Afrikaanse anekdoten

Moses Isegawa, Abessijnse kronieken. Vertaling Ria Loohuizen, uitg. Bezige Bij, 623 blz., Ÿ49,50 ..LE IN THE DEAN’S December van Saul Bellow hoort de hoofdfiguur, de decaan Corde, een hond opgewonden blaffen. Hij ziet het blaffen van de hond als een protest tegen de beperkte belevingswereld waarin hij leeft. ‘In godsnaam’, hoort hij de hond roepen, ‘zet het heelal wat verder open!’ Natuurlijk heeft Bellow het niet echt over honden. De woede en het verlangen van de blaffende hond zijn van hemzelf, van iedereen. ‘In godsnaam, zet het heelal wat verder open!’

Het opgewonden geblaf van Bellows hond klinkt in ieder geval heel luid in de Nederlandse literatuur. In Engeland, Frankrijk en Amerika worden al vele jaren romans geschreven die, om met Salman Rushdie te spreken, schrijlings op twee culturen zitten. Of het nu Rushdie zelf is, Ben Okri, V.S. Naipaul, Carl Philips, Amy Tan, Jamaica Kincaid of Tahar Ben Jelloun, het gaat steeds om schrijvers die ergens een vaderland in de verte hebben. Schrijvers die in zekere zin cultureel ontheemd zijn en in hun boeken zowel uit de bron van hun afkomst kunnen putten als uit de bron van hun heden in een nieuw land. Die zich zowel laten inspireren door de westerse literaire canon als door de verhalen zoals die verteld worden in hun land van herkomst. De literatuur is zogezegd internationaler dan ooit.
IN DE NEDERLANDSE literatuur is het heelal nog niet zo open. Vandaar dat elk boek van een naar Nederland uitgeweken schrijver of van een kind van naar Nederland ge‰migreerde ouders bij voorbaat met groot enthousiasme wordt onthaald. Hoe vaak heb ik het niet horen roepen op rokerige literaire avonden over de relatie tussen literatuur en werkelijkheid: de Bijlmer moet de literatuur in! Waar blijft het boek dat de condition humaine van de illegaal beschrijft? Waar de roman die de beleving van de gastarbeider uit de jaren zeventig adequaat weergeeft?
Dat verlangen naar ‘wereldliteratuur’ verklaart het bad van warme belangstelling dat klaarstaat voor schrijvers als Naima El Bezaz, Kader Abdolah, Nausicaa Marbe, en nu weer Moses Isegawa. Dat hun boeken niet zelden bleek afsteken bij hun vaak kleurrijke en pijnlijke levensverhalen wordt daarbij graag vergeten. De zucht naar exotisme wint het maar al te vaak van het scherpe oog voor de literaire kwaliteit.
Toegegeven, ook mijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld als er een vuistdikke roman voor mij ligt waarin de Afrikaanse diaspora eindigt in de Bijlmer. De van oorsprong Oegandese Moses Isegawa heeft zijn Abessijnse kronieken dan wel in het Engels geschreven, hij is genaturaliseerd Nederlander en dat maakt dat je met enig recht kunt zeggen dat hij de eerste Afrikaans-Nederlandse roman heeft geschreven.
IN ABESSIJNSE kronieken tuimel je over de vele vreemde, exotische verhalen. Isegawa schildert in zijn debuut de levensgeschiedenis van Moegezi, een opstandig jongetje dat probeert te ontsnappen aan de knellende Oegandese mores. Moegezi groeit op in een wereld van verhalen. Bijna mythische verhalen over de dorpsbewoners. Verhalen over de jaren vijftig, toen zijn grootvader hoofdman van het district was en het huis bevolkt werd door een stoet familieleden, vrienden en aanhangers. Toen opa zijn macht verloor, slonk het huishouden - zelfs de klaplopers bleven weg. En verhalen over zijn familie, zoals het idiote verhaal over zijn tante Tiida, bijgenaamd Miss Sunlight Zeep vanwege haar gewoonte viermaal daags een bad te nemen. Als haar man zich tot moslim bekeert, wordt het huis door een heuse vloek getroffen. ’s Nachts worden kippen- en hondendarmen op het erf gelegd, waardoor de overhygi‰nische Tiida ’s ochtends door een zwerm vette vliegen wordt omhelsd.
