Afrikaanse agenda’s

Hoewel ze voorspelt dat het continent ons nog voor positieve verassingen zal stellen, houdt Afrika-kenner Colette Braeckman haar hart vast voor de dingen die er nu spelen. ‘Het wordt pas echt gevaarlijk als Afrika zich laat opdelen in een Angelsaksisch en een francofoon kamp.’
De Nederlandse vertaling van Terreur africaine verschijnt in mei bij Uitgeverij Epo te Berchem.
WIE MEENT DAT Afrika verloren is, heeft aan Colette Braeckman een kwade. De journaliste van het Waalse dagblad Le Soir, medewerkster van Le Monde Diplomatique en schrijfster van drie spraakmakende boeken over Centraal-Afrika ziet geen reden tot wanhoop. Hoogstens is er reden om te wanhopen aan de westerse houding tegenover Afrika, die wordt gekenmerkt door een gebrek aan inzicht en verantwoordelijkheidsbesef.

Braeckman: ‘Je moet de ontwikkelingen in perspectief zien, dan begrijp je hoe misplaatst het huidige afro-pessimisme is. Afrika is een continent van de toekomst. De dekolonisatie komt in de meeste landen nu pas op gang. In het zogenaamde postkoloniale tijdperk is de inmenging door de voormalige metropolen en de grootmachten gewoon doorgegaan, onder de dekmantel van de Koude Oorlog. De nawerking van het koloniale bewind moet ook niet worden onderschat; in veel landen is de innerlijke dekolonisatie van recente datum. Staten als Ethiopië, Eritrea en Zuid-Afrika gaan nu voor het eerst in de moderne geschiedenis hun eigen weg en andere landen zullen ongetwijfeld volgen. Wie de dynamiek, de moed en de inventiviteit van de Afrikaanse bevolking heeft leren kennen zoals ik, weet dat we nog voor verrassingen komen te staan.’
TUSSEN TWEE Afrikaanse reportages door vertelt Braeckman (48) in een Brussels grand café met aanstekelijk enthousiasme over het Grote-Merengebied, haar favoriete reisdoel. De dramatische gebeurtenissen van de laatste jaren in de infernale driehoek Rwanda-Burundi-Zaïre doen daar niets aan af. Zelfs haar gezaghebbende analyses in Le Monde Diplomatique verraden haar voorliefde voor Centraal-Afrika, met name Zaïre. De historische band tussen België en Zaïre, te vergelijken met die tussen Nederland en Indonesië, is daar niet vreemd aan.
Braeckman: 'Net als voor veel andere Belgen was Afrika voor mij van jongsaf aan een deel van mijn verbeeldingswereld. Op mijn twaalfde jaar leefde ik al mee met de onafhankelijkheidsstrijd van Belgisch Congo. Toen ik met mijn ouders op vakantie ging, vond ik het vreselijk om verstoken te blijven van het nieuws over Patrice Lumumba, de eerste leider van het onafhankelijke Congo. Later, als journaliste, ontdekte ik dat ik niets van het echte Afrika afwist en er misschien wel nooit iets van zou begrijpen, maar de fascinatie is gebleven. Ik bericht nu al twintig jaar uit Afrika en nog steeds kom ik voor verrassingen te staan, nooit blijken de ontwikkelingen te gaan zoals ik verwacht. Ik houd van die voortdurende overrompeling. Het is net als in de liefde: zolang je het gevoel hebt dat je iemand nog niet kent, blijf je geboeid.
Het landschap is om te beginnen fabelachtig, vooral langs het Meer van Kivu tussen Goma en Gisenyi, maar het meest houd ik van de mensen. De Zaïrezen hebben een verrukkelijke mengeling van zachtaardigheid, menselijke warmte en humor. In Zaïre kan ik zelfs in de meest tragische situaties vreselijk lachen, om absurde gebeurtenissen, om rare invallen die mensen ineens hebben. In Rwanda en Burundi is de sfeer harder, de tragiek van de afgelopen decennia beheerst het dagelijks leven. En de Rwandezen en Burundezen zijn typische bergbewoners, eenzelvige individualisten. Het heuvellandschap is er prachtig, maar diezelfde sprookjesachtige heuvels versterken het typische isolement van een boerensamenleving. Zaïre is van een andere orde. Het is een reusachtig land, net zo groot en weids als de Verenigde Staten. De horizon is de enige grens.’
