Essay Een verbeelding van Afrika

Afrika is niet arm

Afrika moet zichzelf opnieuw opbouwen. Zonder hulp van buiten. Het continent kan niet langer de schuld afschuiven. ‘Maar zelfonderzoek zou ons beroven van ons comfortabele zelfbeeld als slachtoffers van de geschiedenis, van het kolonialisme, van het racisme, van het kapitalisme, van het socialisme, van onze eigen onschuld en intrinsieke goedheid…’

HET IS JULI 2005 en ik word achtervolgd door twee beelden. Ze zijn niet gerelateerd en misschien wijzen ze slechts indirect op belangwekkende kwesties die momenteel hun schaduw werpen op de wereld die wij bewonen – barbarisme, terrorisme, imperialisme, verarming, plagen, de afwezigheid van ethische codes en een hiërarchie van waarden, doorgeschoten materialisme, intellectueel en artistiek narcisme… Toch illustreren beide beelden voor mij de verse breuklijn waar het private en het publieke samenkomen.
Het eerste beeld is dat van de zogenaamde ‘pianoman’. Op de stormachtige nacht van 7 april wordt een blanke man gevonden die over straat zwerft langs het strand van Sheerness in Kent. Zijn elegante donkere pak is doorweekt, alle naamkaartjes zijn zorgvuldig verwijderd, hij heeft niets bij zich om zich te identificeren. Klaarblijkelijk heeft hij zijn geheugen en daarmee zijn identiteit verloren. Als je vergeet hoe anderen je zagen, houd je op te bestaan. De man wordt meegenomen naar een ziekenhuis, het Medway Maritime Hospital. Het nationale centrum voor vermiste personen wordt gewaarschuwd. Er komt niemand naar voren die weet wie hij is. In de daaropvolgende weken beginnen er op het internet duizenden reacties, speculaties, theorieën en valse identificaties te circuleren, allemaal tevergeefs en ten slotte zal de interesse afvlakken. De man heeft een angststoornis: als iemand de kamer waar hij verblijft binnenkomt, kruipt hij weg in een hoek. Na een paar dagen tekent hij een concertvleugel op een vel papier. Hij wordt naar een vleugel gebracht, hij neemt plaats en begint prachtig te spelen, uren aan een stuk. Alleen als hij speelt ontspant hij zich. De jonge blonde vreemdeling met de melancholische en angstige ogen reageert niet op vragen, lijkt geen enkele taal te spreken, tekent of schrijft verder niets meer, maar componeert wel muziek. Hij is duidelijk een volleerd concertpianist en moet met geweld van het instrument worden losgescheurd. Hij drukt de map met zijn composities tegen zijn borst.
Het tweede beeld komt bij mij op – of eigenlijk valt het veeleer uit de hemel – als een Icarus met verbrande vleugels. Een los mensenbeen valt op het dak van Pam Hearne, die op negen kilometer afstand van het JFK-vliegveld in New York woont. Later zullen er nog meer lichaamsdelen worden gevonden in de ruimte voor het landingsgestel van een vliegtuig dat voor South African Airways vanuit Johannesburg via Dakar naar New York vloog. Opnieuw geen naamkaartjes en geen identificatiebewijs. Pam Hearne zegt dat ze eerst dacht dat het geluid werd veroorzaakt door een buurman die zijn wagen stond in te laden. ‘Ik ben blij dat ik leef waar ik leef’, verklaart ze, ‘zodat ik niet hoef te vluchten om het vege lijf te redden, zoals deze man klaarblijkelijk moest.’ De autoriteiten verklaren: ‘Op geen enkel moment zijn de passagiers aan boord in gevaar geweest.’
We mogen wel stellen dat het internationale klimaat achteruit is gegaan, zowel fysiek als moreel. Zonder in te gaan op de onafzienbare neiging en voorliefde van de mens om oorlog te voeren, zonder te pretenderen te begrijpen waarom deze ‘leefwijze’ even fataal als onvermijdelijk lijkt te zijn (als het doden van je naasten tenminste door kan gaan voor een leefwijze) en dus ook zonder het te wagen de levensvatbaarheid van de eeuwenoude tegenbewegingen in de richting van pacificatie in te schatten, meen ik te mogen stellen dat we in de afgelopen twintig jaar een toename hebben gezien van de massale slachtpartijen en een groeiend onvermogen om de implicaties onder ogen te zien.
De ‘wereld’ – of in ieder geval significante delen daarvan – maakte er bezwaar tegen dat zwarten in Zuid-Afrika werden gedood en onderdrukt enkel en alleen omdat ze zwart waren. Kunnen we beweren dat de genocide in Rwanda tien jaar geleden evenveel verontwaardiging losmaakte? Voelen we ons even betrokken bij de gebeurtenissen in Sierra Leone, Liberië en Somalië en bij wat de bevolking in Darfur, Zimbabwe en Congo wordt aangedaan? En proberen we even hard de lont uit die conflicten te halen? Waarom niet? Omdat het afgelegen gebieden zijn met weinig invloed op het wereldwijde machtsevenwicht en met slechts een beperkte marktwaarde? Omdat het bloedvergieten en de onderdrukking niet het werk is van blanken? Of zijn de problemen te ingewikkeld, is de cultuur ons te ‘duister’? Zijn we het moe geworden te proberen de ander te begrijpen? Hebben we ons van onze morele naamkaartjes en onze identiteit ontdaan terwijl we existentialistische deuntjes spelen op de piano?
We worden van alle kanten beslopen door opkomend fundamentalisme, een wedergeboorte van religiositeit, het opgelegde idee dat wereldwijd kapitalisme richtingbepalend zou zijn voor de vooruitgang, een verheviging van de armoede en de ongelijkheid, een heropleving van het racisme… De Verenigde Staten zijn onder George W. Bush een schurkenstaat geworden, Europa is tegenwoordig zo verkrampt als het achterste van een kleien os (ik gebruik hier een Afrikaans gezegde) en in Afrika wordt de geest tot waanzin gedreven door alle ellende – onze vrijheid steeds meer ingeperkt door de willekeur van verachtelijke heersers of door de ongebreidelde gierigheid van de elites en de afpersingen van soldaten die de bevolking beroven. Op sommige plaatsen bestaat er geen vrijheid omdat het ontbreekt aan de economische en politieke middelen om de vrijheid te construeren. Is het dan niet begrijpelijk dat wanhopige individuen proberen te ontsnappen in broze, overvolle cayuco’s, of zich verstoppen bij het landingsgestel van vliegtuigen, waar ze geen kans maken te overleven omdat ze ofwel dood zullen vriezen ofwel tot moes zullen worden gemalen?
Wat moeten we met de heropleving van het kannibalisme, met de kinderen die wapens krijgen om aan het moorden te slaan? Hoe zijn wij als groep zo ver gekomen dat we aanvaarden dat er zoiets bestaat als ‘gefaalde staten’, ‘zwarte gaten’, dat we daarmee kunnen leven? Wanneer zijn we vervreemd geraakt van het besef dat wat weerlozen wordt aangedaan, wat wij toestaan dat hen wordt aangedaan, ons allemaal aangaat, dat de bel voor ons allemaal luidt? En dat wij de rot in onze morele ruggengraat laten kruipen wanneer wij het onaanvaardbare impliciet vergoelijken, waardoor we allemaal iets van onze menselijkheid verliezen, iets van onze beschaving zelfs? Zijn we uit het oog verloren dat werkelijke verandering afhankelijk is van ieder van ons? Hoe heeft deze verschuiving in prioriteiten – van de ander naar het zelf – zo alomtegenwoordig kunnen worden? We leven in het tijdperk van het eigenbelang.
Toegegeven, veel van onze internationale solidariteit was misschien gegrond op broze afspraken, hypocrisie en nationale of economische belangen, maar ze creëerde tenminste bepaalde maatstaven en belichaamde een gedragslijn.

