Fatou Bensouda over vrouwelijke leiders en de impact van vonnissen

‘Afrika begrijpt dat het strafhof nodig is’

Deze zomer is ze ingezworen als aanklager van het Internationaal Strafhof in Den Haag. De komende jaren wil Bensouda ‘een hele lijst’ van staatshoofden en legerleiders voor de rechter slepen. En daarmee de geloofwaardigheid van het Strafhof redden.

‘I am a proud African woman’, zal ze even later zeggen. Prosecutor Fatou Bensouda (Banjul, Gambia, 1961) snelt haar secretarissen voorbij en duikt in haar Haagse kantoor op haar computer. Een werveling van kleuren; bedrukt gewaad in blauw, zoals West-Afrikanen dat trots dragen. ‘Ben zo bij je!’ roept ze nog. Dat duurt een tijdje. ’s Werelds hoogste aanklager – en volgens Time Magazine een van de 100 Most Influential People in the World – jaagt op rebellenleiders en staatshoofden.

Zoals Omar al-Bashir, president van Soedan. ‘Voortvluchtig’ staat er achter zijn naam. ‘Gezocht wegens misdaden tegen de menselijkheid: moord, uitroeiing, marteling, verkrachting.’ Twee dozijn andere politieke en militaire leiders heeft ze op de korrel. Negen arrestatiebevelen staan uit, aan een handvol andere is ze bezig. Laurent Gbagbo, ex-president van Ivoorkust, zit sinds vorig jaar in de Scheveningse strafgevangenis in afwachting van zijn proces. ‘Je kunt nu binnenkomen!’ roept ze en ze tikt de e-mail uit. Waar was u mee bezig? vraag ik. ‘Preparing arrests’, zegt ze. Brede glimlach.

Sinds 15 juni is Fatou Bensouda het juridische geweten van de wereld. De komende negen jaar zal ze, zoals het heet in het Statuut van Rome dat het Internationaal Strafhof (icc) in het leven riep, ‘de meest ernstige misdaden die de Internationale Gemeenschap als geheel betreffen’ onderzoeken en vervolgen. Op verzoek van de 121 lidstaten die tot op heden het Statuut ondertekenden – heel Zuid-Amerika, bijna heel Europa en grofweg de helft van de Afrikaanse landen; Rusland en de VS tekenden, maar ratificeerden niet; 41 staten deden geen van beide, waaronder India en China. Op verzoek van de VN-Veiligheidsraad. Of geheel op eigen initiatief – vandaar die Time Top 100.

Ik betrap me op de neiging haar bij haar voornaam te noemen. Want van hoog tot laag hebben de medewerkers in het met prikkeldraad en schrikdraad beveiligde voormalige kpn-gebouw op de grens van Den Haag en Voorburg het eenvoudigweg over ‘Fatou’. Fatou dit, Fatou dat, al bekleedde ze in haar vaderland Gambia een hoge ministerspost. ‘De sfeer is nu totaal anders dan onder haar voorganger’, zegt een naaste medewerker. ‘Ze heeft een bijzonder talent om soepel met mensen om te gaan.’

Het is een understatement: voorganger Luis Moreno Ocampo werd door velen gezien als arrogant en eigengereid. En daarenboven: hij joeg de Afrikaanse lidstaten tegen zich in het harnas door zich eenzijdig op Afrika te richten en onderzoek naar misdaden in Afghanistan, Colombia, Georgië en Irak niet op te pakken toen de kans zich voordeed. Toen de Argentijn in 2009 tegen het uitdrukkelijke verzoek van de Afrikaanse Unie, op dat moment in een beslissende fase van onderhandelingen over vrede in Soedan, het arrestatiebevel tegen president Omar al-Bashir uitvaardigde, daalde de relatie tussen Afrika en het icc tot een dieptepunt. Achter de schermen bereidden lidstaten vorig jaar in alle stilte de benoeming van Bensouda voor, die in de acht jaren dat ze in Den Haag deputy prosecutor was de reputatie had opgebouwd even diplomatiek te zijn als vastberaden. Dat ze vrouw is en Afrikaans was mooi meegenomen. Ze is begonnen met vooronderzoek naar Colombia en Georgië. De verwachtingen zijn hooggespannen: het is aan Bensouda om de aangetaste reputatie van het Strafhof te redden.

