Het CDA verliest zijn bestaansrecht

Afloop ongewis

Emeritus hoogleraar Henk Woldring verlaat het CDA nu dat gaat samenwerken met de PVV. ‘De partij is geestelijk failliet.’ Jongere CDA'ers vinden de samenwerking ‘niet in het partijbelang, maar wel in het landsbelang’.

DE GELAATSTREKKEN van de emeritus professor verraden een gegriefd, bedroefd gemoed. En, al is hij een nuchtere noorderling, hij moet vlak voor de brief de bus ingaat toch even slikken. ‘Ja, het doet pijn. Al een maand lang denk ik tijdens het uitlaten van de hond aan niets anders dan het CDA. Het is misschien maar beter dat ik die brief eens op de post doe…’
De brief gaat van Amstelveen richting Den Haag, het pand waar de partij kantoor houdt die hij dertig jaar lang heeft gediend. Als auteur van twee dikke boeken en tientallen artikelen over de christen-democratie, als medewerker van het Wetenschappelijk Instituut, als Kaderschooldocent en als senator in de periode 1999-2007. Vandaag, daags nadat de partij dertig geworden is, stapt hij op.
Als voormalig lid van het partijbestuur - dat was hij ook nog even - weet Henk Woldring precies hoe het zijn brief zal vergaan: 'Er wordt netjes voor ontvangst getekend en tijdens de vergadering van het partijbestuur word kort melding gemaakt van de brief. Bij de ingekomen stukken. En daarna gaan ze weer over tot de orde van de dag.’
Nog niet zo heel lang geleden hadden Woldrings woorden aanmerkelijk meer gewicht binnen de partij. De filosoof was tot zijn emeritaat in 2008 verbonden aan de Vrije Universiteit. Daar waar het vorige kabinet nog een onmiskenbaar VU-stempel droeg (vooral door de academische vorming van Bos, Rouvoet en Balkenende) zit het nieuwe kabinet veelzeggend vol met alumni van pragmatischer almae matris als Leiden, Rotterdam en Nijenrode. Slechts de niet van het pluche te krijgen Piet Hein Donner vertegenwoordigt nog de school van Abraham Kuyper in de Trèveszaal.
Woldring is verbijsterd over de manier waarop de partijtop de afgelopen tijd principes aan de kant schoof voor de macht. Maar zijn kritiek op het CDA gaat dieper en verder dan de gang van zaken rond de kabinetsformatie. Bij de verkiezingen van 9 juni 2010 stemde hij al op een andere partij. Het vijfjarenplan waarmee de partij de verkiezingen inging schurkte naar zijn smaak te dicht tegen de politieke ambities van de VVD aan. Hij mist bij het CDA ten diepste een eigen agenda: 'Van beginselen alleen kun je geen brood bakken, dat begrijp ik ook wel. Maar principes moeten parallel aan praktische, politieke afwegingen lopen en er niet later worden bij gesleept. Neem de hypotheekrenteaftrek. Daar is in de vorige campagne een breekpunt van gemaakt omdat de rust, orde en stabiliteit van de woningmarkt moesten worden bewaard. Maar misschien is die orde wel een heel valse, onrechtvaardige orde die slechts de rijken bevoordeelt? Waar het mij om gaat is dat die orde telkens moet worden getoetst aan de partijprincipes.’
Het was Woldring 'helemaal helder en duidelijk’, hoewel zijn hart het hoofd nog wel wat achterna reisde en hij wekenlang in dubio heeft verkeerd alvorens zijn lidmaatschap op te zeggen. 'Verhagen heeft, door zijn keuze voor deze akkoorden en deze ministersploeg, laten zien een heel ander CDA voor te staan dan ik voor ogen heb. Iemand als Hans Hillen, bijvoorbeeld, die van Verhagen een ministerspost kreeg, praat echt álles aan elkaar. Hij is wel het meest identiteitsloze dat het CDA te bieden heeft. Je hoort hem telkens leuteren over het CDA als middenpartij, als bruggenbouwer, als lijm tussen andere fracties, terwijl precies dat nu het probleem is. Als middenpartij ben je per definitie kleurloos.’
