Afgetrapte opinies

PETER DREHMANNS
SOMS SLOOT IK MIJN OGEN
Contact, 239 blz., € 21,95

WILLEM VAN ZADELHOFF
VUUR STELEN
Meulenhoff/Manteau, 237 blz., € 22,50

‘Het begon allemaal met de telefoon.’ Je moet maar durven om met een dergelijk verpletterend cliché je roman te beginnen. Drehmanns durft, dat moet je hem nageven. Aan het woord is Nisha Bijlsma, kapster in Friesland, voormalig adoptiekind uit India en het eigenaardige is dat de ironie van de eerste zin verder als stijlvorm niet is uitgewerkt. Er valt in dit boek weinig tot niks te relativeren of te lachen, wat me steeds meer dwars begon te zitten. Zo ken ik het werk van Drehmanns niet. Verdorie, al die ernst, en echt goed aflopen doet het ook al niet.
Maar goed, Nisha onderneemt een zoektocht naar haar vader in India, riksjarijder en souteneur, en wordt daarbij geholpen door een ‘ghostwriter’ die met haar meereist en verslag uitbrengt. We lijken beland te zijn in een aflevering van Opsporing verzocht: de vergeefse zoektocht, de verkeerde tips, de doodlopende contacten, de nieuwe hoop, de niet nagekomen afspraken, de oplichterij et cetera. Met daarbij uitvoerige staaltjes India-beschrijving die wel overtuigen maar toch niet veel verder komen dan de bekende beelden van verrotting, viezigheid, stank en armoede. En Kolkata (Calcutta) blijkt een stad te zijn waar het nou nooit eens prettig rustig is, zodat de verteller rondloopt met gele sponsjes in zijn oren die ook niet helpen. ‘Nee, hooguit dempten ze enigszins het scherzo furioso van toeterende taxi’s, tetterende radio’s, rinkelende fietsbellen, roepende riksjamenners, raaskallende raven, brullende bussen en knarsende suikerrietpersen.’
Dit type beschrijvingen laat zien dat Drehmanns van schrijven geniet en er wat van kan, maar het lijdt ook sterk aan een vorm van exotisme waar Edward Said het treffende begrip ‘oriëntalisme’ voor introduceerde. Toegegeven, die ‘ghostwriter’ functioneert in de roman als rare toerist, maar de schrijver geeft geen tegenbeelden die zijn opvattingen in een ander licht zetten of minstens ironiseren. In eerder werk gaf Drehmanns zijn personages nog wel eens boosaardige karaktertrekken mee, de invloed van Céline was altijd evident. Maar nu werkt hij met tamelijk eendimensionale positieve karakters. Hij maakt duidelijk dat hij erg meeleeft met de tragische kapster, haar zet hij in een mooi licht, maar bij mij ontstond niet dat plechtige en vaak ook erg (zelf)bevredigende gevoel van empathie dat dit soort personages bij lezers behoort op te roepen. Ja, voelde ik mezelf denken, het is niet prettig in India, waar heb ik dat eerder gelezen, dat meisje is erg mishandeld, het is een schande, er moet iets gebeuren, maar tegelijkertijd trok ik er maar eens gezellig een zak chips bij open. Ik bedoel, kapster Bijlsma zette me niet aan het verbazen, aan het peinzen, aan het verlangen, en vooral om dat laatste zou het moeten gaan in literatuur.
In Vuur stelen pakt Willem van Zadelhoff het volstrekt anders aan, al is ook bij hem het maatschappelijk debat niet al te ver weg. In zijn beproefde kale, documentaire stijl, die vooral in zijn eerdere roman Een stoel prachtig slaagde, introduceert hij de toneelwereld uit de jaren zeventig. Hij zoemt in op voormalig theatermaker Bob Moreno, net vrijgelaten uit de gevangenis, die erover peinst weer contact op te nemen met Hugo Maris, met wie hij in de jaren zeventig successen vierde en die nu met verve de rol van Bekende Nederlander speelt. Bij Van Zadelhoff geen uitvoerige beschrijvingen, geen statements, geen zware reflecties, maar puntige observaties van de toneelwereld van die tijd die weliswaar objectiverend van toon zijn, maar ook een licht ironiserende visie bevatten. Opkomst en ondergang van theaterambities, dat staat in deze roman centraal. Hoe was het vroeger, hoe ging het en wat is er allemaal terechtgekomen van de dromen?
De schrijver is erin geslaagd met Bob Moreno een interessant personage neer te zetten waarbij zijn ingehouden stijl voortreffelijk werkt. Maar zijn werk kent ook nadelen. Van Zadelhoff kijkt duidelijk kritisch terug op de theorie en vooral de praktijk van het theater van de jaren zeventig. In een entr’acte maakt hij gehakt van allerlei nauwelijks uitgewerkte populistische marxistische ideeën die destijds furore maakten, zonder erg precies te worden. Brecht moet er uiteraard aan geloven. En het is natuurlijk wel aardig om weer eens het idee belachelijk te maken dat theater een wapen is in de klassenstrijd. Maar gemakzuchtig is het ook. Achteraf gelijk hebben en krijgen is verrekte makkelijk, maar daarmee heb je nog geen interessant drama of een stralend en wonderbaarlijk boek. Wel moet je dan in zee gaan met van die semi-grappige verhalen over marxisten uit die tijd.
Van Zadelhoff zou niet moeten toegeven aan dit soort mythes en dit soort hyperbolen die meer over hemzelf zeggen dan over die periode. ‘Uit de toon waarop hij had gesproken, kon je alleen maar opmaken dat de behoefte om te willen amuseren zeer verachtelijk was. Misdadig zelfs. Misdadig tegenover al die miljarden arbeiders die zich wereldwijd van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat afbeulden in grauwe fabrieken.’
Op het ogenblik zie je in de Nederlandse literatuur wel meer teruggeblikt worden op die vermaledijde jaren zestig en zeventig. Er moet afgerekend worden. Wat was het toen allemaal fout! Dat we dat niet zagen! Dat vind ik natuurlijk ook, omdat ik achteraf ook gelijk wil hebben en het al lang heb, maar tegelijkertijd weet ik zeker dat je met dit soort afgetrapte opinies, of ze nu ironisch of dramatisch zijn verpakt, nooit, maar dan ook nooit een vlammend en schitterend boek krijgt. Geef mij het ongelijk van de verdrukten! Geef mij de wanhoop van de gelovigen! Geef mij het gewroet in het donker!