Braeckman verwacht van Afrika geen economische wonderen zoals Zuid-Korea of Taiwan die te zien hebben gegeven. Ze heeft wel een een rotsvast vertrouwen in het vermogen tot regeneratie van de Afrikaanse samenlevingen, mits dat vermogen de ruimte krijgt. Na de succesvolle afrekening door de Ethiopiërs met het bloedige regime van Mengistu en de relatief geweldloze machtswisseling in Zuid-Afrika kon Zaïre weleens voor de volgende verrassing zorgen. In tegenstelling tot de meeste waarnemers verwacht Braeckman niet dat het land uiteenvalt. In haar laatste boek, Terreur africaine (Fayard, 1996), beschrijft ze hoe de Zaïrezen er de afgelopen zeven jaar in zijn geslaagd om tegen de verdrukking in te overleven. De zieltogende staat speelt geen rol van betekenis meer, het nationalistische regime van president Mobutu loopt op zijn einde en de ontwikkelingshulp is sinds de mislukte democratisering van 1990 grotendeels stopgezet. Toch wist de bevolking zich doeltreffend te organiseren in duizend-en-één netwerken van wederzijdse bijstand.
Braeckman: 'De organisaties van vrouwen, boeren, kerken en kleine handelaren vormen langzamerhand een echte civil society, die de langverbeide democratisering nu maar zelf ter hand neemt. De mensen tonen zich ook steeds vaker immuun voor de manipulatie van etnische verschillen waartoe het regime tegenwoordig zijn toevlucht neemt. Dat is de laatste troef van Mobutu: het tegen elkaar uitspelen van regio’s en taalgroepen, zodat hij zelf als bewaker van de nationale eenheid kan optreden. Maar hij is langzamerhand een karikatuur geworden, een politieke dinosaurus die allang uitgestorven had moeten zijn. Hij hoort thuis in een museum met mensen als Trujillo en Kim Il-Sung. De toekomst is aan de Zaïrese civil society. Vooral rond de katholieke kerk is een wijdvertakte, goed georganiseerde burgerrechtenbeweging gegroeid die in staat wordt geacht om de organisatie van werkelijk vrije verkiezingen op zich te nemen.’
BRAECKMAN verwacht niet dat Zaïre in tweeën zal scheuren door de opstand van Oostzaïrese minderheden, gebundeld in de Alliantie van de Strijdkrachten voor de Bevrijding van Kongo Kinshasa onder leiding van Laurent-Désiré Kabila. Wellicht geeft de Alliantie zelfs de beslissende aanzet tot democratisering. Braeckman: 'Omdat ook westerlingen nog altijd in de etnische mythologie geloven, kunnen ze zich niet voorstellen dat er een Zaïrees nationaal bewustzijn bestaat. Maar alle Zaïrezen die ik ken, beseffen dat ze deel uitmaken van een groot land, een grote natie, en willen de nationale eenheid ten koste van alles bewaren. De groepen die op afscheiding aandringen, zijn altijd buitenlanders, meestal vluchtelingen die vanuit de buurlanden en het Westen worden ondersteund. Zo ging het in 1960, toen het land net onafhankelijk was geworden, en zo gaat het nu weer. Destijds was de nationalistische regering van Lumumba de westerse regeringen en mijnbouwmaatschappijen een doorn in het oog, dus lieten ze hem vermoorden en moedigden ze de afscheiding van het mineralenrijke Katanga aan.
Nu de regering in Kinshasa geen enkel vertrouwen meer geniet onder de bevolking, ontstaan er opnieuw “spontane” afscheidingsbewegingen die door buurlanden en westerse mogendheden worden gesteund. Maar de opstandelingen in Oost-Zaïre zijn nu juist merendeels Zaïrezen die niets liever willen dan behoud van de nationale eenheid en vrije verkiezingen. Kabila is ook geen 'etnische’ leider; zijn Alliantie verenigt Tutsi’s uit Rwanda en Oost-Zaïre, Zaïrese jongeren en traditionele nationalistische oppositiebewegingen, zoals de Lumumbisten. Als Kinshasa bereid is om te onderhandelen met de Alliantie, heb ik goede hoop dat die verkiezingen er komen.’
