Afmarcheren als het puin geruimd is

HET HIELP NATUURLIJK niet dat de commandant van de US Air Force Special Forces in Haïti zijn mannen huldigde als superkrijgers. Ze hadden zojuist in een flitsende actie het vliegveld van Port-au-Prince ingenomen, beladen met radioapparatuur om vliegtuigen met hulpgoederen binnen te loodsen.
Toen later bleek dat enkele toestellen niet meteen mochten landen, waren de gedupeerde hulporganisaties alsmede de regeringsleiders van Venezuela, Bolivia en Cuba plus twee Franse ministers woedend op de Amerikanen. Die beriepen zich op de beperkte capaciteit van het beschadigde vliegveld, maar werden ervan beschuldigd hun eigen hulpvluchten voor te laten gaan. Hoe dan ook, zonder de commando’s in de vluchttoren zou de logistieke chaos compleet geweest zijn.
Dat krijgsmachten steeds vaker te hulp schieten bij rampen is onvermijdelijk. Natuurgeweld, aangewakkerd door de klimaatverandering, eist meer en meer slachtoffers. Zeker nu door de bevolkingsgroei steeds meer mensen op breuklijnen leven of in overstromingsgebieden.
Vooral de Amerikaanse krijgsmacht - niet bij iedereen geliefd - is daarvoor toegerust met zijn vliegdekschepen, helikoptervloot en mondiale militaire bases. Daarvan werd gretig en zonder wanklank gebruik gemaakt na de tsunami in 2005 en de aardbeving hoog in de Pakistaanse bergen in 2004. Nu klinkt wel protest. De Amerikaanse special forces, parachutisten en mariniers - elite-eenheden die nu eenmaal het snelst aanwezig kunnen zijn - zien er vast wat te krijgshaftig uit. Zij beschermen hulpkonvooien en geïmproviseerde vluchtelingenkampen in de ingestorte wijken van Port-au-Prince tegen plunderaars.
Het verzorgen van veiligheid en logistiek in de eerste dagen na een ramp is van onschatbaar belang, en militairen doen daarbij geweldig werk. Toch moeten we voorzichtig zijn met hun bemoeienis. Militairen worden gestuurd door politici om redenen die verder gaan dan altruïsme. Zij willen vluchtelingenstromen voorkomen, hun geschonden blazoen oppoetsen of hun macht in de regio tonen.
De Amerikaanse militaire noodhulp aan Iran na de aardbeving in Bam eind 2003 diende ook een diplomatiek belang. De inzet van de US Navy tijdens de tsunami had een geopolitieke ondertoon: kijk eens wat wij voor elkaar krijgen onder de neus van China! En natuurlijk dient de militaire hulpoperatie in Haïti voor het handhaven van de rust in Washingtons achtertuin en het verwerven van gunstige pr in een gebied dat steeds anti-Amerikaanser wordt. De Amerikanen beseffen maar al te goed dat een krijgsmacht geen vrijblijvend hulpinstrument is. In de VS zelf mag militaire noodhulp slechts gegeven worden door de Nationale Garde, een versplinterd en onmachtig leger onder controle van de gouverneurs.
Rampen zijn meer dan noodlottige oprispingen van de natuur. Ze worden grotendeels door mensenwerk bepaald. In 1989 werd de San Francisco Bay Area eveneens getroffen door een aardbeving van 7.0 op de schaal van Richter; er vielen 63 doden. Wanbestuur, corruptie en armoede deden de aardschok in Haïti ontaarden in een ramp met meer dan 150.000 doden en 250.000 gewonden. Er is structurele hulp nodig om de samenleving te helpen zichzelf weer op de been te brengen en herhaling te voorkomen.
Zullen de militairen het houden bij noodhulp? In de hulpgemeenschap wordt met argwaan gekeken naar de groeiende rol die de Amerikaanse krijgsmacht zich (buiten de VS) toebedeelt bij structurele hulp. Het is te hopen dat de mariniers afmarcheren als het puin geruimd is en de lichamen geborgen. Dat militairen met hun rigide commandostructuren en hun ongenuanceerde hands on-benadering niet geschikt zijn voor nation building mag blijken uit de chaos in Irak en Afghanistan.