Rik Delhaas, De president, de hyena en de kleine hagedis: Afrika na de Koude Oorlog

Afrikaans vernuft

Rik Delhaas
De president, de hyena en de kleine hagedis: Afrika na de Koude Oorlog
Contact, 324 blz., € 24,90

Boeken over Afrika worden de laatste jaren opvallend vaak geschreven door figuren die nooit eerder een poot op het zwarte continent hebben gezet. Je stuurt een jong schrijftalent naar Senegal, Malawi of een ander Afrikaans land, geeft hem of haar een laptop en een voorraad malariapillen mee, en ziet wel wat ervan komt. Het reisboek Stinknegers van Raoul de Jong (hij kreeg er de Dick Scherpenzeel Prijs voor) past bij uitstek in deze trend, net als Seks in Afrika van columniste Renske de Greef. Toegegeven, het werk van De Jong en De Greef is bij vlagen grappig, en soms zelfs uitermate verfrissend, maar hun onvermijdelijke gebrek aan diepgang stemt ook een tikkeltje droevig. Dat Afrika in de vaart der volkeren achterop is geraakt, mag toch geen reden zijn er een stelletje amateurs op los te laten?
Dat het heel anders kan, blijkt uit De president, de hyena en de kleine hagedis van Rik Delhaas. In 1994 reisde Delhaas voor het eerst naar Afrika om als radiojournalist een reportage te maken over de achtergronden van de genocide in Rwanda. Hij putte zich uit in het stellen van vragen, maar de slachtpartijen tussen Hutu’s en Tutsi’s waren zo verbijsterend dat ze aan iedere analyse ontsnapten. Gedreven door de wil om te begrijpen kwam hij terug. En nog eens, en nog eens. Tot hij Afrika niet meer los kon laten.
In de loop der jaren ontwikkelde Delhaas een voorkeur voor plekken waar chaos, geweld en rechteloosheid het leven van alledag bepalen. Die plekken vormen samen het grillige decor voor De president, de hyena en de kleine hagedis. Delhaas stort zich in dit boek met gevaar voor eigen leven in de Somalische hoofdstad Mogadishu, verkent een verpauperde wijk van Johannesburg en tast en passant de grens van Oost-Congo af. Daarbij legt hij niet alleen een opmerkelijk soort koelbloedigheid aan de dag, hij toont zich ook een journalist van het grondige soort die voortdurend klaarstaat met feiten, cijfers en jaartallen om zijn beweringen te staven.
Delhaas’ werkelijke ambitie ligt echter op een ander vlak: hij wil verhalen vertellen. Tijdens zijn vele Afrikaanse reizen raakte hij gefascineerd door de levens van de mensen die hij ontmoette. Die levens bleken vaak op scherp te zijn gesteld door de politieke rampspoed die Afrika sinds het einde van de Koude Oorlog in de greep houdt: het zijn kleine geschiedenissen die de grote geschiedenis als het ware van diepte en reliëf voorzien. Een prachtig uitgangspunt voor human interest op hoog niveau, dat jammer genoeg niet wordt waargemaakt. Behalve in het verhaal over de gehandicapte moslim die in de Oegandese hoofdstad Kampala een van de betere bedelplekken bezet houdt, slaagt Delhaas er niet in zijn personages los te weken van het papier. Ze komen niet tot leven, laat staan dat ze de verbeelding prikkelen of het gemoed van de lezer in beroering brengen. Is het boek daarmee mislukt? In het geheel niet! Delhaas mag dan geen groot portretschilder zijn, hij beschikt over een ander talent dat zeker zo belangrijk is: hij weet op virtuoze wijze aanschouwelijk te maken hoe complex en krankzinnig de Afrikaanse werkelijkheid soms in elkaar steekt.
Het verhaal Lamsnieren en kamelenmelk is in dat opzicht het meest opwindende deel van de bundel. Delhaas beschrijft hier een busroute in Mogadishu, die berucht is vanwege het grote aantal wegversperringen. Gewapende militieleden, al dan niet gelieerd aan een krijgsheer, dwingen de bestuurders van passerende bussen om «belasting» te betalen. Wie geen geld heeft krijgt een kogel. De militieleden zelf zijn hun leven ook niet zeker. Territoriumdrift en clanruzies leiden regelmatig tot schietpartijen tussen de bemanning van de ene wegversperring en die van een andere. Geen hond die ingrijpt, want na de verdrijving van dictator Siad Barre in 1991 moet Somalië het zonder centrale overheid stellen.
Delhaas suggereert dat deze situatie van totale willekeur kan worden opgevat als een voedingsbodem voor kapitalisme in zijn meest zuivere vorm. Een wegversperring, hoe misdadig ook, is dus vóór alles een onderneming die handige jongens in staat stelt geld te verdienen. Een van die jongens is Mohamed Osman, een ex-schoenpoetser die op eigen houtje een wegversperring is begonnen. Daaraan houdt hij maar liefst vier dollar per dag over, een bedrag waarmee hij plotsklaps tot de hogere middenklasse behoort. De selfmade militieleider gaat er prat op dat er bij zijn wegversperring nog nooit een chauffeur is neergeschoten. Dat toevallige passanten wel eens door een verdwaalde kogel zijn geraakt, vindt hij minder belangrijk.
«Het is moeilijk je voor te stellen wat het betekent in een land te leven zonder regering», schrijft Delhaas. In De president, de hyena en de kleine hagedis wordt dat echter glashelder gemaakt. Het boek laat zien dat de Afrikaanse chaos gepaard gaat met vernuft. En vernuft kan een verandering in gang zetten: sinds de buseigenaren van Mogadishu een vereniging hebben opgericht om zich teweer te stellen tegen de milities is het aantal schietpartijen drastisch afgenomen.