Toch blijft de toestand rond de Grote Meren verontrustend, omdat de buitenlandse inmenging en de onbeheersbare vluchtelingenstromen nog steeds roet in het eten kunnen gooien. Braeckman: 'Als de verbreiding van de etnische conflicten niet wordt gestopt door onderhandelingen, worden de andere landen in de regio één voor één meegezogen. Allereerst Tanzania, dat min of meer de zijde van de Hutu-extremisten heeft gekozen omdat het zoveel Hutu-vluchtelingen herbergt. Vervolgens Soedan; ik heb net ontdekt dat een deel van de Hutu-milities die uit hun kampen in Zaïre verdreven zijn, momenteel wordt opgevangen in trainingskampen in Zuid-Soedan. Sommigen gaan zelfs over tot de islam. Dat zijn dezelfde krachten die verantwoordelijk zijn voor de genocide van 1994 in Rwanda en die nu hun gewelddadige terugkeer voorbereiden om “het werk af te maken”. Oeganda, dat sinds de jaren zeventig veel Tutsi-vluchtelingen heeft opgenomen, kiest daarentegen partij voor de nieuwe regering van Rwanda.
Dat proces van voortschrijdende besmetting wordt pas echt gevaarlijk zodra de Afrikaanse landen zich laten opdelen in een Angelsaksisch en een francofoon kamp, met steun van respectievelijk de Verenigde Staten en Frankrijk. Mugabe en Mandela hebben al in een verklaring hun steun uitgesproken voor Museveni van Oeganda. De presidenten van Gabon en Kameroen tonen zich bezorgd om het lot van Mobutu. Als iedereen op die manier partij kiest, ontstaat een definitieve deling in een Engelstalig en een Franstalig Afrika. Aangezien zowel de Fransen als Amerikanen in Afrika alleen hun directe belangen verdedigen, zou dat een grote stap terug zijn.’
HOE FUNEST de westerse bemoeienis met Afrika soms is geweest, blijkt uit Braeckmans opmerkelijke analyse van de oorsprong van het etnische geweld in Rwanda en Burundi. In Terreur africaine toont zij aan dat de etnische verdeling van de bevolking geen historisch feit is, maar het resultaat van een minutieuze classificatie van de bevolking door de Belgische kolonisator. Oorspronkelijk waren Hutu’s en Tutsi’s sociale kasten, gescheiden naar economische functie. De Hutu’s, merendeels akkerbouwers, hadden een ondergeschikte maatschappelijke positie. De Tutsi’s waren veetelers, die hun leidende positie dankten aan het feit dat ze hun schaarse runderen aan Hutu’s verpachtten. De grens tussen de beide kasten was poreus. Een Hutu die meer dan tien runderen verwierf, werd vanzelf een Tutsi, terwijl een Tutsi die door droogte of blikseminslag zijn kudde verloor, een Hutu werd. Ook onderlinge huwelijken kwamen veel voor.
De Belgische missionarissen, antropologen en bestuursambtenaren die rond de eeuwwisseling hun intrede deden, pasten onverwijld het instrumentarium van de toenmalige rassenkunde op deze Centraalafrikaanse kastenmaatschappij toe. Op grond van schedelmetingen, genetica, bloedgroepen en de afstand tussen de neusgaten werd de bevolking ingedeeld in 'heersersrassen’ en 'volgzame rassen’. De Baluba en Bangala in de Congo en de Tutsi’s in Rwanda en Burundi werden als de natuurlijke leiders bestempeld, de Bakongo respectievelijk de Hutu’s als domme en volgzame naturen. De behandeling van deze 'rassen’ was navenant: dank zij pasjeswetten, gescheiden onderwijs en een gescheiden economische ontwikkeling gingen de betrokkenen op den duur zelf in de rassenmythologie geloven.
In Rwanda leerden zelfs de Hutu’s op school Vlaams en de Tutsi’s Frans, geheel in overeenstemming met de taalkundige en sociale verdeeldheid van het moederland. Eigenlijk, zo schrijft Braeckman in Terreur africaine, hebben de Belgen hun eigen taalstrijd op Rwanda geprojecteerd. Die identificatie ging zo ver dat de Belgische elite en de kerk aan het eind van de jaren vijftig, vlak voor de Rwandese onafhankelijkheid, opeens gingen ijveren voor de 'emancipatie’ van de Hutu’s, analoog aan de Vlaamse emancipatie in België. In Belgische ogen sympathiseerden de Rwandese Tutsi’s, net als de rest van Franstalig Afrika, te veel met de beweging van niet-gebonden landen. Om zich te verzekeren van invloed na de onafhankelijkheid, steunden de Belgen en de Rwandese katholieke kerk daarom op de valreep de bloedige 'sociale’ revolutie van Hutu-leider Grégoire Kayibanda.