Woldring is een van de weinige CDA-prominenten die harde consequenties aan zijn kritiek verbindt. Doekle Terpstra, Dries van Agt, Ernst Hirsch Ballin - ze zijn allemaal binnenboord gebleven, hoewel niet langer in officiële functies. De toon is gezet, denkt Woldring: 'Na de statenverkiezingen, over ruim vier maanden, zul je zien dat er alleen aanhangers van de lijn-Verhagen in de Eerste Kamer terechtkomen.’
Deze gang van zaken is volgens Woldring allerminst een incident: 'Er is veel moed voor nodig om openlijk tegen de partijlijn in te gaan en daar aan vast te houden. Toen ik in 2003, in een vraaggesprek met De Groene Amsterdammer, terloops opmerkte even te hebben getreurd over het voortijdig stopzetten van de coalitiebesprekingen met de PVDA moest ik meteen met een minister bellen die mij vertelde dat de neuzen allemaal dezelfde kant op moesten.’
Na weer een sterk staaltje machtspolitiek is de maat voor Woldring ditmaal vol: 'De partij is geestelijk failliet, iets anders kan ik er niet van maken. In elk geval als christen-democratische partij is zij opgehouden te bestaan.’

IS ER DAN, naast een enkele gereformeerde in gewetensnood, geen enkel serieus tegengeluid meer in de partij? Wat is er bijvoorbeeld te horen in kringen van jonge CDA'ers?
Drie van hen - Emma Cohen, Yacob Mijhad en Diederik Boomsma - stappen op de ochtend van 2 oktober in een oude auto om zich samen naar het formatiecongres te begeven. Met frisse tegenzin ('al die mensen in zo'n lelijke sporthal’), maar met nog net wat meer plichtsbesef ('dit hoort er wel bij als je bij een politieke club zit’). Boomsma, duoraadslid in de Amsterdamse gemeenteraad, tovert voor vertrek een beduimeld exemplaar van het negentiende-eeuwse On Compromise van John Morley te voorschijn. 'Dit boek gaat over wanneer je principieel moet zijn en wanneer je compromissen moet sluiten’, licht hij toe. 'Misschien hebben we er vandaag wat aan.’
In de auto wordt het regeerakkoord van alle kanten belicht. Boomsma, vanachter het stuur: 'Het gaat mij in veel opzichten niet ver genoeg, maar dit is wel een stap op weg naar een samenleving waar mensen minder afhankelijk zijn van de overheid en zelf verantwoordelijkheid gaan nemen voor hun leven, voor elkaar en voor hun cultuur.’ Natuurlijk komt het gesprek ook op de islam en Geert Wilders. Hoewel zijn politieke stijl als 'onbeschoft’ wordt gezien, delen de jonge CDA'ers grote delen van zijn analyse. Boomsma: 'Natuurlijk zijn er veel moslims die niet beantwoorden aan hoe Wilders de islam schetst. Maar: is het de meerderheid die geschiedenis schrijft? Misschien een wat oneerbiedige vergelijking, maar er waren natuurlijk talloze Vikingen die thuisbleven en níet de wereld over reisden voor moord- en roofpartijen. Wie heeft het nu nog over hen?’
Eenmaal aangekomen bij de congreszaal trekt Boomsma gauw zijn Burke Stichting-stropdas aan. Bij dit conservatieve netwerk is hij bestuurslid. Het is duidelijk: hij vertegenwoordigt het conservatieve smaldeel binnen het CDA, dat de partij wil positioneren als een partij die economisch liberaal en sociaal conservatief is. Ook Yacob Mijhad bekent kleur: 'Bij de laatste verkiezingen stemde ik op Kees van der Staaij van de SGP. Niet mijn partij, maar wel het meest conservatieve geluid in de Kamer.’
