Afrika ligt in Amerika

In Wat is de Wat plaatst Dave Eggers het gehavende Soedan midden in Atlanta. Een beetje multatuliaanse vormvindingrijkheid had Eggers’ nieuwste roman meer overtuigingskracht gegeven.

Medium openingk

Denken met je zintuigen, voelen met je geest. Wie voortborduurt op dit motto van de huidige Biënnale in Venetië – die geëngageerde kunst wil laten zien los van documentaire agitprop en voorbij de pseudo-artistieke weerspiegeling van chaos en genocide – kan erop variëren: kijken met je oren, horen met je ogen, proeven met je neus, ruiken met je mond. Waar het om gaat is het scheppen van een nieuwe rangorde in een wereld vol destructie, is het creëren van een onverwachte vorm die de werkelijkheid van moord en marteling in een ander licht plaatst, zodat alle zintuigen op scherp komen te staan. Verschuiven, herschikken, vervormen, uitvergroten, vermengen: dat is artistieke betrokkenheid. De kunstenaar maakt niet na maar maakt iets anders van de werkelijkheid, maakt iets anders dan de werkelijkheid. Bovendien trekt hij zich niets aan van de gangbare genres. Hij mengt en verplaatst voortdurend: kunst tilt het leven uit zijn voegen. Callum Morton heeft op de Biënnale zijn geboortehuis in een vredig-welvarende buitenwijk van Melbourne ‘omgetoverd’ tot een door bommen getroffen woning in Venetië, opgetrokken uit polystyreen. Net echt. Maar de kijker, die zich niet in Venetië maar in een stad in Irak waant, weet wel beter. De Amerikaanse schrijver en uitgever Dave Eggers heeft in zijn roman Wat is de Wat iets soortgelijks gedaan: Afrika plantte hij in Amerika. Minder metaforisch geformuleerd: hij zette de gehavende Soedanese vluchteling Valentino Achak Deng (1981) in de pijnlijke werkelijkheid van Atlanta en liet hem zijn nog pijnlijker overlevingsverhaal vertellen, niet opgetrokken uit polystyreen maar uit 150.000 woorden: hoe hij als zesjarig jongetje en lid van de Zuid-Soedanese christelijk-animistische Dinka-stam zijn geboortedorp Marial Bai moest ontvluchten voor de Arabische milities (Murahaleen = Arabisch voor ‘reizigers’) als vooruitgeschoven posten van de streng-islamitische regering in de hoofdstad Khartoem. Geheel volgens de orale traditie vertelt de katholieke Valentino over moord en doodslag, over maandenlange voettochten door de woestijn samen met duizenden andere ‘lost boys’, over dorst en ondervoeding, over de wrede natuur (hongerige leeuwen en krokodillen), over de leugenachtigheid van volwassenen, over de gekte van de (burger)oorlog, over de verleidingen van haat en wraak, over het vluchtelingenkampleven in Ethiopië en Kenia, over de dubieuze rol en ronselpraktijken van de zuidelijke rebellen (spla = Sudan People’s Liberation Army) en over de liefde.

Wat is de Wat heeft als ondertitel De autobiografie van Valentino Achak Deng. Een bewuste misleiding van Eggers. Het gaat om fictieve memoires. Een zesjarig jongetje dat vijftien jaar vluchten voor de boeg heeft, permanent ondervoed is en pas laat het alfabet leert, krijgt een geheugen vol gaten. De herinneringen van Deng zijn door Eggers gecomponeerd tot een mozaïek, een mengsel van feiten en fictie. Wat ontbreekt is aangevuld met verhalen van anderen, met verzonnen dialogen, met informatieve intermezzi die de geschiedenis van Soedan belichten. Daar komt nog bij dat de vorm van Wat is de Wat ook een romaneske Afro-Amerikaanse vermenging is: van het Amerika van nu en het Afrika van toen: de hoofdfiguur Deng wordt voortdurend verrast door de harde werkelijkheid in Amerika tussen 2001 en 2006 en Afrika van 1987 tot september 2001, als hij na jarenlang wachten in het Keniase kamp Kakuma naar Amerika mag vertrekken.

