Recensie

Afgronden van taal

Willem Frederik Hermans
Volledige werken 7
Bezorging en commentaar: Huygens Instituut der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

De Bezige Bij en Van Oorschot.Publiekseditie, 713 blz., 35,-

Wie de vroege verhalen van Willem Frederik Hermans achter elkaar herleest – dankzij de voorbeeldige bundeling in Volledige werken 7 van Moedwil en misverstand, Paranoia en Een landingspoging op Newfoundland – kan zich verbazen over zijn scherp anti-ideologische venijn, zijn ogenschijnlijke nihilisme, zijn ongebreidelde experimenteerlust, zijn weldadig antirealisme en magisch surrealisme en zijn consistente wantrouwen tegen de taal. Die eigenschappen van zijn proza tussen 1941 en 1957, deels geïnspireerd door Slauerhoff (Schuim en as), Bordewijk (Fantastische vertellingen en Huissens) en Camus (De vreemdeling) maar vanaf het prille begin typisch hermansiaans, zorgen ervoor dat wfh een halve eeuw later nog steeds markant, tegendraads, modern en actueel is. Het zijn oorspronkelijke verhalen en novellen zonder omhaal van woorden, met treffende beelden en met ongekende persoonlijke inzet geschreven. Voor Hermans waren verhalen doeltreffende wapens van klein kaliber en betekende schrijven met scherp schieten. Het lezerspubliek naar de mond praten en hun illusies in stand houden was hem een gruwel. Hij wilde opschrijven wat niemand wilde of durfde denken of dromen. Hij streek tegen de haren in, uit overtuiging. Als polemist lag hij dwars, maar als prozaïst en romancier bleek hij ook een consequente spelbederver en verstoorder van de «lieve vrede».

Een ontvoogding, het in «Mesopotamië» spelende verhaal dat Hermans als negentienjarige in april 1941 schreef, bevat al veel kenmerken van de latere Hermans. Bahloul uit Aleppo is de zoon van een pottenbakker die op school meer stokslagen dan kennis vergaart. Dit zwarte schaap van de familie mislukt als pottenbakker. Hij, een potentiële total loss, lijkt zijn eigen mislukking zelfs te zoeken, ook al omdat berekenend gedrag hem vreemd is. Bahloul gaat bij het leger, zoals Lodewijk Stegman in Ik heb altijd gelijk, en vindt een nieuwe vaderfiguur: Mohammed. Zoals Henri Osewoudt in De donkere kamer van Damokles niet zonder Dorbeck kan, zo is Bahloul zonder Mohammed niets. Hij mag de vriendin van Mohammed «lenen», maar verraad en vadermoord liggen op de loer. Verblind, zoals zoveel Hermans-figuren, wurgt Bahloul Mohammed, en daarmee zijn eigen geweten. Zijn leven, dat hij niet naar eigen hand kan zetten, wordt een puinhoop. Mohammed had dat voorzien: «Bij alles wat men nastreeft, weet men wat het is; alleen wie de mislukking beoefent weet het niet.» Dat onbewuste streven is kenmerkend voor het Hermans-personage. Wie iemand is of wordt, hangt af van waar hij zijn best voor doet (zegt iemand in Het fossiel in Een landingspoging op Newfoundland). Maar waarvoor moet iemand precies zijn best doen als de visie op de werkelijkheid vals is, de blik alleen vertekende beelden oplevert en het gehoor door luide innerlijke stemmen verstoord wordt? Wat betekent dan werkelijkheid, en welke woorden passen daarop?