Helemaal aan de andere kant van het spectrum bevindt zich Sanne Vroom, een dertiger die jongerencampagnes ontwikkelt voor ontwikkelingsorganisaties. Ze is al vijftien jaar lid van het CDA. 'Conservatisme voelt voor mij alsof je ergens een muur omheen zet en je daar met z'n allen achter terugtrekt. We hebben juist de waarden van overmorgen nodig, in plaats van die van gisteren.’ Zij vertegenwoordigt de vleugel die het CDA liefst als een christelijk-sociale partij ziet die vanuit het midden, met anderen, naar oplossingen zoekt voor thema’s als het klimaat, globalisering, cohesie en vergrijzing.
In de wandelgangen van het formatiecongres loopt ook Gerard Adelaar - krijtstreeppak, groene das. Hij is hoofdredacteur van Interruptie, het kwartaalblad van het Christen Democratisch Jongeren Appèl (CDJA). Na de stemming is hij vooral ontgoocheld over de gang van zaken: 'Ik word vaak gezien als een rechtse rakker, maar ik heb me de laatste tijd zó verbaasd over mijn partij dat ik het als mijn plicht als hoofdredacteur zie om het CDA én het CDJA bijtijds wakker te schudden. Voor het, zoals bij de laatste verkiezingen, te laat is.’
Adelaar hekelt in het voorwoord van het jongste nummer de neiging van de partij om mee te waaien met de tijdgeest, waarin 'het geïsoleerde individu en de behoefte aan genot’ centraal staan. De foto van een 'Vermist!’-plakkaat als advertentie in het blad geeft de grieven van Adelaar en zijn geestverwanten binnen de redactie aardig weer. Het nummer bevat bovendien verscheidene CDA-kritische stukken. Het nummer kwam hem op een boel kritiek te staan. 'Maar ik krijg liever de kritiek dat we te ver gaan dan dat we te lang te braaf zijn gebleven.’

HET CDJA-BESTUUR zelf deed er in alle discussies van de afgelopen tijd tot nog toe vaak het zwijgen toe. Ook over de kabinetsdeelname van het CDA lieten de jongeren zich niet officieel uit, hoewel ze de akkoorden zelf 'gematigd positief’ ontvingen. Deze week verschijnt echter een evaluatierapport onder de nogal omineuze titel De toekomst van de christen-democratie in Nederland. De hoofdauteur, bestuurslid Paul Schenderling, en twee meelezers, Bart Jan Heine en Jozef Waanders, duiken een week eerder de kroeg in om het rapport te bespreken. Drie jonge mannen met intellectuele flair en een vocabulaire dat ambitie verraadt. De kelner moet soms minutenlang wachten om een bestelling op te nemen, zo geanimeerd verloopt het gesprek tussen de jonge denkers.
Paul Schenderling trapt af: 'De intellectuele voorlopers van het CDA (zie kader) vormden een tegenbeweging tegen de gevolgen van de Franse Revolutie. De idealen van die revolutie zie je nog steeds terug bij andere politieke stromingen. Zo hebben vrijzinnigen de neiging zich te verliezen in gelijkheidsdenken, waarbij ze geen ruimte laten voor verschillen en minderheden. Liberalen overschatten de menselijke autonomie en beseffen niet dat ongeremde zelfontplooiing uiteindelijk tot zelfverstikking leidt. Het CDA is te lang te technocratisch geweest en heeft te weinig pal gestaan voor het christen-democratische mensbeeld en het christen-democratisch waardenpatroon. Dat is daardoor onzichtbaar geworden. We moeten veel beter gaan uitleggen wat precies de relatie is tussen onze identiteit en onze standpunten.’