WAT ZIJN DE WAARDEN VAN DE WERELD? James Wolfensohn, voormalig president van de Wereldbank, wees er in een interview op dat overheden wereldwijd jaarlijks negenhonderd miljard dollar besteden aan defensie, driehonderd miljard aan het ondersteunen of eigenlijk subsidiëren van ’s werelds rijkste boeren en slechts 56 miljard aan ontwikkelingshulp. Armoedebestrijding is natuurlijk niet zo winstgevend als het stimuleren van de wapenverkoop. Volgens de media zou het ruimteschild van president Bush ongeveer 58 miljard dollar kosten, terwijl deskundigen hebben berekend dat de aangekondigde millenniumdoelstellingen (het uiterlijk in 2015 significant terugdringen van de armoede en wat dies meer zij), zoals die plechtig en in grote harmonie door vrijwel alle naties ter wereld zijn overeengekomen, op z’n vroegst behaald zullen worden in het jaar 2147.
Deze arrogantie moet worden afgezet tegen een aantal statistieken. In 2003 leefden er 704 miljoen mensen in Afrika tegen 307 miljoen in de eurozone. De gemiddelde levensverwachting in Afrika was 45,6 jaar tegen 78,9 jaar in Europa. Van de Afrikanen was 7,2 procent hiv-positief tegen 0,3 procent van de Europeanen. In Afrika werd per persoon 457 kilowatt aan elektriciteit gebruikt tegen 5912 kilowatt in Europa. Het gemiddelde jaarinkomen was vijfhonderd dollar in Afrika tegen 22.810 dollar in Europa. In Afrika was dertien procent van de wegen begaanbaar tegen 95 procent van de Europese wegen. In 2003 telde Afrika 348.000 lijnvluchten tegen 3,5 miljoen voor Europa. Tussen 1981 en 2003 steeg het aantal Afrikanen dat rond moet komen van minder dan een dollar per dag van veertig naar vijftig procent terwijl dat aantal voor China in dezelfde periode terugliep van zestig naar twintig procent. De Nepad (het economische samenwerkingsverband van Afrikaanse staten) begrootte op jaarbasis 64 miljard dollar voor de ontwikkeling van Afrika’s in verval geraakte en vaak slecht op zijn taak toegeruste infrastructuur, maar in de afgelopen vier jaar is slechts één procent daarvan ook echt besteed aan infrastructuur.