Van harte gefeliciteerd met uw benoeming.

‘Thank you very much.’

Wat was uw reden om te solliciteren?

‘Alle slachtoffers. De slachtoffers van deze zware misdaden. De slachtoffers zijn meestal de meest kwetsbare mensen in de samenleving: vrouwen en kinderen. Velen zijn slachtoffer van seksueel geweld. Ik begon mijn professionele carrière in Gambia, als tiener werkte ik als griffier bij de rechtbank en in de rechtszaal woonde ik zaken bij waarin vrouwen en kinderen het slachtoffer waren van geweld. Er waren maar weinig vrouwelijke advocaten en vrijwel geen vrouwelijke rechters. Daar zittende dacht ik: dit is wat ik wil doen. Niet dat de mannen het slecht deden, dat wil ik niet beweren, maar ik dacht dat het voor mij als vrouw makkelijker was om de brug te slaan naar de slachtoffers.

Ik heb het gevoel dat ik er voor ze moet zijn. Dat gevoel is er sinds ik een meisje was. Je kunt me beschrijven als victim-oriented: ik kies de kant van de slachtoffers.

Er was, in Gambia, deze zaak, ik zie het nog voor me: een vrouw die keer op keer door haar man misbruikt was. Wanneer ze uiteindelijk aangifte doet, zegt de politie: dit is een civiele zaak, we kunnen niet tussen beiden komen. Steeds maar weer wordt het getrivialiseerd en zeggen ze: je echtgenoot mag dit doen. En ook al was ik erg jong, vanaf dat moment wist ik: dit is fóut. Deze vrouw zou in staat moeten zijn om ergens haar recht te halen. Het is maar een voorbeeld, want het is alomtegenwoordig.

Ik denk dat ik als vrouw het verschil kan maken. En nu, in het bijzonder op dit internationale niveau waar je te maken hebt met geweldige misdaden, met gruweldaden waarvoor woorden tekortschieten, daden die hoofdzakelijk vrouwen en kinderen treffen, ben ik alleen maar meer gemotiveerd om door te pakken. Het is iets wat ik gedurende mijn hele carrière al gedaan heb: opkomen voor vrouwenrechten.’

99 procent van de oorlogsmisdaden wordt begaan door ‘male chauvinist pigs’.

‘Het zijn jouw woorden. Het overgrote deel. Maar dat wil niet zeggen dat vrouwen die misdaden plegen vrijuit gaan. Mijn drive is het recht, mijn drive is bewijslast. En mijn drive is om te tonen dat een ieder die dit soort misdaden pleegt rekenschap moet afleggen.’

Ze groeit op in ‘a very supportive family’ in Banjul, de piepkleine hoofdstad van nog geen 35.000 inwoners, waar de rivier de Gambia uitmondt in de Atlantische Oceaan. Haar vader is moslim en ze wordt opgevoed door zijn twee vrouwen, tezamen met een groot aantal broers en zussen. ‘Het was een harmonieus gezin; anders dan bij veel polygame families heerste er geen rivaliteit; eerder een geest van ­redelijkheid en samen delen. Iets wat in Afrika sowieso minder uitzondering is dan regel. Misschien ­atypisch is dat onze ouders erop stonden dat we studeerden. Ook de meisjes. Met náme de ­meisjes. Je werd opgevoed om na te denken wat jij, als individu, kon bijdragen aan de samenleving.

Ik heb die verlichte geest die in ons gezin heerste met beide handen aangegrepen. In het Westen leeft vaak het idee dat alle vrouwen in Afrika worden onderdrukt, dat ze geen kansen krijgen. En natuurlijk: we hebben niet dezelfde mogelijkheden die jullie in het Westen hebben, veel faciliteiten zijn gewoonweg niet aanwezig. Maar ik kan je ook vertellen dat er veel gemeenschappen in Afrika zijn die vergevorderd zijn wanneer het aankomt op leiderschap door vrouwen. Sterker: er is een behoorlijk aantal stammen waar het erfrecht via de vrouwelijke linie loopt en de vrouw aan het hoofd van de familie staat. West-Afrika kent een behoorlijk aantal vrouwelijke leiders, waarvan de president van Liberia, Ellen Johnson Sirleaf verreweg de bekendste is, maar zeker niet de enige. De overtuiging dat vrouwen goede leiders kunnen zijn, is deel van de cultuur, deel van de waarden die je hebt als samenleving.’