‘Ik heb geen reden om de deur niet open te doen, dus doe ik de deur open.’ Zo begint Wat is de Wat. Voor de deur staan twee zwarte (Afro-Amerikaanse) overvallers. Ze beroven Valentino Achak Deng, knevelen en mishandelen hem en laten hem bewaken door een tv-verslaafd jongetje. Geconfronteerd met de criminele realiteit van Atlanta begint Deng zijn, inderdaad hartverscheurende, vluchtverhaal tussen 1987 en 2001 te vertellen, niet hardop maar in stilte en steeds gericht tot iemand in zijn omgeving: eerst het tv kijkende jongetje, later de christelijke buren, een administrateur in het ziekenhuis. Deze Amerikanen kunen zijn verhaal, dat wij lezen, niet horen. Ten slotte richt Deng zich vanuit zijn wachtkamer die Amerika heet (Wanneer kan hij eindelijk echt gaan studeren? Wanneer komt er een eind aan die onderbetaalde baantjes?) tot de lezers: ‘Ik spreek tegen hen en ik spreek tegen jou, want ik kan niet anders. Het geeft me kracht, een haast ongelooflijke kracht, te weten dat jij er bent. Ik bereik je ogen, je oren, ik overbrug de inklapbare afstand die tussen ons ligt.’

Hier spreekt net zo goed Dave Eggers de lezer toe, alsof hij wil zeggen: kijk, die Amerikanen in Dengs omgeving kunnen zijn innerlijke monoloog niet horen en bruuskeren of negeren zijn bestaan, maar jij, aandachtige en betrokken lezer, hebt Dengs levensverhaal net gelezen. Deng kon zijn rampspoedvertelling (aan Eggers) kwijt omdat hij zich bewust was van zijn latere lezers. ‘En al die tijd zal ik weten dat jij er bent. Hoe zou ik kunnen doen alsof jij niet bestaat? Dat is haast even onmogelijk als het voor jou zou zijn om te doen alsof ik niet besta.’

Deze slotwoorden van Wat is de Wat – een opvallende titel die verwijst naar God, genesisverhalen en keuzemogelijkheden voor welke Adam en welke Eva ook – doen hoe dan ook een beroep op het gemoed en het geweten van de lezer. Deng wil Atlanta ontvluchten (‘Ik ben dit land moe’) omdat zijn bestaan daar dreigt dood te lopen. En wat moet de lezer doen nu hij de roman, die alles te maken heeft met de huidige toestand in Soedan, uit heeft? Weet hij nu meer? Begrijpt hij Deng beter? Heeft hij inzicht gekregen in de politiek-gewelddadige puinhoop die Soedan heet en mag hij Afrika met Amerika vergelijken? Moet hij de daad bij de 150.000 woorden van Deng voegen? Of heeft hij zijn (praktische) bijdrage al geleverd door de roman te kopen, wetend dat de royalty’s naar een fonds vloeien dat ten goede komt aan Soedanese vluchtelingen in Amerika? Wat moet zijn engagement zijn? Misschien het schrijven van een stuk waarin hij deze vraag stelt.

Geeft Wat is de Wat meer informatie, via de literaire weg, dan wat de journalisten en de historici ons leveren? Dringt de lezer dieper door in de beweegredenen van de Soedanese vluchteling? Via een schoolmeester die Dut heet (toeval?) probeert Eggers ons hier en daar te onderwijzen over de Soedanese ingewikkeldheden. Dat doet hij kort en krachtig, opdat we niet in slaap vallen zoals zijn personages dreigen te doen. Maar kan Dave Eggers volstaan met een simpel kaartje van Soedan en omgeving voorin en hier en daar wat bijspijkerteksten? Het voorwoord geeft aan dat Wat is de Wat geen ‘definitieve geschiedschrijving van de burgeroorlog in Soedan’ wil zijn en eerder een particuliere vertelling is. Toch weerspiegelt de vorm van de roman Eggers’ pretentie een exemplarische vertelling te hebben willen schrijven. En dan blijkt het boek te kort te schieten. Essentiële informatie die de naaste toekomst maar ook het verre verleden (hardnekkige stamtradities) verkent, ontbreekt.

Een voorbeeld: in het vredesakkoord van 2005 – na ruim twintig jaar burgeroorlog en minstens tweeënhalf miljoen slachtoffers – tussen het islamitische noorden (de Khartoem-regering) en het christelijk-animistische zuiden – staat dat op 9 juli 2007 de regeringstroepen uit het zuiden moeten zijn teruggetrokken. In plaats daarvan stuurt Khartoem ondanks het VN-embargo wapentransporten naar de moorddadige Arabische milities (Janjaweed) in Darfur in West-Soedan, wijst Khartoem VN- en EU-diplomaten als potentiële pottenkijkers uit, is de vredesmacht van zevenduizend soldaten van de Afrikaanse Unie een machteloos clubje in een gebied zo groot als Frankrijk en dreigt de volkspeiling in 2011 om de scheiding van Noord- en Zuid-Soedan een wassen neus te worden. Helaas speelt de cruciale datum 9 juli 2007 geen enkele rol in Wat is de Wat. Eggers’ boek laat het ook afweten als het gaat om het signaleren van de minstens tweehonderdduizend doden in Darfur sinds 2003 en het analyseren van de achtergrond van die genocide. Dan blijkt het gekozen vertelperspectief toch te beperkt te zijn. Had hij maar meer genres vermengd: niet alleen autobiografie en roman maar ook documentaire, geschiedenis, journalistiek.