Ook de verdere ontwikkeling van het Hutu-fascisme, die zoals bekend op de genocide van 1994 uitliep, had de hartelijke instemming van de Belgen en de katholieke kerk. Braeckman: 'De etnische mythologie is de hardnekkigste erfenis van het koloniale bewind gebleken. De etniciteit wordt nog altijd misbruikt door de huidige Rwandese, Burundese en Zaïrese elites in hun strijd om de macht. Maar die zogenaamde identiteit is geen noodlot en de zogenaamde stammenstrijd is niet onvermijdelijk, zelfs niet in tijden van grote schaarste. In Rwanda hebben Hutu’s en Tutsi’s eeuwenlang met elkaar samengeleefd zonder onderlinge gevechten. Zelfs nu overheersen vaak andersoortige conflicten, zoals de tegenstelling tussen het noorden en zuiden van Rwanda. In Burundi is er de tegenstelling tussen de streek rond Bururi in het zuiden, waar vanouds de militaire leiders vandaan komen, en de moderne bestuurscentra in het noorden. Maar de koloniale periode heeft de mensen aan hun etnische afkomst vastgeketend, ze een etiket opgeplakt waarmee ze zich op den duur hebben geïdentificeerd.’
IN TERREUR AFRICAINE stelt Braeckman dat de Belgen - evenals overigens de Engelsen, Fransen en Portugezen - zich wel eens mogen beraden op de gevolgen van hun tachtigjarige aanwezigheid in Centraal-Afrika. Nu het erop aankomt, onttrekken ze zich aan die verantwoordelijkheid en doen ze alsof hun neus bloedt. Het gebrek aan expertise en vooral de dadenloosheid van de internationale gemeenschap zijn hemeltergend. Braeckman: 'Soms heb ik het gevoel voor niets te schrijven. Het meest ontmoedigend vond ik de gang van zaken rond Rwanda in 1994. Ik heb bladzij na bladzij volgeschreven om te waarschuwen voor wat er ging gebeuren, tot in kleinste detail: de opleiding van de milities, de instructies, de samenstelling van de moordcommando’s, de distributie van wapens, laarzen en uniformen, de verspreiding van de dodenlijsten, alles heb ik minutieus beschreven. In maart 1994, een paar weken voor de genocide begon, heb ik een hele pagina in Le Soir gebruikt voor een precieze uiteenzetting van het genocideplan. En toch zei de Belgische regering dat ze door de gebeurtenissen werd verrast. Nu blijkt uit parlementair onderzoek dat de Belgen wel degelijk op de hoogte waren, maar helemaal niets met hun kennis hebben gedaan.
Sinds de publikatie van Terreur africaine in oktober vorig jaar heeft zich dat eigenlijk herhaald. Ik waarschuw aan het eind van dat boek met goede argumenten voor een nieuwe geweldsexplosie in Oost-Zaïre, waar de Hutu-milities in de vluchtelingenkampen hun gewapende terugkeer voorbereidden en de hele regio in een nieuwe oorlog dreigden te storten. En dat is precies wat er nu gebeurt.
De internationale interventie waarvan in oktober kortstondig sprake was, had misschien erger kunnen voorkomen, als die interventiemacht tenminste bereid was geweest om werkelijk te vechten tegen de Hutu-milities. Maar het was bij nader inzien slechts een opzetje van de Fransen om Mobutu en de Hutu-milities in bescherming te nemen. Helaas roepen zulke interventies vaak de problemen op die je zou willen voorkomen. De Somalische interventie is daar een voorbeeld van. En terugkijkend op de Rwandese ervaring moet je zeggen dat niet interveniëren nog beter is dan een halfslachtige interventie.
Laten we om te beginnen proberen om in Afrika niet nog meer kwaad aan te richten, dat is al moeilijk genoeg. Zelfs achter de politiek van de “goede bedoelingen” gaat meestal een geheime agenda schuil, er wordt altijd dubbel spel gespeeld. Misschien is het wel mijn voornaamste taak als journalist om dat te onthullen.’