Bij Hermans hangt er steevast een waas tussen waarneming en wereld. Al in het verhaal Inferno uit 1943 – de beschrijving van een woeste autorit ten tijde van oorlog en bombardementen – duikt de omschrijving op die Hermans een halve eeuw later als boektitel zal gebruiken: «Het was bijna avond en de mist van het schimmenrijk was uit het hele landschap opgerezen en rustte allerwegen op beemd en bos. Waar wij reden, ik weet het niet meer. Zo weinig heb ik erop gelet.» In de moderne sage Atonale (1942) is er in een mijngebied vol bruinkool en briketten sprake van een «chaos van geluiden, nevels, schaduwen, bewegingen, het vege afval van een geordend geheel». En Cleever, de geïsoleerde en belaagde zolderkamerhuurder in Hermans’ novelle Paranoia, is de vleesgeworden hyperwaan die niet meer goed kan zien en horen door alle vertroebeling in oog, oor en geest (kersepit). Hoewel hij «één kolossaal cylindrisch oog als een glanzende reclamezuil» lijkt, schampt zijn blik langs de mensen en de dingen. Cleever ziet louter wat zijn vertroebelde innerlijk hem dicteert. Hij lijkt door afbraak omringd, en dat is deels waar, maar de ergste stoorzender zit in Cleevers eigen hoofd, al is hij zich daar natuurlijk niet van bewust: «Hij was door taaie rook omringd, door stof en dichte nevels van pluizen.» Een machine kan dan wel «es-esser, es-esser» sissen, dat betekent nog niet dat er een verband bestaat tussen dat toevallige geluid en het oorlogsverleden van Cleever. Wie die link wel legt, schept een systeem dat de chaotische, grotendeels willekeurige realiteit valselijk ordent. Het resultaat: waas, waan en bedrog.

Het oncontroleerbare gevoel – haat, woede, rancune, jaloezie, medelijden, moordzucht of liefde, die «schimmel waar geen koelkast tegen baat» (Atonale) – zou vervangen of uitgebannen moeten worden. Dat verlangen wordt meer dan eens verwoord in Volledige werken 7_:_ de chemisch laborant Varenhijt in Atonale, een pseudo-goddelijke schepper die de tijd en zichzelf niet op orde en in de hand heeft en slechts een radertje in een grote tijdmachine blijkt, ziet de mens als een klok, als een secondewijzer die draait, als een machine. Menselijke machines zijn gevaarlijker dan machines, want door hun potentieel onbeheersbaar gedrag onberekenbaarder. Niets weten en ánders voelen als wenkend perspectief. In Paranoia verlangt Cleever met gesloten ogen – blind als een blinde fotograaf, niet kijkend maar wel «ziend» met een innerlijk oog – naar een universum dat hij met een soort zesde zintuig voorbij het ruiken, voelen, horen, proeven of zien kan waarnemen. «Het waren noties van vage, slangachtig in elkaar gekronkelde massa’s, grauw, walgelijk en glanzend, of soms van afgrijselijk gladde, dof-witte oppervlakken.» Al aan het begin van Inferno wordt een verlangen geformuleerd naar een anders gevormde wereld zonder geluid, stilte, licht of duisternis, kou noch warmte. «Maar waar men andere gewaarwordingen heeft; waar de verst ontwaakten (nooit meer slapen? – gb) iets anders ondervinden… men zou een nieuw woord moeten bedenken… een r e e k s nieuwe woorden, een geheel andere taal…»

De taal is het materiaal van de schrijver, en niet de werkelijkheid. Vanaf zijn eerste verhaal, en nog vóór zijn ontdekking van Wittgenstein, is Hermans zich daarvan zeer bewust geweest. En daarom is Hermans nog steeds zo leesbaar en zo actueel. De taal is eerder stoorzender dan een geschikt instrument om rede en gevoel helder over te brengen. Wie alle woorden – of die nu afkomstig zijn uit de politiek, de literatuur of de filosofie – voor zoete koek slikt is niet kritisch genoeg en dient zich in wantrouwen te oefenen.

In Lotti Fuehrscheim, dat de bundel Paranoia afsluit, duikt Wittgensteins naam voor het eerst op. Lotti Fuehrscheim is een meisje dat gezocht wordt door de emigrant Bernard, die verstrikt raakt in zinloze verbanden tussen woorden (Absalom-kapsalon, kersepit, kersenpit). Ook de betekenis van haar naam wil hij ontsluieren. Het lukt niet. Bernard voelt haar wel maar «ziet» haar niet. Lotti voorspelt hem dat hij haar nooit meer zal zien en dat er een tijd zal komen dat hij haar ook niet meer kan voelen en dan juist wel vragen aan haar heeft. Maar dan kan zij niet meer antwoorden omdat ze in een ander universum verkeert waar woorden alleen gevoeld kunnen worden. «Maar de woorden die ik dàn zal spreken zullen uit onwaarneembare trillingen bestaan, trillingen trouwens, die zich niet voortplanten door lucht, maar alleen door het medium dat het heelal omhult, met een schil van onbestaanbaarheid.» De taal die Lotti Fuehrscheim dan spreekt is zo bovenaards en onbegrijpelijk dat tegenspraak onmogelijk wordt.