AFRIKA IS ARMER DAN OOIT TEVOREN. Extreme armoede is verviervoudigd in de afgelopen twintig jaar. Meer dan een derde van Afrika’s inwoners moet rondkomen van minder dan een halve dollar per dag. Er is meer ‘ontwikkelingsgeld’ in Afrika gestoken dan het Marshallplan na de Tweede Wereldoorlog naar Europa heeft gebracht (al belandt veel ‘Afrikaans’ geld in de zakken van ontwikkelingsorganisaties of hun nationale bedrijven), dus waar blijven onze industrieën, universiteiten, publieke instellingen, ziekenhuizen en wegen? Onze burgeroorlogen – zoals die in de twee landen met de grootste bevolking, Soedan en Congo – woeden nu al zo lang dat ze endemisch, permanent en onoplosbaar lijken. Een gemiddelde Nigeriaan is, ondanks de oliebonanza, nu armer dan in 1970. Het land wordt verscheurd door etnische en religieuze conflicten en is een van de corruptste plekken ter wereld. Het juridische systeem is vrijwel volledig ingestort. Maatschappelijke chaos en kapitaalvlucht zijn de norm. De ooit trotse universiteiten zijn geïmplodeerd.
Ja, we leiden ons leven nog steeds aan de hand van rijke humanistische tradities en ja, op geen enkel ander werelddeel doden mensen elkaar zo gemakkelijk en vanaf zo jonge leeftijd. Ja, veel van de verschrikkingen kunnen worden toegeschreven aan vampierachtige leiders, roofdieren die hun bevolking tot de bedelstaf veroordeelden – Idi Amin, Bokassa, Mobutu, Eyadéma, Charles Taylor, Arap Moi, Robert Mugabe, Dos Santos – maar ja, we moeten ons ook de vraag stellen of de minder gierige leiders, ‘christelijke heren’ zoals Kaunda en Nyerere, ons iets anders hebben nagelaten dan waanzinnig en desastreus economisch beleid. Wijlen Claude Aké zei eens: ‘Het probleem is niet dat de ontwikkeling heeft gefaald, maar dat ze nooit ook maar op de agenda heeft gestaan.’
Want ik wil in het voorbijgaan onderstrepen dat ik Afrika’s armoede niet enkel beschouw als het gevolg van mondiale onrechtvaardigheid. Zeker, de oorzaak van onze achterlijkheid is deels gelegen in het systeem. Wat kunnen we anders verwachten van een wereldwijd kapitalisme? Maar het hangt geheel van onszelf af of we ons blijven wentelen in onze armoede, in ons zelfmedelijden. Afrika is niet arm. En al wordt de corruptie wellicht aangezwengeld vanuit Londen, Parijs en Washington, de medeplichtigen en vaak ook de begunstigden zijn diegenen in Afrika die zich te goed doen aan de ellende van de armen. Alleen de Afrikanen zelf kunnen Afrika redden en schadeloos stellen.