Ze studeert in Nigeria en later op Malta, waar ze afstudeert in het internationale zeerecht – Hugo de Groots Mare Liberum en aanverwant, een van de grondslagen van het latere internationale volkerenrecht. Terug in Gambia maakt ze carrière: van openbaar aanklager tot advocaat-generaal en, ten slotte, in 1998, minister van Justitie. Dat laatste op verzoek van president Yahya Jammeh, de door een staatsgreep aan de macht gekomen ex-juntaleider, inmiddels driemaal min of meer democratisch herkozen in wat wel ‘de laatste dictatuur van West-Afrika’ wordt genoemd. Een heikele positie, al zegt ze dat niet met zoveel woorden. ‘Mijn president vroeg het mij persoonlijk. Weigeren zou… hoe zal ik het zeggen… het weglopen voor je verantwoordelijkheid zijn. Ik besefte dat ik de kans kreeg om als minister van Justitie de wet te verdedigen. Ik heb geprobeerd wat ik moest doen: niet enkel garanderen dat er recht gepleegd werd in de rechtbanken, maar ook de mogelijkheden scheppen dat de faciliteiten werden opgezet waarin rechters en advocaten daadwerkelijk in staat zouden zijn om recht te plegen. Dát was mijn rol als minister van Justitie.’

Lang zou het niet goed gaan: Yahya Jammeh heeft zo z’n eigen ideeën over de rol van het recht en in 2000 wordt ze gedwongen op te stappen. Ze trekt zich terug uit het openbare leven, begint als advocaat en werkt naar verluidt zelfs even op een bank. Vreemd genoeg – of veelbetekenend – laat het intermezzo met Jammeh haar reputatie onaangetast. ‘Ik refereer in deze kwestie altijd naar mijn track-record’, zegt ze. ‘I have tried to uphold the law.’

Lang houdt ze het niet vol aan de balie. Het vervolgen van misdaden zit haar in het bloed. ‘Yes, I always go back.’ En ze vertrekt naar het Rwanda-tribunaal van de Verenigde Naties, eerst in Kigali, later in Arusha. Dood en verminking zijn overal. ‘Je kunt het je niet voorstellen… Het was massief. Voor het eerst in m’n leven had ik te maken met honderden daders. Met ontelbare aantallen slachtoffers. Hoeveel ervaring ik ook had in het verleden, dit was onvoorstelbaar. Wreedheden die je niet kunt bevatten, waarvan je niet gedacht had dat ze konden bestaan. Waar je ook ging, je kwam de slachtoffers van genocide tegen. In de interviews die je afnam, in de verklaringen die je optekende, maar ook dichtbij: je naaste medewerkers ter plaatse, je hulp in de huishouding. Het was enorm en ik vroeg me af: hoe ga ik hiermee om?’

Hoe gíng je ermee om?

‘Je weet: de slachtoffers vragen om gerech­tigheid en al je gedachten en daden moeten daarop zijn gericht. Hoe kan ik daaraan bij­dragen? En het is zeer belangrijk dat je de mensen die die misdaden pleegden inderdaad te pakken krijgt.’

Daar zit je dan, tegenover slachtoffers die ­ledematen missen, die huilen, stil zijn of bang voor je zijn. En misschien vind je troost in het feit dat je je werk zo goed mogelijk probeert uit te voeren.

‘Ja, daar zit je dan. Het is vaak niet makkelijk, omdat je te maken hebt met medemensen die iets vreselijks is overkomen. En die, zoals je zegt, soms erg emotioneel kunnen zijn. Soms zijn mensen compleet van slag en duurt het twee, drie dagen voordat je de feiten boven tafel krijgt. Natuurlijk, je werkt in een team, met je tolken, met je analisten, maar de verhalen neem je mee naar huis, het is niet zo dat je die op je bureau achterlaat. Voor je ’s avonds in slaap valt, denk je eraan. Heb je medelijden, grijpt het je aan. Of eigenlijk: het grootste deel van de tijd ben je aangedaan. Maar emotioneel zijn helpt de zaak niet vooruit. Uiteindelijk is de vraag: hoe vertaal ik die emotie? Hoe kan ik al die verhalen die ik hoor vertalen in een zaak die ik de rechters kan voorleggen?’

