Ger Groot

Aflaat, absolutie

Wie recensies leest, leest geen boeken, althans lang niet in vergelijkbare getale. Zelfs voor de hartstochtelijke amateur-lezer (één boek per week) zal de verhouding niet hoger uitkomen dan één op dertig, veertig, vijftig, afhankelijk van de vraag hoe ver zijn hartstocht zich ook naar dag- en weekbladen uitstrekt. Ook de beroepslezer haalt in één jaar met moeite de tweehonderd titels, gemiddeld één boek per twee dagen.

Veel lezen is dus substituerend lezen. De recensie vervangt de confrontatie met het boek, maar verlost de geïnteresseerde niettemin uit zijn totale onwetendheid. Tijdens beschaafde gesprekken kan hij erover meepraten en een diffuse kennis tonen van wat er in het literaire en intellectuele leven omgaat. Boekbesprekingen maken hem tot een geciviliseerd mens in een wereld waarin cultuur er nog toe doet.

Wie zich vrolijk maakt over deze burgerbeschaving van schijn en substitutie maakt het zich te gemakkelijk. De eis van zelf-lezen en echte kennis van kunsten, wetenschappen en de actuele wereld is in zijn radicalisme simpelweg onmogelijk. Onvermijdelijk ontlenen wij het grootste deel van wat wij weten aan dilettantistisch ‘van-horen-zeggen’ en lezen uit de tweede hand. Meewarigheid daarover maakt zich schuldig aan het snobisme waarboven ze zichzelf juist verheven acht. De echte lezer wentelt zich in tevredenheid over zijn eigen specialisme, dat nooit meer dan een vierkante millimeter kan beslaan, en misprijst de brede oppervlakkigheid van de conversatie waarin de honnête homme zich een man van de wereld toont.

Zo was het althans in de salons van de achttiende eeuw, waarin dilettantisme nog het appeal bezat van charme en respectabiliteit. Maar hoe graag het hedendaagse intellectuele gesprek zich ook aan hun brille spiegelt, het is alsof de toenmalige Franse lichtheid inmiddels omlaaggetrokken is door de Duitse zwaarte van de wetenschappelijke negentiende eeuw. In het voetspoor van de geleerden heeft het complex van cultuur en kennis zich ontwikkeld tot een bijna religieuze plicht. De culturele elite van vandaag eist echte kennis, verworven uit de eerste hand – waaraan ze, alleen al door de onoverzienbare omvang en aanspraken daarvan, onmogelijk kan voldoen.

Zo leeft de Bildungsbürger van vandaag in het voortdurende besef van zijn eigen tekortkoming en is hij steevast op zijn hoede voor een loerende blamage. Onverhoeds kan hij erop worden betrapt te spreken over niet Plato’s maar Pluto’s (in plaats van Plato’s) Republiek, zoals in een anekdote ooit door de bioloog Sir Peter Medawar werd verteld. Met de kenmerkende wreedheid van de man die wel een adellijke titel maar daarmee nog geen noblesse de coeur ontvangen had, schroomde die laatste er niet voor deze blunder tot titel te maken van een boek over echte en vooral schijnbare beschaving.

De angst voor geschoten bokken houdt in deze klasse gelijke tred met de verachting waarmee ze deze als een cultureel chantagemiddel jegens zichzelf aanwendde. Snobisme was het tweesnijdend zwaard waarmee de nieuwe beschavingselite zich in het gareel en zijn rangen gesloten houdt, bepantserd door een ijzig dédain jegens alles wat would-be, tweedehands en van-horen-zeggen is. Inmiddels loopt dat tijdperk op zijn einde. Culturele woordenboeken en boekenseries waarin de lezer op een bepaald vakgebied in een notendop wordt bijgepraat genieten een stijgende populariteit, die zich niet langer voor zichzelf schaamt. Kennis mag weer a little learning omvatten, zonder daarmee onmiddellijk als een dangerous thing te worden geschuwd. Erkend wordt integendeel de onmisbaarheid van een vorming die geen andere keus heeft dan oppervlakkig te zijn, en van een beschaafde conversatie waarvan het dilettantisme niet in frivoliteit ten onder hoeft te gaan. In diskrediet raakt veeleer de nuffige hegemonie van het ‘echte’ inzicht, die de bezitter ervan in werkelijkheid tot een massieve onwetendheid veroordeelt.

De paradox waarmee een te ernstige plicht van diepgaand weten uitliep op de teloorgang van de geïnformeerde burger maakte de weg vrij voor de dag- en weekbladrecensie, die bij uitstek dankzij deze onmisbare oppervlaktekennis bestaan. Boekenbijlagen vormen een heilzame reader’s digest, die in kort bestek een groot aantal geschriften weet te verteren waaraan de lezer van zijn levensdagen niet zal toekomen. Belangrijker dan het oordeel dat ze uitspreken zijn recensies dan ook als een vorm van substitutie-lezen, die de aflaat vormt voor een onmogelijk geworden cultureel-wetenschappelijk gebod.

Daarop alléén kan de lezer het weliswaar niet laten aankomen – zoals ook de middeleeuwse zondaar zich niet alleen op afkopen kon verlaten. Af en toe moeten de handen worden gevouwen, de ogen neergeslagen en de stilte geëerbiedigd. Dan leest de honnête homme een boek, hem aangeraden door de recensent: zijn biechtvader, zijn raadsman, zijn zielsverzorger, zijn absolutiegever.