OM CREATIEF TE ZIJN MOETEN WE ONS BEVRIJDEN van gehechtheden. We moeten de geest blijvend ontketenen, als we hem ervan willen weerhouden terug te vallen in de duisternis van wanhoop en eigenbelang. Hoe houden we onze geest vrij? Het volstaat niet de duisternis te bezingen. Om te overleven moeten we de verantwoordelijkheid nemen om een andere wereld te verbeelden. Welk vooruitzicht kunnen we anders bieden aan een dertienjarig jongetje in Monrovia dat nu meent dat het voor zijn volwassenwording nodig is een ak-47 aan te schaffen, zich te drogeren, goedkope lippenstift en een pruik op te doen, zich te hullen in een bruidsjurk en aan het moorden te slaan? Wat is ons voorstel aan de kinderen? Wat hebben zij om voor te leven? Niet iedereen kan een ‘pianoman’ zijn.
De wereld is onderling verbonden en Afrika maakt deel uit van de vergelijking, al ligt de frontlinie tussen Oost en West ergens anders. Afrika is altijd verbeeld, zowel van binnen als van buiten, meestal bij wijze van escapisme. Het gebeurt zelfs nu nog. Aan de ene kant wordt er steun voor het werelddeel opgetrommeld door popconcerten en G8-bijeenkomsten en het opstellen van commissies en doelstellingen. Aan de andere kant horen we de al evenzeer uit eigenbelang voortvloeiende mantra’s over ‘soevereiniteit’, over het fatsoenlijke bestaan dat de wereld aan Afrika verschuldigd is, een bestaan dat zou moeten worden gegrond op een hernieuwde bekrachtiging van de leugens die we – van het kolonialisme tot aan de post-onafhankelijkheid – hebben leren kennen onder het mom van goed bestuur en staatsmanschap en politieke stelsels.
Aan de percepties van Afrika – die een geschiedenis kennen met meer diepte- dan hoogtepunten, een verhaal waarin soms wordt gegeven maar veel vaker wordt genomen – liggen reële cultuurverschillen ten grondslag. Het gaat om een rijke schakering aan benaderingen tot de dood, tot de continuïteit tussen de generaties, tot het verstrijken van de tijd, tot de inbedding van het bewuste leven in het onbekende, tot het idee en het gebruik van het lichaam, tot de traditionele manieren om de kracht van het duister aan het licht te brengen met ritmes en bezweringen.

DEZE BESPIEGELINGEN WERDEN GEÏNSPIREERD door een tentoonstelling van Afrikaanse kunst die ik bezocht in Parijs. Ze was getiteld Africa ReMix. Een afschuwelijke naam trouwens. Alsof een kunstenaar ermee zou kunnen volstaan wat oude uitdrukkingen door elkaar te husselen!
Wat mij trof waren de primaire vitaliteit van veel werken, de doelbewustheid waarmee materialen en oppervlakten werden gehanteerd en de spottende toon. ‘Traditionele’ Afrikaanse motieven – aarde, lappen, lichaamsbeschilderingen, magie – werden verwerkt in westerse vormen zoals installaties en videokunst. De installaties verraadden vaak een narratieve intentie (we zijn niets zonder een verhaal over onszelf). De videokunst was (zoals vrijwel overal ter wereld) overwegend banaal, lelijk en leeg. Deze kunst was met andere woorden grosso modo toegesneden op de westerse museumbezoeker. Zeker, er was enige hedendaagse Afrikaanse eigenheid aan de werken meegegeven door het gebruik van afgedankte overblijfselen van de consumptiemaatschappij – blik, oude wapens, plastic verpakkingen, opnieuw gebruikte beelden – om zo het wrange punt te maken dat Afrika teert op het afval van de ontwikkelde wereld en dat alles – hoe nederig ook – kan worden omgevormd tot kunst.
Nog afgezien van dit hybride karakter – de meeste hier vertegenwoordigde Afrikaanse kunstenaars wonen en werken in Europa – wierp de tentoonstelling ongemakkelijke vragen op. Waarom zijn deze kunstenaars bij elkaar gebracht? Wat hebben kunstenaars uit noordelijk Afrika gemeen met, zeg, kunstenaars uit Congo? Wat verbindt Afrikanen dat hen als groep onderscheidt van de rest van de wereld? En waarom lijkt er bij buitenstaanders een noodzaak te bestaan om Afrika als een geheel te zien? Is het misschien ter bevestiging van stereotypen, eigentijdse uitingen van exotisme, nu onder het mom ‘respect te betonen aan wat ons vreemd is’, met de geruststellende implicatie dat het werelddeel op die manier stuurloos, exotisch en in zijn eigenheid duidelijk onderscheiden van de eigen omgeving blijft?
Is het niet eerder Europa dat zich in zijn ontwikkeling steeds ‘vreemder’ betoont? Neem bij uitstek welvarende en blijmoedige landen als Nederland en Denemarken. Het merendeel van de Nederlanders en de Denen verzet zich nu openlijk tegen de verdraagzaamheid en de internationale solidariteit die het beleid van hun regeringen de afgelopen dertig jaar heeft bepaald. Beide landen tonen zich nu van een boze, xenofobische en zelfs racistische kant.
Hoe heeft dit zo ver kunnen komen?
Los van de in het oog springende problemen, voornamelijk van economische aard, die de integratie van grote hoeveelheden immigranten met zich meebrengt, spelen er ongetwijfeld ook culturele tegenstellingen. De buitensporige tolerantie jegens diversiteit (in theorie) en de mateloze verdraagzaamheid miskenden de behoefte aan nationale samenhang en richting, aan identiteit zelfs. Relatief homogene culturele groepen klampen zich immers vast aan hun bestendige vertrouwdheid met de geografische gebieden die ze bewonen. Het mengen van bevolkingsgroepen brengt niet noodzakelijkerwijs een grotere aanvaarding van verschillen met zich mee. Er werd ten onrechte van uitgegaan dat wie wij in hun eigenheid aanvaardden, van de weeromstuit ook onze eigenheid zouden respecteren om zo samen een gedeelde niet-religieuze basis te vinden om op te bouwen. Het was een aanmatigende, moralistische benadering die de landsgrenzen oversteeg, die probeerde de arme landen te laten aanvaarden wat de democraten meenden dat goed voor hen was (zoals ‘democratie’!), die geen rekening hield met de geschiedenis of met de hypocrisie van het Noorden en die resulteerde in een heropleving van extreem-rechts in de eigen achtertuin.

