Aflopende zaken

Is de afhaalloempia straks nostalgie? Volgens het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek zijn veel Chinese restaurants nog nauwelijks levensvatbaar. Opnieuw branden discussies los over opname van Chinezen in het minderhedenbeleid. De nood is hoog.

OP EEN BIJEENKOMST van de Chinese Ouderenvereniging op de Amsterdamse Nieuwmarkt zitten ongeveer vijftig Chinezen in groepjes druk te praten (de vrouwen) of fanatiek te kaarten (de mannen). Twee vrouwen geven gehoor aan de oproep van de voorzitter van de vereniging om met de aanwezige journalist te praten. Lie Hem Tam (24) en Dick Thanh Lu (23), studenten aan de faculteit voor Oriëntaalse talen en Communicatie aan de Hogeschool in Maastricht, zijn aanwezig om te tolken. De zeventigjarige mevrouw Wong is de eerste die het woord neemt. Ze kwam 25 jaar geleden vanuit Hongkong naar Nederland en werkte jarenlang als kinderoppas voor families die in de horeca werkzaam waren. Nu heeft ze een WAO-uitkering. Dat de Chinezen nog steeds niet in het minderhedenbeleid zijn opgenomen hebben ze deels aan zichzelf te danken, vindt mevrouw Wong. ‘Tien jaar geleden is daar ook al een discussie over gevoerd, maar toen hebben de Chinezen het zelf tegengehouden omdat een meerderheid vond dat ze geen hulp nodig hadden. Volgens mij begrepen ze ook niet goed wat de voordelen daarvan zijn en dat komt voornamelijk doordat de informatie daarover niet in het Chinees was. Ik krijg zelf regelmatig post van de gemeente, zoals laatst over een bevolkingsonderzoek naar borstkanker, maar ik kan dat niet lezen en moet altijd iemand zien te vinden die die brieven voor me kan vertalen. Ik heb verschillende keren geprobeerd Nederlands te leren, maar dat is niet gelukt. Dat geldt voor heel veel mensen van mijn generatie. Daardoor raak je geïsoleerd. Ik werd laatst bij mijn Nederlandse buren uitgenodigd, maar ik ben niet gegaan: ik kan toch niet met ze praten.’ Mevrouw Fan is 63 en vertrok 25 jaar geleden samen met haar man en kinderen uit Hongkong. Ze hadden jarenlang een klein afhaalrestaurant in Amsterdam, maar hebben dat noodgedwongen in 1980 moeten opdoeken. 'De zaak liep niet meer goed. En het was ook vervelend dat we boven de zaak woonden’, zegt ze. 'Mijn man was dag en nacht aan het werk en ik moest ook hard meewerken. De kinderen zaten dan alleen in huis. Het was veel te zwaar. Na 1980 ben ik me alleen nog met het opvoeden van de kinderen bezig gaan houden en mijn man is als kok in loondienst gegaan. Hij werkte zestig tot zeventig uur per week. Toch verdiende hij heel weinig en we hebben jarenlang ieder dubbeltje moeten omdraaien. We leefden voornamelijk van de kinderbijslag en later van de studiefinanciering van de kinderen. Nu mijn man gepensioneerd is en we een aanvullende uitkering krijgen, hebben we het wel goed.’ (DEZE VERHALEN zijn illustratief voor de grote groep Chinese migranten die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland kwam. Doordat in de horeca weinig eisen werden gesteld wat betreft opleiding en kennis van de Nederlandse taal en het nog vrij eenvoudig was om een eigen zaak te beginnen, groeide het aantal restaurants en afhaal-Chinezen in die jaren explosief. In eerste instantie kwamen de mannen naar Nederland. Zodra een zaak was opgezet werd de rest van de familie naar Nederland gehaald om samen het restaurant op confuciaanse wijze (alle leden van de familie zijn verantwoordelijk voor de eer en goede naam van de familie) te runnen. Dat het aantal Chinezen in Nederland snel groeide viel nauwelijks op: de Chinese gemeenschap is tot op de dag van vandaag een gesloten bastion. En de Chinezen lijken schijnbaar goed in staat hun eigen boontjes te doppen. Achter deze façade van economische en sociale onafhankelijkheid schuilt veel verborgen armoede. Dat leert een deze week gepresenteerd onderzoek dat in opdracht van de ministeries van VWS en Binnenlandse Zaken werd uitgevoerd door het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO, een instituut verbonden aan de Erasmus Universiteit). Om inzicht te krijgen in hun maatschappelijke positie interviewden onderzoekers Ria Vogels, Paul Geense en Edwin Martens een aantal Chinese families over leef- en werksituaties. Geen eenvoudige opdracht, omdat de meeste Chinezen het hart niet