Je gebruikt je scherpe verstand en je ervaring om het recht te doen zegevieren.

‘Het recht, inderdaad. Daar is dit allemaal om te doen. Het is de rule of law. De scheidslijn tussen hen die de macht uitoefenen en hen die het slachtoffer zijn, is de wet.’

Rwanda was een goede voorbereiding op Den Haag, vindt ze. ‘Het heeft me voor deze baan klaargestoomd. Internationale strafrecht­pleging is iets wat je meezuigt, wat aan je trekt. Hier in Den Haag hebben we een hele lijst van voortvluchtigen die ik zo snel mogelijk voor het gerecht wil brengen. Plegers van de allerzwaarste misdaden. We hebben de Soedanese president Omar al-Bashir, die gezocht wordt wegens genocide; we hebben Joseph Kony van het Verzetsleger van de Heer, die we zoeken voor misdaden tegen de menselijkheid, voor moord, ontvoering en seksueel geweld; we hebben Bosco Ntaganda, rebellenleider in het Grote Meren­gebied, die gezocht wordt wegens het inzetten van kindsoldaten, maar die we nu ook willen wegens moord, verkrachting en seksuele slavernij. Het is een lange lijst.’

Een té lange lijst volgens velen. Het ICC is op de kop af tien jaar in sessie. Van de 29 gedagvaarden staan er vijf terecht, zitten er vijf in voorarrest, zijn er vier van rechtsvervolging ontslagen, zijn er twaalf voortvluchtig en drie dood. Slechts één verdachte, de Congolese rebellenleider Thomas Lubanga, is, in juli van dit jaar, veroordeeld tot veertien jaar cel.

‘Allereerst: wijzelf kunnen niet arresteren. Het Strafhof heeft geen leger en geen politie; dat was van meet af aan ook de taak niet van het icc. We zijn opgericht om onderzoek en vervolging ter hand te nemen; arrestatiebevelen uitvaardigen is wat we doen. Het uitvoeren daarvan is aan de 121 verdragsstaten. En die zíjn ermee bezig. Ik heb op dit moment voldoende politieke steun. Steeds meer staten tonen zich bereid om onze bevelen uit te voeren. Onlangs heeft Malawi geweigerd een top van de Afrikaanse Unie te huisvesten vanwege de komst van Al-Bashir. “We zullen hem arresteren en naar Den Haag sturen”, verklaarde Malawi. Congo heeft al drie van zijn onderdanen aan het icc uitgeleverd, Botswana werkt mee. Je moet begrijpen: het icc is een vrijwillige organisatie. Je tekent en ratificeert zo’n verdrag met open ogen, niemand dwingt je. Ik heb het gevoel dat je dat onderschat. Want ik redeneer: wat motiveert een staat om toe te treden en het Statuut van Rome te ondertekenen? Wat daar in Rome gebeurde, de geboorte van het icc, was big. Het oprichten van een permanent, internationaal hof om met zware misdaden af te rekenen, was van historische proportie. Het idee stamt al uit 1919, vlak na de Eerste Wereldoorlog. Na de eerste rechtszaken, de processen van Neurenberg, kwam alles weer tot stilstand, totdat in de jaren tachtig en negentig het idee weer werd opgepikt. Het Joegoslavië-tribunaal en later het Rwanda-tribunaal en het Sierra Leone-tribunaal zetten het internationale strafrecht stevig in de steigers. Maar dit zijn ad-hocrechtbanken en hun mandaat stopt. En zoals jij en ik helaas maar al te goed weten: oorlogsmisdaden stoppen niet. Maar de ad-hoctribunalen hebben laten zien dat het recht uiteindelijk de misdaad straft. Soms duurt het een tijd: mensen als Karadzic en Mladic waren zestien jaar voortvluchtig, vandaag staan ze voor de rechter.’

De kritiek van Afrikaanse leiders was dat het Strafhof zich te eenzijdig op Afrika richt. Meer dan eens werd het ICC beschuldigd van neo­kolonialisme.