NIETS VAN HET BOVENSTAANDE ontslaat ons binnen Afrika van de verplichting bij onszelf te rade te gaan om een creatieve en omvormende verbeelding los te maken. Ik weet dat het als verraad voelt de verschrikkingen – óns werk, ónze verantwoordelijkheid – te erkennen, omdat we racistische vooroordelen zo onbedoeld kunnen bekrachtigen. We zouden de strijd daarmee verraden, zo wordt vaak beweerd. Maar zelfonderzoek zou ons bovenal beroven van ons comfortabele zelfbeeld als slachtoffers van de geschiedenis, van het kolonialisme, van het racisme, van het kapitalisme, van het socialisme, van onze eigen onschuld en intrinsieke goedheid…
We moeten om te beginnen onderkennen dat we van de euforie na de bevrijding zijn afgedaald naar het hart der duisternis. We moeten toegeven dat het concept van de natiestaat zoals dat momenteel in Afrika bestaat, louter ten behoeve van roofzuchtige lokale elites en corrupte en cynische buitenlandse bedrijven, niet levensvatbaar is. De democratie die zich bij ons heeft verbreid, hoewel op smaak gebracht met het zoete vergif van verkiezingen, zal nog onze dood betekenen. We moeten onder ogen zien dat buitenlandse ontwikkelingshulp niet helpt. We weten dat Afrika opnieuw moet worden opgebouwd, met radicaal nieuwe uitgangspunten, op basis van waarachtige autonomie en onafhankelijkheid. We weten dat we een morele revolutie nodig hebben, om de behoeften van het continent te lenigen, om onze opgeblazen retoriek en demagogische dikdoenerij klein te krijgen. Dat is niet de taak of verantwoordelijkheid van de buitenwereld.
Volgens mij schiet de morele verbeeldingskracht van onze generatie op grote schaal te kort. Verantwoordelijke vrijheid hebben we ingeruild voor zelfverrijking en toe-eigening, aangelengd met lafheid, verraad, corrumperende afhankelijkheid, de verheerlijking van ons onvermogen en onze politiek correcte aanstellerij in een taal die is ontdaan van elke textuur of kleur. We hebben onze schrille interventies gebaseerd op abracadabra over wonden die moesten helen en ellende die we achter ons moesten laten, andere woorden gebruikend voor het onaanvaardbare in de hoop verschrikkelijke werkelijkheden niet onder ogen te hoeven zien. In sommige gevallen voerden we – soms tot op de dag van vandaag – de sinistere klucht op waarbij het bekennen van marteling en onderdrukking geacht wordt te leiden tot vergiffenis en verzoening, bij uitstek een voorbeeld van de hypocriete praktijk om religieus geïnspireerde wroeging in te zetten als symptoombestrijding tegen maatschappelijke verloedering zonder het belangrijkste op het spel te zetten: de macht en de privileges van de rijken en hun handlangers. Elke vertoning, elke opgezette vogel, alles liever dan onze gedeelde menselijkheid ondubbelzinnig als uitgangspunt te nemen om te identificeren wat onaanvaardbaar is en het recht te laten zegevieren!