op de tong hebben en zich snel schamen voor eventuele armoede. Maar vooral door de taalbarrière die bij geen enkele migrantengroep zo'n groot obstakel vormt voor integratie als bij de Chinezen. Uit het onderzoek blijkt dat tachtig procent van de Chinese beroepsbevolking werkzaam is in de horeca. Een vijfde deel daarvan heeft een eigen zaak. Dit heeft grote gevolgen voor het sociale leven binnen de Chinese gemeenschap. De werkdagen zijn lang en de beloning is zowel voor diegenen die in loondienst werken als voor veel horeca-ondernemers zelden navenant. De spaarzame vrije tijd die de meeste Chinese mannen hebben, brengen ze door bij familie. Uitgaan gebeurt meestal in een casino, wat niet zelden leidt tot gokproblemen. Menig uitbater van een restaurant heeft daarmee zijn zaak verspeeld. De vrouw van een kok vertelt: 'Ik incasseer altijd het loon van mijn man, zodat ik er zeker van ben dat niet al het geld in de “eenarmige bandiet” verdwijnt. Hij krijgt wel iedere week een bepaald bedrag voor zichzelf waarmee hij kan doen wat hij wil.’ (DE VOOR HET onderzoek ondervraagde horeca-ondernemers geven toe de afgelopen jaren nauwelijks of helemaal geen winst te hebben gemaakt. Oorzaak is de toegenomen concurrentie van bijvoorbeeld pizzeria’s, Turkse en Griekse eethuizen en supermarkten die langer openblijven en die een groot assortiment kant-en-klaar-maaltijden aanbieden. Maar vooral de concurrentie onderling is moordend, want weinig ondernemers blijken in staat iets anders te bieden dan hun collega’s om de hoek. Ook het personeelsgebrek - voornamelijk ontstaan doordat de tweede generatie, wijs geworden door het geploeter van hun ouders, de horeca liever mijden - is fnuikend voor een deel van de ondernemers. 'Als ik dit werk tot mijn 55ste volhoud, ben ik allang blij.’ Met deze uitspraak verwoordt een 48-jarige Chinese kok uit Amsterdam de situatie van duizenden van zijn collega’s. Na bemiddeling van Mary van der Made-Yuen, coördinator van de Chinese school in Amsterdam, is het mogelijk met twee koks te spreken. De ontmoeting vindt plaats in het Chinese centrum Wa Lai (hetgeen betekent: 'Chinezen aanmoedigen’) in de Pijp. Zij willen anoniem worden opgevoerd en ook het restaurant waar zij werken mag onder geen beding worden genoemd. 'Dan zijn we zeker onze baan kwijt.’ De koks werken al tientallen jaren gemiddeld zestig uur per week, verdeeld over zes dagen. Daarvoor krijgen ze het laagst denkbare salaris op papier uitbetaald en zwart nog een extraatje. Vakanties worden niet doorbetaald. Voor de twee weken die ze in het jaar vrij zijn - maar die slechts bij hoge uitzondering aaneengesloten opgenomen mogen worden - krijgen ze een paar honderd gulden. Ziek melden ze zich zelden, uit angst voor hun baan. 'Het gaat er niet om of je gelukkig bent, we hebben geen andere keus’, verdedigen de koks hun weinig strijdvaardige houding ten opzichte van hun werkgevers. Dus pikken ze het dat er geen stoel in de keuken staat om te voorkomen dat ze gaan luieren. Een van de koks, wiens armen vol brandplekken zitten van de opspattende olie: 'Soms draai ik een emmer om als ik even moet zitten omdat de kramp in mijn benen te erg wordt, of als ik een kopje thee wil drinken.’ Ook pikken ze het dat ze nauwelijks tijd en energie hebben voor hun gezin en dat er van het salaris dat ze wit verdienen bij ziekte of arbeidsongeschiktheid slechts een zeer lage uitkering overblijft. Van een CAO hebben veel Chinese horeca-ondernemers nimmer gehoord en de werknemers zijn zelden aangesloten bij een bond. Bovendien zijn er ook nogal wat werknemers die het systeem van de deels zwarte betaling zelf in stand houden, blijkt uit het onderzoek. Het grootste streven is het opzetten van een eigen zaak, waarmee hun aanzien in de gemeenschap stijgt. Ze denken minder te gaan verdienen en dus minder te kunnen sparen wanneer ze volgens de CAO worden betaald. Dat het in deze tijd bijna onmogelijk is om nog een eigen zaak te beginnen lijkt maar langzaam door te dringen. Theo Chang, voorzitter van de sector Chinees-Indische bedrijven van Koninklijke Horeca Nederland, vindt dat de arbeidsomstandigheden in de Chinese horeca zeker moeten verbeteren, alleen al om het tekort aan personeel in te lopen. De sector heeft een bedrijfsverbeteringsplan opgesteld voor die