‘Afrika begrijpt dat het een orgaan als het icc nodig heeft. Het heeft van meet af aan begrepen dat een Internationaal Strafhof van grote waarde zou zijn om de misdaden in Afrika het hoofd te bieden. Want je moet beseffen dat daar waar het geweld plaatsvindt, de gewone instituties die misdaden moeten beteugelen vaak zo goed als non-existent zijn. Soms is ook de politieke situatie van dien aard dat het voor een staat moeilijk, zo niet onmogelijk is om met daders af te rekenen. Soms ontbreekt ook de wil. Vorig jaar vroeg Ivoorkust – geen verdragsstaat – ons om tussenbeide te komen; afgelopen maand kwam Mali naar mijn bureau met het verzoek tot interventie. Tegen iedereen die zegt dat we ons te eenzijdig richten op Afrika zeg ik: we vervolgen misdaden daar waar ze zijn. Onze criteria zijn niet geografisch.’

Israël en Soedan hebben de VN geïnformeerd niet langer van plan te zijn toe te treden tot het ICC en zullen het verdrag niet ratificeren. China en India tekenden sowieso al niet. Alleen wanneer de VN-Veiligheidsraad beslist dat de misdrijven die zijn begaan ‘een bedreiging zijn voor de internationale vrede en veiligheid’ kun je daders vervolgen desnoods tegen de wil van die bedoelde staten.

‘Het loutere feit dat je niet tekent of ratificeert, betekent niet dat je ontsnapt aan het Strafhof, ik hoop dat je dat beseft. Libië is geen verdragsstaat, Soedan is geen verdragsstaat; de Veiligheidsraad heeft ons gevraagd een zaak te starten. Als je het me op de man af vraagt: ja, ik denk dat dit hof uiteindelijk universele jurisdictie verkrijgt. Het hangt van de timing van staten af, maar het Strafhof kan wachten. We zijn een permanent hof, we hebben tijd. De legitimiteit van het icc is nu gegrondvest. We hebben ons gevestigd als een speler op het internationale toneel. Ik denk dat daarnaast de geloofwaardigheid van het hof steeds sterker zal worden. Er zúllen meer successen komen.’

In het Grote Merengebied is de klopjacht op Joseph Kony sinds twee weken in volle gang. Een troepenmacht van de Afrikaanse Unie, bestaande uit militairen uit Oeganda, Zuid-Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek, zit naar eigen zeggen de leider van het Verzetsleger van de Heer op de hielen en verwacht hem binnen twee maanden over te kunnen dragen aan Den Haag. Drones zijn in de lucht en special forces uit de VS opereren naar verluidt tot in Darfur in West-Soedan. Iets verderop, in Khartoem, hangt Omar al-Bashir het arrestatiebevel van het icc boven het hoofd. In buurland Libië, intussen, wacht het Strafhof al maanden op de uitlevering van Kadhafi’s zoon Saif al-Islam. ‘Het net sluit zich’, zegt de aanklager. ‘Het is slechts een kwestie van tijd. De plaats waar ze zich kunnen verschuilen, wordt kleiner en kleiner.’

Maar minstens zo belangrijk vindt ze wat Ban Ki-moon noemt ‘the shadow of the court’. ‘Met diezelfde ene veroordeling van Thomas Lubanga waarover je net wat schamperde, heeft het icc een niet mis te verstaan signaal afgegeven over het rekruteren van kindsoldaten – een misdaad die een hele generatie van kinderen betreft. De impact van het vonnis was dat, ver van Lubanga, ver van de Democratische Republiek Congo, andere staten begonnen zijn met het demobiliseren van kinderen. Alleen al Nepal heeft sindsdien drieduizend kinderen ontwapend. De speciale VN-gezant voor kinderen en gewapende conflicten vertelde me dat ze de Lubanga-zaak gebruikt in haar onderhandelingen over demobilisatie.’

‘Executies in Gambia na twintig jaar zonder doodstraf’, kopten de kranten eind augustus. Acht mannen en een vrouw werden uit hun cellen gehaald en terechtgesteld. In een poging ‘het land te ontdoen van alle criminelen’, voert president Yahya Jammeh een geheel eigen wijze van rechtspleging in. Na een internationale storm van protest bond de even excentrieke als flamboyante president – die ooit zwoer ‘alle homo’s te zullen onthoofden’ – net zo makkelijk weer in, en 39 doodvonnissen zijn tot nader order opgeschort. Ik zeg Fatou dat ik als homo eigenlijk niet zo’n zin heb om m’n hoofd te verliezen. Dat zal zo’n vaart niet lopen, begrijp ik, Jammeh roept wel vaker dingen.

