Pieter Hilhorst

Afscheid

Het was op een miniconferentie met promovendi uit verschillende landen. De jonge onderzoekers presenteerden hun bevindingen, waarna de oude rotten vragen mochten stellen. Na een vlijtige, maar weinig opzienbarende voordracht van een Duitse sociologe nam Bram de Swaan het woord: «Over drie jaar is jouw proefschrift af en verschijnt er in een gerenommeerd tijdschrift een recensie. Wat hoop jij dat daarin staat?» Het is een vraag die met kleine variaties altijd en overal gesteld kan worden en steeds noopt tot ontboezemingen. Als je er tenminste serieus op in wilt gaan. De Duitse sociologe werd immers gedwongen om de kern van haar wetenschappelijke ambitie onder woorden te brengen. Ze hakkelde zich door een antwoord. Voor iedereen was het duidelijk dat ze geen programma had.

Wezensvragen zijn prikkelend en onbevredigend tegelijk. «Is dit het leven dat je wilt leiden?» Alleen mensen zonder fantasie zeggen op zo’n vraag volmondig «ja». Anderen denken onwillekeurig aan de rafels van hun bestaan en dagdromen even van het onbeschaamd najagen van sluimerende verlangens. Een fractie van een seconde maar, daarna neemt het verstand het weer over. Volwassen mensen weten dat wezensvragen onbeantwoordbaar zijn en stellen ze dus niet meer.

In deze laatste column voor De Groene — ik ben overgelopen naar de Volkskrant — wil ik me toch een Bram de Swaan-achtige vraag voorhouden. Wat wil ik bewerkstelligen met mijn column? Wat is de ideale reactie op een stukje?

Het officiële antwoord is natuurlijk dat ik mensen overtuig en dat gezagsdragers mij in brieven bedanken dat ik hen tot inkeer heb gebracht. Maar dat is een makkelijke wens omdat hij toch niet uitkomt. In de prachtige reportage in NRC Handelsblad van Gerard van Wes terloo over de Partij van de Arbeid-fractie valt te lezen hoe de fractie reageert op een kritische column van Nelleke Noordervliet. Er werd geen acht op geslagen. De politieke kaste in Nederland heeft zich massaal bekeerd tot een onverwoestbaar pragmatisme. Principiële debatten beschouwen ze als ballast. Tegelijkertijd is dat mijn redding, want hoe vreselijk zou het zijn als de politiek verantwoordelijken werkelijk aan mijn lippen hingen. Ik zou geen zin meer uit mijn mond kunnen krijgen en geen regel op papier. Vervulde dromen zijn de ergste nachtmerries.

Wil ik dan dat mensen ontroerd raken? Ik heb immers ook columns geschreven over mijn dochter of mijn dode zuster. Natuurlijk vind ik dat een compliment, maar mijn diepste wens is het niet. Het liefste wil ik dat mensen zien en zeggen dat mijn column onmiskenbaar van mij is. Dat klinkt tautologisch. Toch is dat waar het om gaat. Er zijn genoeg meningen en redeneringen die lekker smaken zonder dat je je bekommert om de herkomst. Ik wil daarentegen herkenbaar zijn in wat ik schrijf. Niet elke regel hoeft mijn watermerk te dragen. Een bevriende criticus wrijft mij te pas en te onpas in dat ik nu eenmaal geen onvergetelijke zinnen schrijf. Maar toch moet er in elk stukje een gedachtekronkel of observatie zitten die typerend is voor mij. Of ze in dit afscheidsstukje staan betwijfel ik, want ik weet niet wat het kenmerkende is van mijn stijl. Misschien hoop ik het al schrijvende te ontdekken. Toch droom ik na elke column dat mensen tegen me zeggen: dat was weer een echte Hilhorst. En nu hoop ik dat u dat onmiskenbare van mij vreselijk zult gaan missen.