bedrijven die nog op de arbeidsintensieve manier van dertig jaar geleden werken. Dat plan wordt na de zomer gepresenteerd. Of de sector met hun plannen ook die ondernemers bereikt die het hardst hulp nodig hebben, is de vraag. Die groep is immers nauwelijks georganiseerd. (ER HEERST GROTE verdeeldheid tussen de ongeveer honderdvijftig Chinese organisaties die Nederland telt. Die verdeeldheid leidde er tien jaar geleden toe dat de overheid besloot om de Chinezen niet op te nemen in het integratiebeleid minderheden. Een behoudende groep Chinezen liet de overheid weten absoluut niet gediend te zijn van bemoeienis. Naar aanleiding van het ISEO-onderzoek peilde de Chinese redactie van de NPS-radio de afgelopen weken de mening van hun luisteraars. In totaal 86 procent van de ondervraagden blijkt inmiddels voor opname in het minderhedenbeleid. En maar liefst 98 procent geeft aan behoefte te hebben aan in het Chinees vertaalde overheidsinformatie. Hoewel van integratie van met name de oudere Chinezen nog nauwelijks sprake is, worden sommige typisch Nederlandse gebruiken wel overgenomen. Zo wint het vrijwilligerswerk steeds meer aan populariteit. Mei Sheung Fung-Tam is een van die vrijwilligers die het als hun roeping zien om de Chinezen uit hun isolement te halen. De Kantonese familie Fung-Tam woont sinds 1973 in Nederland. Mei Sheung en haar man werkten in eerste instantie samen in een restaurant. Maar toen het derde kind werd geboren heeft Mei Cheung zich voornamelijk met de opvoeding beziggehouden. Sinds een jaar heeft ze weer een baan in een elektronicabedrijf waar ze chips in apparatuur plaatst. Daar werken veel Chinese vrouwen. 'Het is beter werk dan in een restaurant. Het is veel minder zwaar en je maakt normale werkuren.’ Haar man werkt nog steeds in de horeca. Ook Mei Cheung spreekt nauwelijks Nederlands en haar twintigjarige zoon Yang Lin (eerstejaars student Economie aan de VU) tolkt tijdens het gesprek. Sociale voorzieningen in Nederland zijn prima geregeld, vindt Mei Sheung, maar de Chinezen maken daar nauwelijks gebruik van. 'Dat is een van de zaken waar we als vrijwilligersorganisatie aandacht aan besteden. Vrouwen blijven te veel in hun eigen kringetje ronddraaien, vooral omdat ze de taal niet spreken. Het vrijwilligerswerk is voor hen een goede manier om buiten de deur bezig te zijn en iets te doen voor de Chinese gemeenschap. Voor ouderen bijvoorbeeld die de weg niet weten naar allerlei instanties en voorzieningen. We lichten ze in over de rechten die de Chinezen hebben en over allerlei andere zaken die met integratie te maken hebben.’ Volgens Mei Sheung moet het vrijwilligerswerk worden uitgebreid, maar daarvoor moet de overheid dan wel subsidie geven. 'Een netwerk van vrijwilligers is de beste remedie om de beslotenheid van de gemeenschap te doorbreken. Ook opname in het minderhedenbeleid is noodzakelijk. De Chinezen hebben lange tijd overheidsbemoeienis van de hand gewezen, maar de nood is nu zo hoog dat ook onder de oudere Chinezen inmiddels veel mensen daar voorstander van zijn. Wat dat betreft is er wel het een ander veranderd. Er zijn ook veel mensen die geen werk meer hebben omdat de situatie in de horeca steeds verder is verslechterd. Gelukkig zijn Chinezen erg spaarzaam, dus kunnen ze het vaak nog wel een tijdje uitzingen, maar als het geld opraakt weten ze niet waar ze heen moeten voor hulp.’ De hoge drempel voor met name Chinese ouderen naar allerlei voorzieningen is een belangrijke reden waarom al jarenlang gepleit wordt voor opname van de Chinezen in het integratiebeleid minderheden. Maar de overheid lijkt niet echt te popelen om die stap te nemen, omdat dat extra geld kost en de Chinezen vooralsnog geen maatschappelijke problemen geven. Dat de overheid ook nauwelijks op de hoogte is van de situatie van de Chinezen in Nederland, illustreerde minister Van Boxtel van Grotestedenbeleid afgelopen december treffend tijdens een vragenuurtje in de Tweede Kamer. Daarin pleitte Singh-Varma van GroenLinks eveneens voor opname van de Chinezen in het integratiebeleid en zij vroeg zich af waarom die stap nog steeds niet was genomen. Van Boxtels antwoord luidde: 'De Chinezen maken naar mijn weten al jarenlang deel uit van dat beleid, dus daar hoeven we verder geen discussie over te voeren.’