Afghanistan in Den Haag

Vorige week heeft de secretaris-generaal van de Navo, Anders Rasmussen, er bij Nederland opnieuw op aangedrongen militair in Afghanistan te blijven. Vier maanden geleden heeft hij dat ook gedaan. Toen is het kabinet gevallen. Waarom heeft hij juist nu zijn verzoek herhaald? Wordt er bij de Navo gedacht dat daardoor de formatie zal worden beïnvloed? Wordt er daar vanuit gegaan dat de Nederlandse kiezers dusdanig door het voetballen zullen worden betoverd dat ze weer ontvankelijk zullen worden voor deze internationale roeping, of juist niet eens zullen merken dat er nog een Afghaans probleem bestaat? Je weet niet wat er in het hoofdkwartier van de Navo gedacht wordt. In ieder geval is dit niet het beste ogenblik om Den Haag met zo'n vraag lastig te vallen. Zolang de formatie duurt, kun je het onwelwillend uitleggen als een poging tot inmenging in binnenlandse aangelegenheden.
Maar bekijken we het objectief. De Navo wil dat Nederland na het definitieve vertrek van de troepen uit Uruzgan aan een nieuwe missie begint. We zouden 450 man moeten sturen om de Afghaanse strijdkrachten op te leiden. Het is niet uitgesloten dat daarmee een lokaal succes wordt behaald, wat dan weer een reden zou zijn om die missie te verlengen, zoals dat eerder gebeurde. En daarmee zouden we dan onze fundamentele vergissing herhalen. In onze binnenlandse politiek en voor de publieke opinie is voortdurend de indruk gewekt dat Nederland met zijn aanwezigheid als leidende natie in Uruzgan bezig was binnen het grotere kader van de internationale solidariteit een bilateraal probleem op te lossen. En altijd hebben we te horen gekregen dat we, met het slaan van waterputten en het bouwen van scholen, op de goede weg waren.
In werkelijkheid zijn we voortdurend een kleine deelnemer in een groot complex geweest dat onafhankelijk van onze aanwezigheid steeds ingewikkelder is geworden. Bijna negen jaar na het begin van de oorlog is na talloze ups en downs de Taliban niet verslagen maar in grote delen van het land sterker dan ooit. Het grensgebied met Pakistan waar de vijand zijn uitvalsbases heeft, is voor de westelijke strijdkrachten vrijwel ontoegankelijk. De Pakistaanse geheime dienst wordt ervan verdacht met de Taliban samen te werken, maar het fijne weten we er niet van, en er is geen westelijke macht die dit kan verhinderen. Kort na zijn aantreden heeft president Obama verklaard dat uiterlijk eind volgend jaar de terugtrekking van de Amerikaanse troepen moet zijn begonnen. Maar eerst kwam nog de surge, de dertigduizend man extra onder bevel van generaal McChrystal. Het stadje Marjah werd gezuiverd, nu gebeurt hetzelfde met het veel grotere Kandahar. Een succes? Deze week wordt in een rapport aan de Veiligheidsraad gemeld dat het geweld ‘fors’ is toegenomen: het aantal moordaanslagen op ambtenaren met 45 procent, en het aantal bermbommen met 95 procent.
Tot zo ver de militaire kant. Het Westen is ook bezig met de politieke opbouw. Na de door corruptie geïnfecteerde verkiezingen waarbij Karzai tot president werd herkozen, zijn de aanvaringen met het staatshoofd praktisch dagelijks nieuws geworden. Er is geen beter alternatief in zicht, maar Karzai als hoeder van de ontluikende democratie? Vraag Uri Rosenthal en onze kandidaat-bewindvoerders of ze daar vertrouwen in hebben. Zo omzeil je de kwestie van de verlengde militaire aanwezigheid, terwijl je toch een belangrijk punt op de agenda zet, per slot van rekening het enige nationale vraagstuk dat mensen het leven kan kosten.
Vorige week is een nieuw aspect van het vraagstuk in de publiciteit gekomen. Afghanistan is rijk aan bodemschatten! Koper, ijzer, kobalt, goud, en lithium, dat in batterijen en je laptop zit. Het is oud nieuws. Twee jaar geleden waren er ook al zulke berichten. De vraag is of de Afghanen blij moeten zijn met deze rijkdom. De ervaring leert dat in zo'n onderontwikkeld land zich dan, bij een redelijke mate van veiligheid al vlug buitenlandse ondernemingen aandienen die met medewerking van de plaatselijke machthebbers deze rijkdom in exploitatie nemen. Bij gebrek aan democratische controle wordt deze elite ongelooflijk rijk terwijl het volk in een nieuw soort dictatuur dom wordt gehouden. Op een enigszins andere manier is Saoedi-Arabië een voorbeeld. Gesteund door de export vestigt zich onwrikbaar de dictatuur.
Terwijl in Afghanistan het ene probleem het volgende baart, wachten de thuisfronten van de bevrijders vergeefs op het telkens weer beloofde succes. Dat geduld heeft zijn grenzen en bovendien zijn er andere steeds dringender wordende vraagstukken. Amerika heeft nu zijn olielek, het hele Westen zijn onopgeloste economische crisis. Voor de publieke opinie wordt Afghanistan verder naar de marge gedrongen. De Taliban krijgen steeds meer invloed in de westelijke hoofdsteden. Een onverwacht succes waarop deze strijders niet hadden gerekend. Ze hebben het te danken aan onze combinatie van ondeskundigheid en zelfoverschatting. Twee factoren die elkaar in stand houden. Dat maakt Afghanistan op het ogenblik tot een hopeloos probleem.