Afscheid van Brakman (1922-2008)

Het eerste boek van Willem Brakman dat ik las was De oorveeg (1984). Hij was toen al ruim twintig jaar bezig, wist ik veel. Zelden zo hard gelachen om een boek. Maar ook gehuiverd en stil voor me uit gestaard. Dat krijg je ervan als je een mooi boek leest. Neem de beschrijving van Oom Henk van het slachten van een schaap. ‘“Hoe gaat dat dan?” vroeg ik. “Een vinger in het ene en een duim in het andere neusgat, dat spert de bek open en dan stompt hij in een dreun zijn vuist door de luchtpijp tot midden in zijn donder en rukt het hart eruit. Dat springt nog een tijdje over de vloer als een kikker. Ja jongen, zo deden ze dat al bij de huzaren van 1813.”’
Hoe gaat dat dan? De enig juiste vraag die schrijvers altijd moeten stellen. Hoe werkt het? Hoe zit het? Hoe kun je ergens naar kijken? Wat is er te zien? En vooral: hoe erg is het? Brakman stelde zich deze vragen en trok ermee de wijde wereld in. Schaamte is een prominent thema in zijn hele oeuvre, schaamte over wat er op de wereld te zien en te horen en te beleven valt. Je zou kunnen zeggen dat Brakmans werk een doorlopende poging is schaamte te overwinnen, ook persoonlijke. Daartoe bedacht hij nieuwe mythes, brak hij oude mythes af, kieperde literaire conventies overboord, schreef hij zijn verbluffende zinnen, altijd alert, nooit gewoon, altijd Brakman.
Ik heb zin hem als een soldaat te zien, Brakman trok ten strijde. Gewapend met een scherp oog voor melancholie, voor menselijke verhoudingen, altijd bereid gezag te ondermijnen, flauwekul door te prikken en er op uit nieuwe flauwekul in scène te zetten. Zo wilde ik ook wel schrijven. Gruwelscènes en peilloze melancholie, dwars door elkaar, gefnuikte erotiek en geil verlangen, concrete kleinburgerlijkheid plus de afbraak ervan, meligheid plus verpletterende humor, alles in een groots verband, om de dichter te citeren.
Ik begon met Brakman mee te lopen, hoe moet ik het zeggen: ik maakte geen studie van hem, ik werd zijn stagiair. Ik las rijen boeken van hem, het ene nog bizarder dan het andere, ik weet nog goed dat ik soms passages eruit hardop aan tafel voorlas. Moet je horen, moet je horen.
En nog steeds zouden Brakmans romans verplichte leerstof moeten zijn aan schrijfopleidingen. Leer ervan een verhaal van alle kanten te bekijken, leer afscheid te nemen van gemakzucht, leer formuleren, leer je zinnen te laten golven en zingen, leer nieuwe mythes te creëren, leer verschillende stijlen dooreen te mengen, leer zo concreet te zijn als een baksteen en zo abstract als een windvlaag. Later wilde ik als schrijver afscheid van hem nemen, zo gaat dat natuurlijk. Je wilt niet meer schatplichtig aan een grote schrijver zijn, je bent arrogant genoeg om dit soort illusies in je hoofd te halen. Afscheid van Brakman, het zou een goede titel van een van zijn romans kunnen zijn.
In zijn laatste boek, het fragmentarische en sterk biografische Naar de zee, om het strand te zien (2006) staat het allemaal nog een keer bijeen, inventief, geestig, bijtend soms, paradoxaal en speels als geen ander. Met tussen de verhaaltjes en verhalen ineens zo’n sleutelzin uit zijn hele oeuvre. ‘Was ik gelukkig? Ja, maar zeer droevig.’ En iets verderop zeer geestig: ‘Mij is steeds nooit iets ingevallen.’ En weer ergens anders een ander credo van zijn schrijverschap: ‘Wij herstellen dat wat er in werkelijkheid niet is.’ En ten slotte het schitterende: ‘Ik was jong, maar al een ervaringsgenie.’ Willem Brakman is altijd een ervaringsgenie gebleven.