De meeste verhalen worden verteld door oom Kawayida, die als meteropnemer overal over de vloer komt. Moegezi klimt in de hoogste broodboom bij het huis om te zien of zijn oom over de Berg der Mannelijkheid komt aanrijden op zijn motor. Zijn verhalen werken als kunstmest op de fantasie van Moegezi.
Door de wirwar van kleine verhalen schemert het grote verhaal over het leven van Moegezi’s familie, dat weer in de pas loopt met de geschiedenis van Oeganda. Moegezi wordt geboren in een dorp. Na de machtsgreep van Idi Amin verhuizen zijn ouders naar de hoofdstad Kampala. De terreur van Amin wordt weerspiegeld door de gezinsverhoudingen. Vooral zijn moeder Hangslot, een bigotte ex-non die door Moegezi consequent als despoot wordt aangeduid, voert een waar schrikbewind met de guavekarwats. Haar gewelddadige driftbuien, onredelijkheid en harteloosheid leren hem, naar eigen zeggen, hoe hij moet overleven in de dictatuur van Amin en in de bloederige guerrillaoorlogen die volgen op het eind van diens regime.
Dat kan als een klassieke schelm die de mazen van het net van de macht weet te vinden. Ogenschijnlijk past Moegezi zich aan de strenge regels aan, maar in het geniep verzint hij slinkse listen om de macht te ontregelen. Hij weet dat de onschendbaarheid van de macht een zeepbel is. En juist het geloof in die onschendbaarheid maakt despoten zwak: ze zijn onvoldoende op ondermijning van de macht ingesteld. Dat ondervindt hij als hij zich op zijn moeder wil wreken. Het schrijven van een gefingeerde liefdesbrief en het ontvreemden van het spoeltje van haar naaimachine is voldoende om haar aan het wankelen te brengen. Dat ondervindt hij ook op het seminarie waar hij naartoe wordt gestuurd. Minieme ingrepen - het insmeren van een auto met poep, de woorden 'O God!’ krassen op de buik van een boot - laten de machthebbers uit hun rol vallen.
HOE KLEURRIJK het schelmenleven van Moegezi ook is en hoe geestig sommige verhalen ook zijn, daarmee is Abessijnse kronieken helaas nog geen goed boek. Daarvoor zijn veel redenen aan te voeren. In de eerste plaats lijken alle fantastische verhalen en schelmse belevenissen nogal op elkaar. Op den duur wordt de lezer, althans deze, amechtig van de niet-aflatende stroom anekdoten. In de tweede plaats wordt de snedigheid van Moegezi nergens in werkelijk snedige taal gevat. De stijl van de roman is keurig, maar er is kraak noch smaak aan.
De verhalen missen ook een pointe, ze staan niet in een dwingend verband, het leutert maar door. De roman bevat enkele thema’s die het uitdiepen waard waren geweest. De leugenachtigheid van de verhalen en de leugenachtige inborst van Moegezi, bijvoorbeeld. Ook de mechanismen van de macht had Isegawa vlijmscherp kunnen ontleden.
Op een gegeven moment ontdekt Moegezi de macht van de taal. Op de middelbare school schrijft hij brieven voor zijn minder verbaal begaafde klasgenoten. Liefdesbrieven vooral, waarmee hij de werkelijkheid - in dit geval de liefde van een meisje - echt naar zijn hand kan zetten. Vandaar dat hij zijn moeder ook met een brief ten val wil brengen. Hij kan twee boeken raadplegen bij het schrijven: Het brievenboek en Hoe brieven niet geschreven moeten worden. Omdat de zogenaamde aanbidder van zijn moeder van de straat is, gebruikt hij het laatste. Het levert een krankzinnige maar prachtige brief op.
Je zou willen dat Isegawa wat meer gelezen had in Hoe romans niet geschreven moeten worden. Dat hij meer literatuur had weten te maken van zijn rijke materiaal.