Toneelactie Tomaat in retrospectief

Afgeragd kunstfruit

Veertig jaar geleden gooiden twee pubers overrijpe tomaten naar ’s lands eerste toneelgezelschap, de Nederlandse Comedie. Volgens de daarna ontstane mythe is het Nederlandse toneel na 1969 er danig van opgeknapt.

HET IS ZELFS NOG hoopvoller, zo beweren de samenstellers van de tentoonstelling Theater na Tomaat: Veertig jaar theatervernieuwing in Nederland in het Amsterdams Historisch Museum. ‘De idealen van de actievoerders van 1969 zijn werkelijkheid geworden. Met de opening van de nieuwe Rabo-zaal in de Amsterdamse Stadsschouwburg is het moderne theater geheel in het gebouw geïntegreerd, en daar was het de actievoerders destijds om te doen’, zo lees ik in het verslag in het Algemeen Dagblad van de opening van de tentoonstelling. Het Nederlandse toneel is eigenlijk áf, zoiets. Bezoekers van de tentoonstelling lopen eerst tegen een groot scherm op waar de acties in het najaar 1969 documentair worden samengevat. Daarna wandelen ze een ruimte binnen waar middels beeldschermen, filmpjes, krantenkoppen en wat kostuums en maquettes de oogst van veertig jaren zwoegen, sloven en ploeteren beetklaar en ogenschijnlijk kakelvers wordt uitgestald. Het is een rare non-tentoonstelling geworden, opgebouwd vanuit het kunsthistorische misverstand dat alles in de kunsten in de loop van de tijd volgens de gebaande paden der vooruitgang eigenlijk almaar mooier wordt. En wat de podiumkunsten in Nederland betreft, geschiedde dat dus middels die portie afgeragd fruit die op 9 oktober 1969 werd geworpen naar de toneelvoorstelling De storm op tekst van Shakespeare, uitgevoerd door de Nederlandse Comedie.
Want wat kregen we daar niet allemaal voor terug toen de uit elkaar gespatte tomaten waren opgedweild en de stinkbommenrook was opgetrokken? Veel, zo lijken de samenstellers ons te willen zeggen. Het gesuggereerde oorzakelijk verband riep bij mij vooral veel vragen op. Locatietheater hadden we opeens! Onzin. Want het mooiste locatietheater vond je toen al jaren in de Mickery-boerderij te Loenersloot. En in het voor ontheatrale ruimtes (kerken, fabriekshallen) ontworpen bewegingstheater van Frits Vogels’ BEWTH, dat al bestond sinds 1965. Multicultureel theater! Daar kwamen de Tomaatactievoerders echt niet voor op. Pioniers als Rufus Collins (1935-1996) en Henk Tjon (1948-2009) moesten daar na 1969 nog een hoop werk voor verrichten. Een eer die de ex-theaterdirecteur en politicus John Leerdam trouwens in een voor de tentoonstelling gemaakt interview op een nogal gênante manier probeert op te strijken. Het Werkteater dan toch wel! Niks daarvan, dat was al opgericht voordat de Actie Tomaat losbarstte. Meer spraakmakend en grensverleggend toneel uit het buitenland! Ook onzin, want dat was in 1969 al jaren te zien, door de activiteiten van onvermoeibare toneelexploitanten als Ritsaert ten Cate, Sigma-directeur Matthijs van Heijningen en deftige instellingen als het Holland Festival. Meer subsidies voor toneelexperimenten! Neen. Die hadden CRM-minister Marga Klompé en haar ambtenaren al apart gelegd, trouwens meer ondanks dan dankzij het geschreeuw van de activisten. Nee, de Actie Tomaat heeft zijn merkwaardige rol in de cultuurgeschiedenis vooral kunnen bestendigen omdat een aantal ideologen en activisten van destijds een steeds grotere broek gingen aantrekken. Om ideoloog en woordvoerder Paul Binnerts te citeren: het was aanvankelijk een zooitje, die Actie Tomaat. Hij bedoelde: tótdat híj zich ermee ging bemoeien. Maar volgens mij bleef het ook daarna een zooitje.
Een klein maar tekenend voorbeeld. De aanvankelijk wat stuurloze en in ieder geval spontaan begonnen Actie Tomaat kreeg – aldus Binnerts in een dossier over het najaar 1969, onlangs gepubliceerd in het toneelvakblad TheaterMaker (september 2009) – een ‘politiek kader’ door de interventies van de Amsterdamse radencommunist Gerard van den Berg, een werkloze timmerman die in Amsterdam toentertijd overal kon worden aangetroffen where the action was. Toen het stadium van het onrijpe fruit was gepasseerd en er een politiek geladen voorstelling door de Nederlandse Comedie van het podium moest worden weggedemonstreerd (Toller van de schrijver Tankred Dorst, over de tegenstellingen tussen de radicalen en de gematigden in de ‘raden-opstand’ pal na het einde van de Eerste Wereldoorlog in Duitsland) – toen kwam Gerard van den Berg in actie. Aan die voorstelling zaten volgens hem heel erg veel vieze luchtjes (‘burgerlijk toneelgezelschap brengt politiek stuk als geëngageerde schaamlap’ was nog wel het minste) en dat gaf ruimte voor gestaalde denkkaders en gespierde teksten van een echte, politiek georganiseerde arbeider.
De vanwege Tomaat verspreide teksten kregen meteen iets ronkerigs. Het ‘paljasserige radenlikken van de revisionistische kameraad Marius Broekmeyer’ (ga me in godsnaam niet vragen om dát uit te leggen) werd er opeens bijgesleept, evenals de armoedzaaierige gage van zaalouvreuses en schouwburgportiers (tot verontwaardiging van de betrokken ouvreuses en portiers, die erg content waren met hun werk). En geheel naar de tekenen des tijds verscheen het beleid van de Nederlandse Comedie moeiteloos als onderdeel van de samenzwering waartoe ook de hongersnood in Biafra en de napalmbombardementen in Zuidoost-Azië behoorden. Toen ik jaren later in Amsterdam kwam wonen heb ik Gerard van den Berg leren kennen als een mens uit één stuk, zeker, en toen ik bij hem in de buurt woonde hebben we veel ruzie gemaakt en nog veel meer gelachen, absoluut, en tijdens zijn crematie in de Nieuwe Ooster heb ik met verve en met tranen in de ogen de Internationale meegezongen, nou en of. Maar die zogeheten politieke kadrering van de Actie Tomaat waar Gerard van den Berg verantwoordelijk voor zou zijn, dat was natuurlijk enorme kletsika, agitpropkwaadpraat, ideologische kleren van de keizer, waar we later met z’n allen in de linkeruithoek van het toneellandschap nog een hoop last van hebben gehad.

DE TENTOONSTELLING Theater na Tomaat: Veertig jaar theatervernieuwing in Nederland is een nogal forse inhoudelijke déconfiture voor het organiserende Theater Instituut Nederland, dat zich hier presenteert als een veredelde VVV van theaterland. Want de Actie Tomaat representeerde natuurlijk wel degelijk een toneelhistorische botsing van groot belang. Niet alleen in de betekenis die schrijver en regisseur Lodewijk de Boer in 1994 memoreerde, toen de gebeurtenissen in de herfst van 1969 een kwart eeuw achter ons lagen: ‘Van mij zul je geen kwaad woord horen over ouwe acteurs. Het was ook niet mijn generatieconflict. Ik kom uit de muziek en daar bestaat traditioneel een diep respect voor oude meesters.’ Wat de rellen van 1969 verhief boven het niveau van een toneelbinnenbrand was de aard van de toneelspelersgeneraties die hier tegenover elkaar stonden. Het verzet van de Actie Tomaat richtte zich primair tegen de generatie Ellen Vogel, Ank van der Moer, Guus Oster, Han Bentz van den Berg – allemaal eind veertig, begin vijftig toen, toneelspelers die nog hadden gewerkt (en gezucht) onder het oude juk van de declamatorisch-retorische toneelkunst van Rika Hopper, Albert van Dalsum, August Defresne, Cor Ruys en Louis van Gasteren.
Door de oorlog en de bezetting hadden ze de toneelschool niet kunnen doen, of verlaat mogen doen, of veel te snel moeten doen. En ze waren verdeeld geweest door de Kulturkammer van de nazi’s, het wegzuiveren van de joodse toneelspelers, de onderduik, de clandestiene voorstellingen, het kunstenaarsverzet. De droeve veren van ’40-’45, die harde tegenstelling tussen de goeien en de slechten, de bokken en de schapen, hadden ze snel (te snel?) en makkelijk (te gemakkelijk? en ten koste van wat?) afgeschud en met een enorme speeldrift waren ze aan het nieuwe naoorlogse toneel gaan bouwen. Daar stond voor het eerst in de Nederlandse toneelgeschiedenis na 1945 subsidie tegenover. Ten koste van exorbitante quota: aantallen voorstellingen die gespeeld moesten worden, hoeveelheden schouwburgen die bediend moesten worden. Die quota vormden – niet alleen, maar wel mede – er de oorzaak van dat in de toneelfabrieken hun aanvankelijke idealisme verdorde en vermolmde. Vergeet niet dat de Nederlandse Comedie in 1969-1970 nog een speelverplichting had van 480 (!) voorstellingen per seizoen, veertien premières, allemaal in de grote zaal, op reis door het hele land, nagenoeg permanent in twee ploegen.

TIJDENS DE ACTIE Tomaat bezag ik dit alles als een buitenstaander, een kijker, een verliefde toeschouwer uit de provincie, die toen al zes jaar op alle podia die ik kon bereizen toneel zag. Mijn voorkeuren lagen in de rokerige zaaltjes van de Brakke Grond in de Nes en het Sigma Centrum aan de Kloveniersburgwal. Wat we daar te zien kregen was spannender en hersenknersender dan in die grote schouwburgzalen. Maar ik ging daar wel kijken. Dus zag ik in die zes jaar ook alles van de Nederlandse Comedie. En ik zag daar groots toneel, een uit speelplezier en liefde voor de schoonheid en de rauwheid opgetrokken bouwwerk van wereldrepertoire dat ik daar heb leren kennen en leren omarmen. Van de bedoelingen der actievoerders begreep ik als buitenstaander weinig tot niets. Daarover hoorde ik later pas.
Midden in ‘het zooitje’ dat de Actie Tomaat aanrichtte, zag ik bij de Nederlandse Comedie in december 1969 Vrijdag van Hugo Claus in zijn eigen regie, met Fons Rademakers als de uit de gevangenis ontslagen incestpleger, Elisabeth Andersen als zijn vrouw, de jonge Kitty Courbois als zijn dochter en Paul Cammermans als zijn rivaal in de liefde. Een wereldpremière waar we rillend uit kwamen en waar we nog dagen over spraken. Toen ze al aan het omvallen waren, maakten de toneelspelers van de Nederlandse Comedie ook dát toneel. En ik wed dat er veel toneelspelers in de zaal zaten die met de acties sympathiseerden (terecht of ten onrechte, dat doet er niet toe), die keken naar dat toneel en die toen stiekem moeten hebben gedacht: maar dat willen wij ook, niet uitsluitend, maar óók! En die toch de volgende dag de vuisten balden tegen Bentz van den Berg en Oster.
Díe contradictie en de onderstromen ervan, die verwarring ook (want mijn god, wat was het een verwarrende tijd), daarover had ik graag een tentoonstelling gezien. Het is nu vrees ik te laat. Laat de volgende verjaardag van de Actie Tomaat dus maar zitten.

Theater na Tomaat: Veertig jaar theatervernieuwing in Nederland, Amsterdams Historisch Museum, t/m 17 februari 2010