Commentaar: Afrika

Afrika moet niet achterover leunen

Het «tijdperk van kolonialisme en neokolonialisme» is voorbij. Dat is althans de betekenis van de G8-top vorige week volgens een van de gasten, de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki. Met zijn collega’s uit Algerije, Senegal en Nigeria mocht hij in het Canadese Kananaskis de regeringsleiders van de acht meest ontwikkelde landen toespreken over een herstelplan voor Afrika. Dit Nieuw Economische Partnerschap voor de Ontwikkeling van Afrika (Nepad) belooft dat de Afrikaanse landen zullen zorgen voor vrede, goed bestuur, mensenrechten en de beëindiging van corruptie op het eigen continent. In ruil daarvoor moest de ontwikkelde wereld ruimhartig ontwikkelingshulp en investeringen toezeggen, haar eigen markten openen en schuld kwijtschelden.

Om een gezonde economische groei te realiseren, heeft Afrika jaarlijks 64 miljard dollar nodig, hebben de initiators van Nepad berekend. In Canada hoopten ze op 25 tot 35 miljard aan investeringen en hulp, 15 tot 20 miljard aan extra kwijtschelding van schulden en een belofte de bescherming te verminderen van de westerse markten. Wat ze toegezegd kregen, was 6 miljard dollar hulp (die tijdens een VN-top in maart toch al was beloofd aan de armste landen) en 1 miljard kwijtschelding van schulden. «Gerecyclede kruimels», vond Phil Twyfard van Oxfam het resultaat terecht. Om het gezichtsverlies te beperken, noemde Mbeki de top «historisch» — omdat voor het eerst Afrikaanse leiders «meebeslisten» over hun toekomst — en verwelkomde hij de uitslag «als een nieuw begin». Maar het zal de teleurstelling nauwelijks hebben verzacht.

Hoe fantastisch is Nepad nu eigenlijk? Belangrijk is uiteraard de aandacht voor goed bestuur. Maar wie bepaalt wanneer daar sprake van is? Volgens de opstellers moeten Afrikaanse landen elkaar gaan beoordelen middels een nog op te richten orgaan waarin Afrikanen zitting hebben. Dit orgaan zou voor de G8-top rond zijn, maar die deadline is alvast niet gehaald. De Zambiaanse president, zelf via dubieuze verkiezingen aan de macht gekomen, heeft al laten weten dat deze «beoordeling door gelijken» niet op «uitsluiting» mag uitdraaien. Het is verleidelijk erover te speculeren hoeveel Afrika uit het vuur had gesleept als meer Afrikaanse leiders het geweld en de stembusfraude rond de Zimbabwaanse verkiezingen in maart hadden veroordeeld. Daar had het continent kunnen tonen dat «beoordeling door gelijken» iets kan betekenen. Maar van de vier Afrikaanse leiders in Canada heeft alleen de president van het kleine Senegal het gedrag van president Mugabe ondubbelzinnig veroordeeld.

De krenterigheid van de westerse leiders is dan ook wel te begrijpen, al is het geboden bedrag na al hun lippendienst aan Nepad wel erg schamel. Voor hun weigering hun markten open te stellen, bestaat echter geen excuus. Europa en Amerika geven jaarlijks 350 miljard dollar uit aan landbouwsubsidies, waardoor veel Afrikaanse landbouwproducten kansloos zijn op de wereldmarkt. Dit maakt hun pleidooi voor verdere liberalisering van de Afrikaanse markt nogal hypocriet.

De G8-top heeft opnieuw bevestigd dat Afrika een lage prioriteit heeft in het Westen, zeker als er zaken spelen als de strijd tegen terrorisme. Het zal van de Afrikaanse leiders, maar vooral van de Afrikaanse kiezers en ondernemers zelf afhangen of Nepad toch nog een succes wordt. Zoals de Zuid-Afrikaanse minister van Handel Alec Erwin afgelopen maandag zei tijdens een top voor Afrikaanse zakenlieden in het Zuid-Afrikaanse Durban: «Als je achterover leunt en wacht tot de regeringen iets doen, zullen we falen.»