Wittgenstein waart ook rond in Het behouden huis. De Nederlandse partizaan in Russisch uniform die in het niemandsland tussen vrienden en vijanden (maar hoe zijn die uit elkaar te houden?) terechtkomt en tijdelijk voor huiseigenaar speelt, beziet de anderen, willekeurige passanten, «zoals je meestal naar anderen kijkt: zonder werkelijk iets van ze af te weten, door gebrek aan bewijs gedwongen aan te nemen dat zij wel ongeveer hetzelfde zijn als jezelf bent. – Woorden zijn niet anders dan de luchtstromingen in een hermetisch afgesloten kamer die niets wezenlijks veranderen, evenwichten onophoudelijk herstellen zonder ze ooit te hebben verstoord.» De donkere doolhoven, schaars verlichte trapportalen, steile en wankele trappen, doodlopende straten, krappe behuizingen en verboden-toegangborden die veelvuldig voorkomen in Hermans’ verhalen weerspiegelen tegelijkertijd de duistere labyrinten die woorden kunnen vormen.

De eerste vraag die Hermans zich stelde in zijn essay Wittgenstein’s levensvorm (uit Het sadistische universum, 1964) luidde: heeft Wittgenstein met zijn snerpende taalkritiek een afschaffing van de taal in gedachten gehad? Het slot van diens Tractatus logico-philosophicus (1922) eindigt veelzeggend met de beroemde zin: «Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.»

Hermans schrijft in het voetspoor van Wittgenstein: «De mensheid denkt in een orde die niet werkelijk bestaat en is blind voor de oorspronkelijke chaos» (preambule bij Paranoia). Een taal ís een levensvorm. Voortdurend openbaart de taal afgronden, blijken woorden zinledig, dubbelzinnig of nietszeggend. Dat wist Hermans al voordat hij Wittgenstein las. In het verhaal Loo-Lee uit 1942 tast een jongen, lopend door een bos, in het duister omtrent het woord «patronen». Jachtpatronen, knippatronen? Het grote probleem blijft natuurlijk dat de filosofie moet roeien met de enige riemen die zij heeft: de taal van de niet-filosofie. Er is geen andere taal. Wittgenstein schrijft: «De taal is een labyrint van wegen. Je komt van de ene kant en kent de weg; je komt van een andere kant op dezelfde plaats en kent de weg niet meer.» Hermansiaans vertaald: Osewoudt in De donkere kamer van Damokles, koortsachtig bezig zijn onschuld te bewijzen, zoekt een straat terug maar kan die niet meer vinden. Hij blijft met lege handen en een mond zonder taal staan, zonder concreet bewijsmateriaal, wanhopig alleen «als een opgejaagde verslagene» (Paranoia), einig als Robinson Crusoe in Cleevers gelijknamige lievelingsboek, voordat Vrijdag ten tonele verschijnt. Crusoe komt drie keer ter sprake in Volledige werken 7 (blz. 274, 310 en 539). Hij is een proto-hermansiaans personage dat zich terugtrekt, zich aan de wereld wil onttrekken: een geïsoleerde emigrant, een balling, een eilandbewoner in geestelijk opzicht die hunkert naar vrijheid en vrede die samenvallen met een totaal isolement en volkomen eenzaamheid. «Wie alleen denkt, heeft maar half contact met zichzelf. Zien is meer waard, zien is alles. Zichzelf zien als een ander zou redding betekenen, maar altijd blijf je aan de verkeerde kant.»

Wie Hermans ziet als een nihilist, een pessimist, een kankeraar en een puberale polemist tegen iedereen en alles, moet weer vrolijk beginnen met herlezen, te beginnen met Volledige werken 7_._ Deze dwarse en nurkse romanticus van literaire «nocturnes atonales» zag in zijn schrijfpapier een bondgenoot. Ze stonden allebei met de rug tegen de muur, «voor de keuze te schrijven en beschreven te worden – of voor altijd verloren te gaan». De inzet bleef hoog: schrijven om niet verloren te gaan, op zoek naar woordcombinaties die de werkelijkheid niet vervalsten en die boven de chaos konden uitstijgen. Klinkt dat aanstellerig, pathetisch? Ja? Leest u Hermans dan maar niet.

* Graa Boomsma is criticus en schrijver