Afkeer van snobs

Henk van Os
Augustinus op het strand
Balans, 300 blz., € 19,50

In zijn beroemde essay The Hedgehog and the Fox, over Tolstoi en Toergenjev, schreef Isaiah Berlin dat kunstenaars, schrijvers en denkers vallen in te delen in twee categorieën, die van de ‘egels’ en die van de ‘vossen’. Hij ontleende dit onderscheid aan een enigszins duistere regel van de Griekse dichter Archilochos: ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één belangrijk ding.’ Volgens Berlin heeft de egel één, allesomvattende visie, waarop alles wat hij maakt, doet of voelt valt terug te voeren. De vos daarentegen snuffelt overal aan, streeft verschillende doelen na, die soms tegenstrijdig zijn, en staat voortdurend open voor het nieuwe en het onverwachte.
De egel is een indrukwekkende, monumentale verschijning, iemand uit één stuk, die ergens voor stáát. De vos lijkt minder principieel en laadt soms de schijn van opportunisme op zich. Dit is ten onrechte. Door zijn wereldbeeld niet volledig dicht te timmeren, kan de vos zich laten verrassen, laat hij ruimte voor nieuwe inzichten en is hij in staat die in te passen in zijn denken. In tegenstelling tot bij de egel is bij hem sprake van voortschrijdend inzicht. Wanneer de egel van mening verandert, gebeurt dat ook altijd ‘totaal’. Dan is er sprake van een bekering en verdedigt hij als een echte bekeerling zijn nieuwe visie met evenveel vuur als waarmee hij eerder zijn oude, nu ‘waardeloos’ gebleken, verhaal aan de man trachtte te brengen.

Berlin gaf aan dat dit onderscheid natuurlijk niet absoluut was – hoewel hij zelf graag een vos wilde zijn, had hij ook iets van de egel – maar stelde wel dat niet alleen kunstenaars en denkers zich ergens tussen de twee polen bevinden, maar dat de meeste mensen zijn in te delen in egels en vossen.

Henk van Os hoort stellig thuis bij de vossen. Uit zijn nieuwste bundel columns, korte essays en toespraken blijkt echter dat dit niet helemaal vanzelf is gegaan. Zo beschrijft hij dat hij als gymnasiast samen met een vriend helemaal in de ban was van het expressionisme, wat in het Groningen van de jaren vijftig ‘de bovengrens van moderniteit’ was. Hiermee kon je je fantastisch onderscheiden van de goegemeente, die hier nog niet aan toe was. Tijdens een schoolreisje naar Londen liepen de jongens verveeld door de National Gallery en keurden de uitgelezen collectie oude kunst nauwelijks een blik waardig. Alleen El Greco kon ermee door, omdat hij van betekenis was geweest voor het expressionisme. Thuisgekomen hield de jonge Van Os een spreekbeurt over het vroege werk van Ernst Ludwig Kirchner en ‘das Bild als Hieroglyph’. Hierna nam zijn leraar Nederlands hem even apart en zei: ‘Henk, het is wel nodig dat je althans zelf begrijpt waar je het over hebt.’

Deze wijze les – hadden maar meer mensen zo’n leraar gehad! – heeft Van Os in zijn oren geknoopt en als er iets is dat kenmerkend is voor zijn werk, dan is het zijn enorme afkeer van snobisme en zijn open oog voor alle waarachtige kunstuitingen. In Londen mocht hij de vroeg-Italiaanse schilderkunst dan genegeerd hebben, als kunsthistoricus specialiseerde hij zich daarin. Dit heeft er echter niet toe geleid dat hij alleen warmloopt voor schilders als Duccio, Lorenzetti of Jacopo del Casentino. Ook heeft hij altijd veel aandacht gevraagd voor de Groningse modernisten van De Ploeg, waardoor hij mede verantwoordelijk was voor de sterk gestegen prijzen van hun werk, en schrijft hij vol liefde en bewondering over het werk van mensen als Mark Rothko, Daan van Golden en Jake en Dinos Chapman.

Behalve aan snobs heeft hij ook vreselijk het land aan kunsthistorici die van mening zijn dat kunst is geschapen om door hen te worden uitgelegd, of aan collegae die zich helemaal verliezen in de technische aspecten, zoals de Amerikaan die enthousiast uitriep: ‘This is without any doubt the most beautiful X-ray of Rembrandt!’ Op zijn best is Van Os echter wanneer hij heel precies beschrijft hoe een bepaald kunstwerk hem heeft geraakt, en wat het met hem deed, zoals in zijn stuk over zijn eerste ontmoeting met het werk van Ilja Repin, of in een column over een onopvallend standbeeld op een pleintje in een Italiaans stadje waar hij al vijftig jaar kwam.

In zijn recensie in de Volkskrant schreef Kees Fens dat niet alle hier gepubliceerde stukken de moeite van het bundelen waard waren. Nu is Van Os waarschijnlijk de eerste om toe te geven dat niet alles wat hij schrijft eeuwigheidswaarde heeft, maar je kunt dit boek ook zien als het gebaar van een gulle geest, van iemand die anderen wil laten delen in wat zijn enthousiasme, en soms zijn woede, heeft gewekt. Het is in feite het dagboek van een vos, die onvermoeibaar overal aan snuffelt en voortdurend open staat voor dingen die hij nog niet kent. En vossen zijn nu eenmaal veel aangenamer gezelschap dan betweterige egels.