WAT ALS ONZE KUNSTENAARS en intellectuelen volstaan met ironisch commentaar, zoals in Africa ReMix? Wat als ze slechts hun hachje proberen te redden, zich wentelend in hun slachtofferrol, de schuld afschuivend, ronddolend in steeds onafzienbaarder labyrinten bij hun jacht op het vervreemde ego?
Toen ik Africa ReMix uit liep, zag ik een blanke man op leeftijd, modieus gekleed in een donker pak boven een zwart T-shirt met daarop in rode letters: ‘Afrika staat in brand’. En ik vroeg me af of we echt moeten worden teruggebracht tot een modieuze kreet op een T-shirt.

VRIJHEID IS SCHULDGEVOEL, want ze brengt het besef van onvrijheid met zich mee. Je zou kunnen stellen: vrijheid is kennis en daarmee verantwoordelijkheid.
Ik geloof in een wisselwerking tussen het Zuiden en het Noorden waarbij de twee elkaar welbewust proberen te versterken, op basis van volledige oprechtheid en absolute gelijkwaardigheid. Wat Europa doet voor Afrika, moet Afrika voor Europa kunnen doen. Ik geloof dat een dergelijke wisselwerking zaken in beweging zou moeten brengen en dat ze welbewust ruimten van creativiteit, debat en transformatie (in beide richtingen) zou moeten bewerkstelligen om individuen te helpen hun kracht te vinden. Ik geloof dat we de on-macht zouden moeten beoefenen (in beide richtingen) door te weigeren de geloofwaardigheid en de veronderstelde soevereiniteit te steunen van corrupte regimes die teren op diefstal, onderdrukking, ceremonieel en schone schijn, en door evenmin te accepteren dat de zwakken te gronde worden gericht door de globalisering van de vrije markt.

POST SCRIPTUM
Uiteraard dient erop te worden gewezen dat de ‘pianoman’, toen de speculaties waren bedaard, een ober uit Beieren bleek te zijn, afgewezen in de liefde door een andere man, hopeloos verstrikt in de moeilijkheden van het leven. Blijkbaar had hij het gedrag van mensen met geheugenverlies bestudeerd en was er op uit getrokken om zichzelf opnieuw uit te vinden in overeenstemming met een romantische droom. Er zijn niet veel manieren om te ontsnappen aan deze wereld van controle en categorisatie… Voor ons was deze raadselachtige man mateloos intrigerend, zoals hij verscheen van over zee, in het duister, als kwam hij uit de ruimte.
Er zijn niet veel manieren om te ontsnappen aan deze wereld… Hoewel Spaanse en Italiaanse troepen steeds meer patrouilleren voor de kusten van Afrika in een poging hen te onderscheppen, hoewel duizenden die Europa hebben gehaald worden gecriminaliseerd door hen in kampen vast te houden of door hun de status van schaduwachtige vluchtelingen te verlenen, riskeren jaar in, jaar uit steeds meer mensen met grauw gelaat en aan flarden gescheurde kleren letterlijk hun leven in een poging om ‘het paradijs’ te bereiken. ‘Europa of de dood!’ zo luidt de strijdkreet. Onder hen zijn vrouwen en kinderen. Zij sterven als eersten, worden soms overboord gegooid, anonieme lijken die in de branding rondbuitelen, die aanspoelen op stranden waar toeristen liggen te zonnen.

Bovenstaand stuk wordt gepubliceerd in Breyten Breytenbachs essaybundel Notes from the Middle World. Het verschijnt als Berichten uit de Middenwereld voorjaar 2010 bij Podium (vertaald door Krijn Peter Hesselink).
Van 14 juni tot 26 juli is in Hengelo de manifestatie Raakruimtes, rond de beeldende kunst, poëzie en romans van Breytenbach; www.raakruimtes.nl