Jozef Waanders geeft aan waar deze inhoudelijke vaagheid volgens hem toe leidt: 'Je ziet dat mensen op basis van dezelfde grondtonen als publieke rechtvaardigheid en solidariteit op totaal verschillende standpunten kunnen uitkomen. Nu eens sociaal en dan weer conservatief. De interpretaties vliegen alle kanten op. We hebben best lang al die meningen bij elkaar gehouden onder een voor iedereen aanvaardbare leider. Nu dat is weggevallen wordt die discussie meteen ook heel hevig gevoerd.’
Bart Jan Heine denkt te weten hoe de spraakverwarring onder CDA'ers ontstaan is: 'Onze cultuur is steeds meer losgekomen van een bepaalde vanzelfsprekende inbedding van onze waarden, waardoor we niet altijd meer scherp hebben waarom een bepaalde waarde van belang is.’
Schenderling herkent zich in dit beeld, maar ontkent dat de partij simpelweg verworden is tot een partij voor het eigen belang van de middenklasse. De waarden zijn er wel, maar je ziet ze niet: 'Veel CDA'ers maken zich nu bijvoorbeeld druk over de staatsschuld. Dat is echt niet per se vanwege hun eigen portemonnee, maar juist om Nederland ook voor hun kinderen en kleinkinderen leefbaar te houden.’
Door aan te sturen op meer dualisme, meer discussie en een betere selectie van kandidaten willen de jonge CDA'ers allereerst de partij hervormen. Het moet voorbij zijn met anticampagnes, breekpunten of coalitievoorkeuren, onethisch gedrag van partijleden (Jack de Vries, lees je mee?), resultaatgerichte machtspolitiek en 'algehele besluiteloosheid’, zo stelt het rapport in ronkende termen vast. Daarvoor in de plaats moet een 'positieve sfeer’ komen rond het CDA-gedachtegoed. Zo willen jongeren het CDA profileren als de partij van de gezelligheid en de menselijke maat en formuleerden de jongeren in het rapport een dertiendelige 'Dutch Dream’, waaraan ook nieuwe Nederlanders zich moeten verbinden. 'Wie in Nederland woont, moet open en sociaal zijn.’ Daarmee rekent het rapport en passant af met de gedachte dat de Nederlandse identiteit niet zou bestaan.
Uit deze veelheid aan aanbevelingen komt vooral naar voren dat deze generatie CDA'ers wars is van relativisme en - met andere redenen dan liberalen - uitkomt bij een kleine, bescheiden overheid die tegelijk een sterk moreel appèl op burgers probeert te doen. Dat is Balkenende en Klink nooit gelukt. Waarom zou dat nu wel lukken? Heine: 'Die discussie is wel begonnen door ons, maar nooit afgemaakt. Ik denk omdat je niet tegelijk een discussie kunt entameren én eraan deelnemen. Zeker het CDA zou in zo'n discussie bovendien sterk tegen de culturele trend ingaan. Hierdoor heeft vooral D66 jarenlang de waardendiscussie in de politiek kunnen domineren.’
IN IEDER gesprek met CDA'ers keert in verschillende gedaanten hetzelfde dilemma terug. De partij werd in de afgelopen dertig jaar telkens groot door tegen rechts aan te schuren, maar verliest haar inhoudelijke bijzonderheid - en daarmee haar bestaansrecht - zodra ze daar te ver in doorschiet of te lang mee doorgaat. Een herbezinning op de christen-democratie doet het altijd goed op debatavonden en in rapporten, maar het doorvoeren van deze principiële, op het christendom geënte lijn lijkt de partij electoraal te veroordelen tot een bestaan als middenmoter. Ze wil een tegengeluid en een morele gidspartij zijn, maar wil tegelijkertijd regeren.
Wat biertjes verder betonen de drie jonge CDA-intellectuelen in de kroeg zich ronduit openhartig. Bart Jan Heine noemde het nieuwe kabinet eerder op de avond nog 'niet in het partijbelang, maar wel in het landsbelang’, maar noemt het later op de avond 'een politiek experiment, waarvan de afloop ongewis is’. Hoewel hij op het congres vóór het akkoord stemde, loopt hij bepaald niet over van vertrouwen: 'Ik zie ook wel dat die oude mannen in het kabinet “bij de gratie Geerts” regeren. Dus hoop ik maar dat ze de ballen hebben om tegen hem in te gaan.’
