen, ruim voldoende om zonder steun van de Catalaanse of Baskische nationalisten verder te regeren. Die monsterzege heeft Aznar onmiskenbaar verblind, is inmiddels de breed gedeelde opvatting, die zich zelfs uitstrekt tot de keurige werkgeverskring Circulo de Empresarios.

Het was ook niet moeilijk geweest het gemor rond het Irakese conflict te voorspellen: de onwrikbare keuze voor de politiek van Bush botst snel met de algemeen heersende Spaanse opvatting dat Amerikanen kauwgumkauwende en oliezoekende cowboys zijn. Anders dan Nederlanders hebben de Spanjaarden de Amerikanen nimmer als hun bevrijders gezien. Daarbovenop komt een diepgeworteld paci fisme, veroorzaakt door een traumatische twintigste eeuw waarin de Spanjaarden een burgeroorlog, twee autoritaire dictaturen en eenmaal in de democratie een militaire staatsgreep meemaakten.

De Partido Popular vreest nu de gevolgen van de gemeenteraadsverkiezingen van mei, om niet te spreken over de algemene verkiezingen van volgend jaar. Aznar zal dan niet meer verkiesbaar zijn, ook een punt dat de PP flinke zorgen baart. Pas na de zomer zal Aznar zijn opvolger (de mogelijke kandidaten zijn allen man) aanwijzen, die vanaf dat moment de handen vol zal hebben aan zijn offensief tegen de rijzende ster van de jeugdige sociaal-democratische oppositieleider José Luis Zapatero.

Premier en partijvoorzitter Aznar wil het nu eenmaal zo: onduidelijkheid bewaren over zijn opvolger, alles op alles zetten in de crisis rond Irak, de rijen binnen zijn partij ferm en autoritair gesloten houden. Het stelt de partijleden onmiskenbaar op de proef, die het sinds de oprichting van de liberaal-conservatieve Volkspartij in 1977 (aanvankelijk onder de naam Alian za Popular) toch niet gemakkelijk hadden. «Vergeet niet dat dezelfde Spanjaarden die nog in 1974 tijdens de meetings op de Plaza de Oriente in Madrid de stokoude generaal Franco toejuichten na zijn dood onderdak vonden bij de Alianza Popular», meent de Catalaanse hoogleraar geschiedenis Joan Maria Thomàs, die een van de spaarzame boeken over de fascistische Falange schreef (La Falange de Franco).

Juist die Spanjaarden hebben het moeilijk zich te identificeren met een partij die haar koers onder Aznar naar het politieke centrum verlegde. Aznar, zoon van een Baskisch-Carlistische legerofficier, tijdens de dictatuur van Franco verantwoordelijk voor propagandistische radio-uitzendingen, is in dat opzicht de verpersoonlijking van de PP na de dood van Franco. Aznar was als student de voorzitter van een splintergroepje van de Falange, de Frente Sindicalista, dat heilig geloofde dat het regime het gedachtegoed verkwanselde en dat de fascistische stroming binnen de Falange moest worden versterkt. Thomàs: «Aznar was in zijn jeugd een ware purist. Het is daarom niet simpel hem vandaag de dag te doorgronden. Hij heeft altijd geweigerd de Franco-tijd te veroordelen, maar legt partijleden die er openlijk al te positieve dingen over zeggen bikkelhard het zwijgen op.»

Aanvankelijk op de achtergrond, maar tegenwoordig onmiskenbaar aanwezig, speelt in die beslissingen ook Aznars echtgenote Ana Botella een rol. Rechtenstudent als haar man, geldt Botella vooral als een ware postfeministe van het nieuwe rechts, overgoten met een mengelmoes van conservatisme en katholicisme. Ze heeft de nodige aspiraties: in mei is Botella de tweede vrouw op de verkiezingslijsten van het machtige Madrileense gemeentebestuur. Dat zij uiteindelijk het mannenbolwerk omzeilt en de opvolger van José María Aznar wordt, leek een grap, maar is niet meer uitgesloten.

Intussen heeft Aznar het in zijn relatie met president Bush verder geschopt dan zijn Italiaanse ambtgenoot en amico Silvio Berlusconi. De Spaanse premier mag zich rekenen tot de selecte kring van wereldleiders die een uitnodiging kregen voor een weekendje op de Prairie Chapel Ranch van de Amerikaanse president in Texas. «Onze beide landen staan dichter bij elkaar dan ooit als het gaat om het bestrijden van terrorisme in Europa en daarbuiten», verzekerde Bush na afloop van het bezoek: «Premier, u bent een man die duidelijk weet waar u voor staat. I thank you for your leadership. I thank you for your friendship.»

Hoewel Aznar gebrekkig Engels spreekt, ontgingen die laatste woorden hem niet. Hij was tevreden. De batterijen waren opgeladen om de dagen daarna een ijzige ontmoeting met de Franse president Jacques Chirac te doorstaan. Vergeten was hoe Aznar er ondanks het gewicht van zijn vriendschap met Bush niet in slaagde de Mexicaanse president Vicente Fox achter de Amerikaanse oorlogsplannen te krijgen. Ook zou niet meer worden gesproken over de verdachte stoffen die half januari bij een arrestatiegolf in Barcelona werden teruggevonden. Zestien mensen werden toen opgepakt, op verdenking van banden met al-Qaeda. «Ik wil onderstrepen dat de gearresteerden een serie aanslagen met explosieven en chemicaliën voorbereidden», verklaarde Aznar na de aanhoudingen. Chemicaliën? Op z’n best schoonmaakmiddelen van de merken Omo, Dixan of Ariël, concludeerde het gerechtelijk laboratorium na onderzoek van het geconfisqueerde materiaal. De justitiële blunder was niet zo bedenkelijk geweest zonder de wetenschap dat de onwrikbare steun van Aznar voor een geallieerde interventie in Irak deels gebaseerd is op dergelijk justitieel onderzoek. De Spaanse vertakkingen van het netwerk al-Qaeda werden scherp zichtbaar nadat duidelijk werd dat Mohammed Atta, een van de kamikazepiloten in New York, de zomer voor de aanslagen een paar dagen in de badplaats Salou doorbracht. Arrestaties volgden en er werden videobanden van Afghaanse opleidingskampen gevonden. Tot nu toe is er niet veel meer dan dat.

Maar voor Aznar staat meer op het spel in zijn politiek, die momenteel als een ware splijtzwam de Europese Unie verdeelt. De steun voor de Amerikaanse defensiepolitiek kan Spanje economische voordelen opleveren, en op langere termijn een grotere invloed in internationale organisaties. Het is geen geheim dat Spanje wil toetreden tot de groep van G8-landen, een mogelijkheid die Aznar nu binnen handbereik ziet. Maar ook is er de EU die ontstaat na toetreding van een aantal nieuwe Oost-Europese lidstaten. Daarin kan een nieuw evenwicht ontstaan ten koste van Frankrijk en Duitsland, een vacuüm waarin Spanje, of Aznar zelf, als mogelijke nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, de vleugels kan uitslaan.

Aznar zou er in elk geval de energie voor hebben. Hij werd afgelopen week pas vijftig.