Maar voor het overige: ‘Laat het duidelijk zijn dat ik geen mensenrechtenactivist ben, ik ben aanklager. Een aanklager met een mandaat, onder een statuut. En dit mandaat is het onderzoeken van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Nu ja, toegegeven: in zekere zin ben ik misschien wél een mensenrechtenactivist, want de misdaden die ik vervolg zijn ten diepste een verkrachting van de mensenrechten van een persoon. Maar je kunt van mij niet verwachten dat ik vanaf deze stoel spreek over welke activiteit van staten dan ook die buiten mijn mandaat valt. Inderdaad, ik heb ooit gezegd te zullen vechten voor gerechtigheid voor alle Afrikanen – en ik zal, altijd en overal, voor gerechtigheid strijden. Maar ik denk niet dat het fair is om vanaf deze stoel welk staatshoofd dan ook te kritiseren op een gebied van mensenrechten dat buiten mijn mandaat valt. Het zou niet juist zijn voor een aanklager van het icc.’

Ik ga ervan uit dat je hierin je persoonlijke opinie moet scheiden van je beroepsmatige?

‘Precies! En ik denk dat ik mijn achterban geen dienst bewijs wanneer ik mijn persoonlijke mening begin te ventileren. Stel dat ik destijds een persoonlijke mening had gegeven in de situa­tie rond de presidentsverkiezingen in Ivoorkust; luttele jaren later komt de zaak op mijn bureau en vraagt Ivoorkust me het vroegere staatshoofd te vervolgen – wat zou ik dan doen? Je zult me vanuit deze officiële positie nimmer een staatshoofd zien aanvallen, welke reputatie ze ook mogen hebben. Behalve als ik ze vervolg – dat moge duidelijk zijn.’

Langzaam maar zeker verdwijnen de dictaturen uit Afrika, constateert ze, die weg is al ingeslagen. ‘De afgelopen jaren hebben we de overgang naar democratische rechtsstaten links en rechts zien plaatsvinden. In sommige gevallen niet zonder initiële moeilijkheden, zoals in Ivoorkust; in meer en meer gevallen soepel, zoals in Senegal, Liberia en Ghana. Ik verwacht hetzelfde in Ethiopië. De verkiezingen verlopen beter en beter, zelfs in die landen die een geschiedenis hebben waarin staatshoofden voortijdig sterven en er onmiddellijk een burgeroorlog uitbreekt die voortduurt en voortduurt. Nu wordt de ene leider soepel opgevolgd door de volgende, er waren dit jaar als ik me niet vergis achttien democratische verkiezingen in Afrika. Het is niet langer alles doom and gloom. Staat het continent op het punt van een renaissance, van een ontwakend zelfbewustzijn? Het antwoord is volmondig ja! En ik ben me zeer bewust van de symbolische betekenis van mijn benoeming.

Op dit moment is Afrika een goede plaats om te zijn. We zijn begonnen kritisch naar onszelf te kijken, naar wat we fout deden en er heerst een positieve energie om het nu beter te doen. Afrika is een rijk continent; rijk aan grond­stoffen, maar rijk ook aan culturen. Dat zijn dingen die we kunnen maximaliseren, die we te gelde kunnen maken. De diversiteit is enorm, dat heeft men in het Westen vaak niet door. Alleen in mijn land zijn er op een bevolking van anderhalf miljoen minstens zes, zeven verschillende etnische groepen. In Nigeria meer dan tweehonderd. Die verscheidenheid scheidt ons niet, maar brengt ons samen, hoe verschillend ook: Afrikanen voelen zich Afrikaan. Ik ben trots een vrouw te zijn, ik ben trots een Afrikaan te zijn. We zijn in het decennium van Afrika, je hoeft geen twintig, dertig jaar meer te wachten, het is begonnen. En je zult meer van ons zien, niet alleen in de zin van economische ontwikkeling maar ook in de zin van democratisering. We zullen onze cultuur tonen en onze ware kleuren, dat is wat er gebeurt in Afrika de komende tien jaar, so watch out!’