Een groter obstakel voor het begrijpen van de ‘toestand’ in Soedan is het gebrek aan aandacht in Wat is de Wat voor, en het bagatelliseren van, de Afrikaanse stamtradities. Tegenstellingen tussen Dinka, Baggara (Arabisch voor veehouders) en andere stammen laaien onder Soedanezen in Amerika weer op? Waarom? Voedt Khartoem de aloude animositeit of zit er meer achter? Valentino Achak Deng is als lid van de christelijke Dinka-stam partij, ondanks zijn al te obligate oproepen tot begrip en tolerantie van elkaars stamgewoonten. Dengs wens om uit Atlanta te vertrekken heeft alles te maken met de ‘stammenoorlog’ onder de Soedanezen in de Verenigde Staten. Maar daarover komt de lezer bitter weinig te weten. Welke gevolgen de botsing tussen westerse waarden en het vreemde mengsel van animisme en christendom (de katholieke vader van Deng heeft meerdere vrouwen) heeft in het hoofd van de naar Amerika uitgeweken Soedanezen laat zich raden: chaos, jaloezie, geweld, moord en zelfmoord.

Verbazingwekkend is het dat niemand tot nog toe de grote invloed van William T. Vollmann op Eggers heeft gesignaleerd. Niet alleen noemt Eggers vol bewondering Vollmann in zijn romandebuut Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit (2000). Eggers’ uitgeverij McSweeney’s heeft ook Vollmanns monumentale werk Rising Up and Rising Down uitgegeven, een zevendelig theoretisch en praktisch-journalistiek relaas over goed en kwaad overal in de wereld, inclusief Afrika, en over wat de morele houding van de schrijver zou kunnen zijn. Zonder Vollmann, zoveel is zeker, zou Eggers nooit aan zijn Afrika-in-Amerika-onderneming zijn begonnen. Vollmann, die zijn betrokkenheid (levensgevaarlijke reizen naar de brandhaarden in de wereld) vanaf het begin van zijn schrijverschap heeft getoond, zegt in deel V van Rising Up and Rising Down iets essentieels over het Afrikaanse tribalisme: ‘Over oudheid gesproken! Het verhaal gaat dat het menselijk ras in Afrika is ontstaan. De complexiteiten van het Balkan-tribalisme gaan terug tot voorbij 1389; maar de koninkrijkjes, gewoonten en stammen die in Afrika zijn gekomen en weer gegaan zijn onbevattelijk.’

Ondanks die onbevattelijkheid had Dave Eggers zich documentair meer kunnen laten gelden in het boek om zo meer duidelijkheid te verschaffen over historisch gegroeide tribale tegenstellingen. Nu vertelt hij het particuliere verhaal van Dinka-stamlid Valentino Achak Deng en wordt zijn verhaal slechts bij vlagen exemplarisch. Multatuliaanse vormvindingrijkheid en scherpe toon- en genrewisselingen zijn hem vreemd. Jammer. Tegenstellingen in de vorm kunnen andere tegenstellingen (rijk-arm, zwart-wit, christelijk-islamitisch, enzovoort) op scherp zetten.

Beeldend kunstenaar Callum Morton ontwierp een door bommen geteisterd gebouw uit Melbourne in het vredige Venetië. Dave Eggers zette het gehavende en geblakerde Afrika, nog steeds op de vlucht, midden in Atlanta in het beperkte, soms al te sensationele of sentimentele Wat is de Wat. Maar het verhaal is helaas nog lang niet uit. De vrees dat er vanaf nu nog duizend-en-één Soedanese vertellingen à la Dengs vluchtelingverhaal ontstaan – omdat de oorlog en stammenstrijd gewoon doorgaan, niet in de laatste plaats door de passieve westerse aanwezigheid in Soedan – is niet denkbeeldig. Maar of die duizend-en-één vertellingen gehoord, geboekstaafd en gelezen worden is een tweede. Wat te doen? Een oproep in de trant van: Multatuli’s, Vollmanns en Eggersen aller landen, wilt u opstaan en met uw bijtende woordkunst de machthebbers ondermijnen? Er moet meer zijn dan vrijblijvend cynisme.