Addio alla fine & tauberbach

Afscheid van een einde

De uitputtende bewegingsveldslag van Emio Greco & Pieter C. Scholten. En de gecontroleerde ordening van menselijke ledematen op hemelse muziek. Twee hoogtepunten uit het dansseizoen.

Medium addio alla fine ickamsterdam alwin poiana  0

Ergens net iets over de helft van de voorstelling – hoewel je dat bij dans nooit weten kunt, dans draait achterstevoren versnellend en ondersteboven vertragend aan de knoppen van de tijd, zodat de wijzers van de klok plotseling verspringen – ergens halverwege dus, verdwijnen de drie danseressen en de drie dansers tijdelijk in de bescheiden mensenverzameling op het podium. De brede balletvloer waarop tot dan toe energiek is bewogen, ligt namelijk tussen de eerste rij van het enorme auditorium (Rabozaal, Stadsschouwburg Amsterdam) en een vijf à zes rijen tellende tribune op het achtertoneel. Van die bescheiden tribune plukken de dansers in dat korte intermezzo ieder een vaal-fleurig bloesje, dat ze over hun ‘werkkleding’ aantrekken. Vanaf dat moment wordt hun dans enerzijds ijl en doorschijnend, alsof ze door geesten of spoken ten dans zijn gevraagd. Anderzijds, daar dwars doorheen, worden hun bewegingen doorsneden met heftige, pulserende spasmen, alsof een bende duivels hen op de hielen zit en hen een onverbiddelijke doodsstrijd in jaagt. De twintig minuten (of is het toch een half uur?) die meteen daarop volgen zijn voor het naar het puntje van de stoel geschoven publiek zichtbaar en hoorbaar de meest enerverende van de avond. Voor déze kijker behoren ze tot het mooiste dat ik in dit seizoen aan dans zag.

De voorgeschiedenis heb ik gemist. Addio alla fine was in 2012 al een voorstelling. Tijdens het Holland Festival, op de locatie van een groot schip. In alle opzichten een technisch, logistiek en dansant hoogstandje, zo heette het. En het was allemaal aan me voorbij gegaan. Nu heeft het brisante choreografenduo Emio Greco Pieter C. Scholten de voorstelling, onder auspiciën van het International Choreographic Arts Centre Amsterdam, omgebouwd tot een spectacle coupé voor grote middenzalen, tot half maart op tournee, met de rest van hun repertoire. Ik had op korte termijn besloten te gaan kijken, wist dus niets van de inspiratiebronnen (waaronder Fellini’s speelfilm E la nave va uit 1983), begreep ook niets van de stille rinoceros die mij de weg naar de zaal probeerde te versperren en ook niks van de opgewonden reporter die bezoekers tot geïmproviseerde ganggesprekjes probeerde te verleiden, die vervolgens overal in het gebouw hoorbaar waren. Het verzoek van een spreekstalmeester om vooraf aan het betreden van de zaal een partner te zoeken, teneinde allemaal in tweetallen ‘de loopplank naar het schip te betreden en aldus de reis van de voorstelling te aanvaarden’, klonk mij te veel naar ‘en nu allemaal!’ en werd derhalve nijdig genegeerd.

Daarna was er eerst een filmpje met een zwarte koets, een urn op een kussen (verwijzing naar Fellini’s vertelling) en kekke dansjes op de stoep van een theater. Vervolgens betrad de rouwstoet uit de film met de urn de zaal. De acteur Kurt Vandendriessche probeerde mij vanaf een groot scherm wijs te maken waarover de avond zou gaan handelen. En weer waren daar de verwijzingen naar de twee-van-ieder-soort-ark en de bijbehorende zondvloed of een anderzijds fataal uit elkaar ploffend wereldbeeld.

Ik had ondertussen alleen nog maar oog voor de zoveelste aflevering van de uitputtende bewegingsveldslagen waarop het duo Greco Scholten het patent lijkt te hebben. Waarbij Greco deze keer samen met de orakelende toneelspeler opvallend lang langs de kant toekijkt. Maar daarna toch weer als volleerd dansmeester zijn tovenaarsleerlingen opzweept tot onwaarschijnlijk grote hoogten en peilloze diepten. Dat de dansers me na afloop, uit al hun poriën zwetend als verzopen otters, bij de uitgang nog een goede reis kwamen wensen, vond ik weliswaar sympathiek, maar het gebaar trapte dat grote emotionele brok dat hun fysieke présence dwars in mijn keel had geplaatst, wel erg wreed verderop mijn strot in. Soms heb je de illusie van het verre en het afstandelijke juist enorm hard nodig om de schoonheid met je mee naar huis te slepen, als een wolf de prooi naar zijn hol.

Medium 4 tauberbach alain platel foto julian ro cc 88der

De volgende dag per trein naar Parijs voor de Franse première van tauberbach, een project van Alain Platel en zijn les ballets C de la B, in samenwerking met de Münchner Kammerspiele van ‘onze’ Johan Simons, het theater waar de wereldpremière een week eerder, op 17 januari, al had plaatsgevonden. Een nieuwe voorstelling van Alain Platel (vsprs 2006, pitié! 2008, Out of Contextfor Pina 2010, Gardenia 2010, C(H)OEURS 2012), dat is een event, met alle jetsetbijverschijnselen waar ik niet dol op ben. De omgeving maakt een hoop goed. Théâtre National de Chaillot aan de voet van de Eiffeltoren. In de reusachtige zaal die is vernoemd naar Jean Vilar, de legendarische leider van het Théâtre National Populaire. Het is een huis dat ruikt naar de historie en de idealen van volkstheater.

Je kunt iets tegen de eenzaamheid van leven in taal ondernemen. Met het expressief bewegende lijf

De productie tauberbach brengt enkele kunstenaars en enkele bestaande kunstprojecten bij elkaar op een manier die eigenlijk alleen maar kan in de wereld en in het volkstheater van Alain Platel. Om te beginnen vroeg toneelspeelster Elsie de Brauw al een poos geleden aan Platel om een voorstelling te maken met acteurs en dansers, met acteurs die dansen en dansers die acteren. Platel is verder al een kleine eeuwigheid verknocht aan Bach. Niet aan de hemelse Johann Sebastian. Meer aan de Bach die leefde in het vuil en de misère van de late zeventiende en het begin van de achttiende eeuw. De Bach als jonge wees, als jonge weduwnaar, de Bach die veel van zijn kinderen zag doodgaan. De seculiere Bach waar dirigenten als Sir John Eliot Gardener zo meeslepend over vertellen, illustrerend dat je Bach misschien niet beter speelt als je meer van hem weet maar dat het wel helpt.

Platel heeft in zijn producties als Iets op Bach (1998), gedeeltelijk ook in Bernadetje (1996) en in het eerder genoemde pitié! de grote Johann Sebastian als het ware ‘onthemeld’. Hij kreeg ooit een cd toegestoken met daarop geschreven Tauber Bach. Muziek was het uit een project van de Poolse kunstenaar Artur Zmijewsky, die in de Thomaskerk in Leipzig Bach liet horen, gezongen door mensen die niets kunnen horen, die de muziek horen zingen in hun hoofd en die niet weten hoe het klinkt wanneer zij hun kakofonie voor anderen ten gehore brengen. Wij, de gelukkigen die wel horen kunnen, weten bij het luisteren naar de zingende doven niet waar we kijken moeten van het ongemak en de lelijkheid. Platel zoekt al heel lang de schoonheid in het lelijke, het afwijkende. Zijn muzikaal genie en schepper van de sound scapes van de (recente) voorstellingen van les ballets C de la B, