Karl Marx - De nieuwe geschriften en de huidige crisis

Afgestoft en gerehabiliteerd

Na een omzwerving van honderd jaar wordt het verzameld werk van Karl Marx en Friedrich Engels eindelijk wetenschappelijk verantwoord uitgegeven. Deze zomer verschijnen vijf nieuwe delen. Opnieuw blijkt dat Marx allesbehalve een marxist was.

‘DE DOLSTE speculaties in railways, banks, huizenbouw, ongehoorde expansie van het kredietstelsel et cetera’, schreef Karl Marx in augustus 1852 in zijn kenmerkende, summiere stijl aan zijn vriend Friedrich Engels: ‘Is dat niet approaching crisis?’ Enige maanden eerder schreef hij in The New York Tribune, waarvan hij tien jaar lang de Europese correspondent was, dat ‘hoe meer overtollig kapitaal in de industriële productie samenkomt, hoe langer en harder de massa van arbeiders erdoor wordt getroffen’.

Onder de brieven, notities en fragmenten in het archief van Karl Marx en Friedrich Engels bevinden zich meer van zulke teksten die vooruit lijken te wijzen naar de financiële crisis van vandaag. De systematische ontsluiting ervan heeft echter honderd jaar op zich laten wachten. Omdat de ironie van de geschiedenis geen grenzen kent, zijn de meeste stukken tegenwoordig eigendom van een verzekeringsmaatschappij die stevig in financiële derivaten investeert. Sinds 1990 is Reaal Verzekeringen de eigenaar van tweederde van de manuscripten, drukproeven, brieven en kattebelletjes van beide mannen, tot en met de kwaadaardige vrouwengezichtjes die Engels in de marge van drukproeven placht te krabbelen.

De stukken liggen in de kluis van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (iisg) in Amsterdam, dat ze van Reaal in bruikleen heeft. Deze exponent van de laat-kapitalistische graaicultuur gaat overigens voorbeeldig om met zijn bezit. De fotokopieën van alle stukken kunnen vrijelijk worden geraadpleegd en gepubliceerd (de auteursrechten zijn al lang vervallen) terwijl het behoud van de collectie letterlijk en figuurlijk verzekerd is. Voordat het zo ver kwam, heeft de Marx-Engels Nachlaß heel wat landsgrenzen overschreden en ideologische buitelingen doorstaan.

Het begon er al mee dat de eerste bezitters niet geïnteresseerd waren in de inhoud. Na hun dood werden de archieven van Marx en Engels ondergebracht bij de Duitse sociaal-democratische partij, de spd. De sociaal-democratische leiders en ideologen konden het niet eens worden over een passende bestemming, laat staan een integrale uitgave. Ze namen op eigen gezag archiefstukken mee naar huis en publiceerden fragmenten die in hun politieke kraam te pas kwamen. In wezen was het duo al voor de vorige eeuwwisseling blootgesteld aan de ‘knagende kritiek der muizen’, om een metafoor uit Zur Kritik der politischen Ökonomie te gebruiken.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog werd het archief opgekocht door de Centrale Arbeiders Levensverzekerings Maatschappij in Amsterdam. Een van de doelstellingen van deze coöperatie was de bevordering van de culturele belangen van de arbeidersbeweging. De ‘Centrale’ kocht ook archieven van andere voormannen van de Duitse arbeidersbeweging zoals August Bebel, Eduard Bernstein en Wilhelm Liebknecht, waarvan de spd terecht vreesde dat ze onder het Hitler-bewind niet veilig waren, alsmede archieven van gevluchte Russische communisten, Spaanse radicalen en andere linkse activisten en bewegingen die in de jaren dertig in het gedrang kwamen. Al dat materiaal werd ondergebracht in het in 1935 opgerichte iisg.

Drijvende kracht achter deze aankoopstrategie was de initiatiefnemer en eerste directeur van het instituut, de historicus Nicolaas Posthumus. Deze hield rekening met alle eventualiteiten. Terwijl driekwart van Nederland zich omtrent Hitlers bedoelingen in slaap liet sussen, voorzag hij dat Duitsland vroeg of laat zijn buurlanden zou binnenvallen. De Amsterdamse collectie was uniek en voor een deel zeer actueel en mocht onder geen beding in handen van de Gestapo vallen. Na het debacle van München in 1938 was voor Posthumus de maat vol. Hij opende een dependance in Oxford en liet het belangrijkste materiaal daarheen overbrengen.

Het had weinig gescheeld of de Marx-Engels-collectie was in Rusland terechtgekomen, vertelt iisg-curator Huub Sanders: ‘De spd opereerde na 1933 vanuit Praag, daarna Parijs en ten slotte Londen. De leiding liet zo veel mogelijk archieven overbrengen naar Praag en gedeeltelijk ook naar Kopenhagen. Een hachelijke onderneming. Een deel van het materiaal moest in behangrollen over de grens worden gesmokkeld. De partij in ballingschap had echter enorm geldgebrek. In arren moede besloot men de archieven van de hand te doen. De Marx-Engels-collectie wilde men verkopen aan Moskou. Het geeft wel aan hoe wanhopig de Praagse ballingen waren. De relatie met de Russische communisten was buitengewoon slecht omdat ze de sociaal-democraten in de jaren dertig op alle gebieden hadden tegengewerkt en als “sociaal-fascisten” verketterd.’

Toch was er een precedent. De eerste die een poging had gedaan tot een volledige uitgave van de manuscripten van Marx en Engels was David Borisovitsj Goldendach, een Russische communist die in de tsarentijd de schuilnaam Riazanov had aangenomen. De autodidact Riazanov had opzien gebaard binnen de Russische communistische beweging door een theorie van de ‘permanente revolutie’ te verkondigen die later door Trotski werd uitgewerkt. Maar hij was vooral geobsedeerd door de tekstuele nalatenschap van Marx en Engels. Als balling in Londen had Riazanov zich in het British Museum ingegraven en knipsels en afschriften verzameld van alle artikelen en ingezonden brieven die zijn helden aan de Angelsaksische pers hadden afgescheiden. In het revolutiejaar 1917 wist hij die verzameling zelfs gepubliceerd te krijgen, hetgeen hem de titel van ‘marxistisch archivaris’ bezorgde.

Deze Riazanov stichtte in 1921 het Marx-Engels Instituut in Moskou en legde de basis voor een 42-delige uitgave van het verzameld werk. De druk werd uitbesteed aan uitgevers in Frankfurt am Main en Berlijn. Riazanovs Marx-Engels-Gesamtausgabe bevatte onder meer teksten als de Öko­nomisch-philosophische Manuskripte (1844) en Die Deutsche Ideologie (1845-46). Er rustte echter geen zegen op zijn onderneming.

‘Niet de machtsovername door Hitler, maar de Stalin-terreur van de jaren dertig maakte er een einde aan’, zegt Gerald Hubmann, curator van de Berlin-Brandenburgische Akademie der Wissenschaften die deze dagen de volledige, tekstkritische uitgave van de nalatenschap bezorgt. ‘De Russische dictator wilde zijn eigen uitgave verzorgen om zijn ideologische positie te versterken. Passages in Marx’ geschriften over de noodzaak van de vrijheid van meningsuiting en andere explosieve kwesties kwamen daarbij absoluut niet van pas. Omdat ze zulke teksten tegen Stalins zin toch publiceerden, werden Riazanov en andere medewerkers van het Moskouer instituut ontslagen, uit de partij gegooid en uiteindelijk vaak vermoord. Riazanov werd in 1938 na een schertsproces als “trotskistisch landverrader” doodgeschoten.’

In datzelfde jaar kreeg iisg-directeur Posthumus lucht van de onderhandelingen tussen de Duitse sociaal-democraten in ballingschap en Moskou. Opnieuw toonde hij een vooruitziende blik. Niet alleen in Berlijn, ook in Moskou zou het archief ontoegankelijk voor onderzoekers zijn. En ook daar zou het onderhevig zijn aan manipulatie, ditmaal door autoriteiten die zich directe opvolgers van Marx en Engels waanden. Posthumus wist bij de Centrale geld los te peuteren, kocht het Marx-Engels archief en liet het naar Oxford verschepen. Daar lag het gedurende de oorlog veilig achter slot en grendel.

Na de behouden terugkeer van de verzameling in Amsterdam trachtte het Oostblok alsnog de erfenis naar zich toe te trekken. De diverse Sotsjinenija (‘Complete werken’) die het Moskouer Marx-Engels Instituut uitgaf, waren eenzijdige bloemlezingen. De lezer zocht tevergeefs naar Die auswärtige Politik des russischen Zarentums, een serie dagbladartikelen van Engels over tweehonderd jaar tsaristische buitenlandse politiek. Die politiek bleek pijnlijke overeenkomsten te hebben met Stalins beleid van ‘socialisme in één land’. De militair-historische verhandelingen van Engels, die weinig complimenteus waren voor het Russische krijgswezen, ontbraken eveneens.

De Oost-Duitsers bezorgden tussen 1956 en 1968 een eigen uitgave, maar hun Marx Engels Werke waren gemodelleerd naar (en soms letterlijk overgenomen van) de Sotsjinenija. De 41 delen waren topzwaar dankzij de lange introducties waarin de lezer werd voorgekauwd hoe hij de teksten moest interpreteren. Ze bevatten als extraatje weliswaar 4170 brieven van Marx en Engels aan tijdgenoten, maar niet de rond tienduizend brieven van die tijdgenoten aan hen, zodat de vereiste context ontbrak. Vroege teksten als de Ökonomisch-philosophische Manuskripte waren weggelaten en werden pas na jarenlange protesten als afzonderlijke band toegevoegd.

Intussen bestond er in het Westen nauwelijks belangstelling voor de oorspronkelijke geschriften, hoewel die in Amsterdam voor het grijpen lagen. ‘Niet alleen de Bondsrepubliek bleef in gebreke door nooit een serieuze uitgave te overwegen. Dat gold ook voor Nederland waar tweederde van het materiaal berustte of voor Groot-Brittannië waar Marx een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht’, zegt Hubmann.

‘Het is eigenlijk bizar dat een zo belangrijk archief gedurende een eeuw niet fatsoenlijk kon worden ontsloten en uitgegeven’, beaamt curator Huub Sanders. ‘Anderzijds is dat wel begrijpelijk. Het komt niet doordat het morsdood was, maar doordat zoveel partijen het voor zichzelf wilden claimen.’ Het gevolg was dat de laatste Oost-Europese versie, de Marx-Engels-Gesamtausgabe (mega), als vanzelf de gouden standaard werd. ‘Generaties belangstellenden, ook in het Westen, zijn ermee opgegroeid’, zegt Hubmann. ‘En hoe onvoorstelbaar het ook klinkt, het waren soms Duitse vertalingen uit het Russisch – alsof er geen oorspronkelijke Duitse teksten bestonden. Het stond onverbloemd op de achterkaft: vertaald uit het Russisch.’

De uitgave van het materiaal blijft ook nu nog een moeizaam karwei. Er is namelijk geen sprake van min of meer afgeronde teksten. Toen Karl Kautsky hem in 1881, twee jaar voor zijn dood, vroeg of het geen tijd werd zijn boeken integraal uit te geven, antwoordde Marx: ‘Dan zou ik ze eerst eens moeten schrijven.’ Bijna de hele collectie bestaat uit onafgemaakte manuscripten, notities en aanzetten of plannen voor boeken, die de heren dan weer in talloze brieven aan vrienden voorzagen van – soms zeer belangwekkend – commentaar. Onder de archiefstukken bevinden zich alleen al tweehonderd notitieboekjes van Marx vol samenvattingen – afwisselend in het klassiek Grieks, Latijn, Duits, Engels, Frans, Italiaans, Russisch en Spaans geschreven – van boeken die hij had gelezen. Die samenvattingen en de commentaren die hij erbij schreef laten zien met welke onderwerpen hij zich bezighield en soms ook wat zijn bedoelingen ermee waren.

deze zomer verschijnen vijf nieuwe delen van de serie. De publicatiedatum is nog niet bekend, maar het manuscript gaat over enkele weken naar de drukker. ‘Ik waarschuw maar vast, het staat vol met botanische tekeningen en natuurkundige notities’, lacht Hubmann. Degenen die dachten dat Marx in de eerste plaats filosoof, econoom of politiek activist was, zullen moeten erkennen dat hij in de eerste plaats een veelzijdig onderzoeker was, misschien wel de grootste universele Duitse geleerde na Leibniz. Op het laatst van zijn leven, toen de hele arbeidersbeweging zijn naam op de lippen had en zijn pamfletten van Detroit tot Calcutta werden gelezen en becommentarieerd, ontplooide Marx een brede, om niet te zeggen encyclopedische belangstelling voor heel andere onderwerpen: biologie, geologie, zelfs de eerste ontwikkelingen in de kernfysica.

De baanbrekende studies van Lothar Meyer over het periodiek systeem, van de grondlegger van de fotochemie Henry Roscoe, van botanicus Carl Fraas – Marx heeft ze allemaal durch­geackert. Hij was vooral een groot liefhebber van de wiskunde. De studie van mathematische problemen, schreef hij, was zijn ‘laatste toevlucht’ wanneer financiële en persoonlijke verwikkelingen hem boven het hoofd dreigden te groeien. Die intellectuele nieuwsgierigheid won het steevast van zijn doctrinaire neigingen, meent Hubmann: ‘Marx wilde geen “isme” stichten. Hij was allesbehalve een marxist, zoals hij ooit zei. Uit de economische teksten verrijst bijvoorbeeld een andere Marx dan de politieke econoom die we menen te kennen van Das Kapital. We wisten al dat hij alleen het eerste deel van dat boek zelf heeft geschreven. De delen twee en drie zijn postuum bezorgd door Engels, die daarvoor een selectie maakte uit de handschriften waarover hij beschikte. Over die handschriften beschikken wij nu ook. En we moeten concluderen dat Engels – waarschijnlijk met de beste bedoelingen – de plank flink missloeg.’

‘Engels is een tikkeltje te wild geweest’, beaamt Marcel van der Linden, onderzoeks­directeur bij het iisg. ‘Marx had het schrijfplan voor het boek opgesteld, maar stuitte bij het uitwerken van deel twee en drie op grote problemen.’ Eigenlijk moest het eerste deel ook helemaal over, schreef Marx aan Russische vrienden. ‘Een diep-tragisch moment’, meent redacteur van de nieuwe uitgave Karl-Erich Vollgraff. ‘Je zou kunnen zeggen dat Marx de moed verloor, dat hij twijfelde aan zijn levenswerk.’ De belangrijkste kwestie waar hij niet uitkwam was de vraag of de ondergang van het kapitalisme onvermijdelijk was.

Engels stuurde daar in zijn postume reconstructie juist op aan. Zo kon het gebeuren, schrijft de Italiaanse Marx-kenner Marcello Musto, dat Marx’ leer van een Kritik veranderde in een Weltanschauung. Dat gebeurde deels onder druk van de concurrentie. Nog tijdens Marx’ leven werd zijn werk naar voren geschoven als aanvulling of zelfs als synthese van het positivisme en het sociaal-darwinisme, twee stromingen die bij uitstek deterministisch waren. Het socialisme, zo meenden veel aanhangers, kon bij dat burgerlijke determinisme niet achterblijven. Na Marx’ dood klopten zij ongeduldig aan bij Engels met de vraag waar het vervolg van Das Kapital bleef en vooral het bewijs dat de kapitalistische orde onvermijdelijk moest instorten. Sommigen waren ervan overtuigd dat zich ergens in Marx’ papieren een wiskundige formule voor de ondergang van het kapitalisme moest bevinden.

Omdat zijn ogen te slecht werden om de handschriften nog te kunnen lezen, dicteerde Engels het laatste deel uit het hoofd aan zijn secretaris Oskar Eisengarten. Daarin liet hij zijn oude vriend alsnog ‘bewijzen’ dat het socialisme een wetenschappelijke grondslag had, vergelijkbaar met de natuurwetenschappen. De klassenloze maatschappij werd als onvermijdelijk einde van de geschiedenis voorgesteld, de methode van het dialectisch en historisch materialisme tot dogma verheven. Marx zou dat niet hebben onderschreven, meent Musto. ‘De geschiedenis doet niks’, had hij in 1845 geschreven in Die Heilige Familie: ‘De geschiedenis is niet, om zo te zeggen, een afzonderlijke persoon die gebruik maakt van de mens om zijn doelen te bereiken; de geschiedenis is niets anders dan de activiteit van mensen die hun eigen doeleinden nastreven.’ Overigens viel Engels later hetzelfde lot ten deel; zijn tekst Die Rolle der Gewalt in der Geschichte werd door de Duitse sociaal-democraat Bernstein zo verwrongen uitgegeven dat er van het origineel weinig overbleef.

Pas na de val van de Muur in 1989 werd het mogelijk de teksten verantwoord uit te geven, maar om politieke redenen lagen de fondsen niet voor het oprapen. In toonaangevende Duitse kranten werd de spot gedreven met de ‘mega-lomanie’ en een minister van het nieuwe, herenigde Duitsland riep in een opwelling: ‘Marx is dood en Jezus leeft!’ De internationale kring van Marx-deskundigen en historici van de arbeidersbeweging liet zich niet afschrikken. Het iisg sloeg de handen ineen met het Karl Marx Huis in Marx’ geboorteplaats Trier, de Friedrich Ebert Stichting van de spd en het Russische Staatsarchief voor Sociaal-Politieke Geschiedenis in Moskou. Gezamenlijk richtten ze de Internationale Marx-Engels-Stichting (imes) op, die zorg moest dragen voor een heruitgave op moderne taalkundige en historisch-kritische leest. Sindsdien werken op de Berlin-Brandenburgische Akademie Wessi’s en Ossi’s, ondersteund door een grote internationale wetenschappelijke staf, broederlijk samen aan wat in vakkringen de mega2 is gaan heten. Uitgever is de gerenommeerde Akademie Verlag die ook Aristoteles, Wilhelm Leibniz, Ludwig Feuerbach en Heinrich Heine uitgeeft. Eindelijk verkeert het duo in goed gezelschap.

Van de geplande 114 delen zijn er nu zestig verschenen, waaronder alle manuscripten en notities die betrekking hebben op Das Kapital. De resterende delen zullen alle overige brieven, notities en voorstudies van beide mannen bevatten. En die afdelingen zijn heel wat omvangrijker dan de eerste twee. ‘Samenvattend moet je zeggen dat Marx veel breder georiënteerd en veel buigzamer in zijn denken was dan in het Oostblok en ook lange tijd in het Westen is verkondigd’, aldus Hubmann. ‘De zogenaamde bijbel van het historisch materialisme, Die deutsche Ideologie, bestond in die vorm niet eens. Het was een samenraapsel van fragmenten waarin Marx en Engels tijdgenoten als Ludwig Feuerbach, Max Stirner en Bruno Bauer kritiseren. Helemaal aan het eind maakten ze enige aantekeningen over “Zijn en bewustzijn” die ze echter nooit hebben gepubliceerd. Het “marxisme” heeft die teksten gecanoniseerd zodat het leek of Marx meende dat de economische onderbouw van een samenleving – het geheel van de bezits- en productieverhoudingen in de maatschappij – bepaalt hoe mensen denken, wat ze geloven, hoe ze zich zullen gedragen.’

Marx maakte op het eind van zijn leven een studie van de rol van aandelen in de kapitalistische economie. ‘Aanzetten daartoe vind je al in het eerste deel van Das Kapital’, zegt Van der Linden. ‘Marx schrijft daar dat de cyclische crises van het kapitalisme altijd beginnen in de financiële sector.’ In latere fragmenten kent hij een bijna autonome rol toe aan het speculatieve kapitaal. ‘Hij verzamelde gegevens over de Amerikaanse spoorwegen, over de functie van het aandelenkapitaal in de Amerikaanse economie en de wijze waarop de reële economie toenemend afhankelijk werd van krediet’, aldus Hubmann. ‘Dat zou je kunnen beschouwen als een voorspelling van de hedendaagse financiële crisis, maar dan trap je weer in de val van het determinisme. Marx beschreef en analyseerde, hij pretendeerde niet onomstotelijke wetmatigheden bloot te leggen.’

Het laatste deel van de mega2 moet in 2015 verschijnen, maar de samenstellers en auteurs komen tijd en handen te kort. ‘Je moet er niet aan denken dat we net als in Stalins tijd halverwege blijven steken’, zegt Hubmann. ‘Als de financiering straks onverhoopt stopt, weten we allemaal wat er gaat gebeuren’, zegt Sanders. ‘Dan wordt de rest op het web gezet. Het iisg is al enkele jaren geleden begonnen met het digitaliseren van zijn complete collectie.’ Het contract tussen het iisg en Reaal, de rechtsopvolger van de ‘Centrale’, is in 2008 vernieuwd en daarbij is afgesproken dat de gehele collectie digitaal beschikbaar wordt gesteld. Dan zal dankzij de moderne techniek elke snipper voorgoed aan de kritiek der muizen ontrukt worden, maar toch weer grotendeels zonder context blijven.

Met enige goede wil zou je die uitkomst dialectisch kunnen noemen. Marx is door zoveel nare regimes en antidemocratische bewegingen opgeëist dat hij na de val van de Berlijnse Muur bij het historisch grofvuil werd gezet. Nu hij weer te voorschijn wordt gehaald in verband met de wereldwijde financiële crisis blijkt hij een ander te zijn geweest dan we altijd dachten. Of die ‘nieuwe’ Marx alsnog voor politieke doeleinden bruikbaar is, mag iedereen zelf weten. Misschien bevatte zijn late bekering tot de natuurwetenschappen wel zijn belangrijkste boodschap aan de mens. Wie de wereld wil veranderen, zal moeten weten hoe deze is ontstaan, hoe de mens als soort zich heeft ontwikkeld en wat zijn natuurlijke mogelijkheden en begrenzingen zijn. Kortom, de eerste taak van een materialist is diepgaand onderzoek van de materie. Zoals hij al in Die Deutsche Ideologie schreef: ‘Zonder de exacte wetenschappen is filosofie niet meer denkbaar.’