Ook voor Jozef Waanders is het soms lastig laveren tussen principiële wijsheid en strategische slimheid: 'Toen ik Hirsch Ballin hoorde spreken over het gevaar van gewenning aan een manier van omgaan met medeburgers wist ik gewoon: dit is waarheid. Toch stemde ook ik uiteindelijk voor dit kabinet, omdat ik geen wenselijk alternatief zag.’
In de overpeinzingen van deze aanstormende CDA-intellectuelen wordt de kern van het christen-democratische dilemma zichtbaar. Het is het dilemma van iedereen die de dertig passeert: blijf ik bij mijn idealen of sluit ik compromissen met mezelf om hogerop te komen?
Wie het CDA de laatste maanden gevolgd heeft zag de 'we gáán er met z'n allen voor’-retoriek winnen van gewetensvolle, doorwrochte argumentaties over de identiteit van de partij. Het serviele handgebaar van een op hol geslagen Camiel Eurlings en de nauwelijks verholen gevoelens van vreugde bij Maxime Verhagen illustreren een politieke stijl waarin het grote gelijk het aflegt tegen harde winst.
Je zou het de Bert van Marwijk-doctrine kunnen noemen: we spelen niet mooi en niet fair, maar we weten wel te winnen. Alle kritiek is, zo bezien, gemopper. Het heeft er alle schijn van dat dit dilemma geen actueel dispuut van voorbijgaande aard is, maar simpelweg een logisch gevolg van twee zielen die nu eenmaal kloppen in één borst.
Nog even, kortom, en het geweten krijgt het weer voor het zeggen. Alleen wie goed luistert, hoort het al kloppen.


Van waardenpartij tot Realpolitik

De eerste generatie CDA-denkers deed, voor de ideologische fundering van het CDA-beginselprogramma, voornamelijk een beroep op de traditie van het neocalvinisme (Abraham Kuyper c.s.) dat hamert op de 'soevereiniteit in eigen kring’ en op het 'subsidiariteitsbeginsel’ dat voortkomt uit de pauselijke encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII. Ook de kapitalismekritiek van Bob Goudzwaard was aanvankelijk van invloed op de invulling van het economisch beleid, alhoewel hij de partij direct na de fusie in 1980 teleurgesteld de rug toekeerde.
Zo ontstonden de vier 'grondtonen’ uit het program van uitgangspunten van het CDA: gespreide verantwoordelijkheid, publieke rechtvaardigheid, rentmeesterschap en solidariteit.
De tweede generatie CDA-denkers (Ab Klink, Jan Peter Balkenende) was bijzonder gecharmeerd van het communitarisme (Etzioni, Charles Taylor, et cetera), dat nadrukkelijk aandacht vraagt voor de potentie van maatschappelijke verbanden die niet door de staat worden beïnvloed.
De derde generatie CDA-denkers manifesteert zich vooral in de huidige staf van het Wetenschappelijk Instituut, dat in recente rapporten pleit voor een kleinere overheid en besparingen in met name de zorg en de sociale zekerheid. Om de toegankelijkheid hiervan in de toekomst te waarborgen moet nu pas op de plaats worden gemaakt, zo luidt het voornaamste argument.
Eenzelfde realisme kenmerkt ook de twee denkers die door veel jonge CDA'ers als inspiratiebron worden genoemd. Edmond Burke die de staat als tuinman beschrijft die slechts een tuin onderhoudt (in plaats van een bouwkundige die met blauwdrukken de samenleving probeert te vormen) en
Reinhold Niebuhr, van wie vooral het serenity prayer veel wordt aangehaald, een gebed om kalmte - 'om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, moed om te veranderen wat ik kan veranderen en de wijsheid om het verschil hiertussen te zien’.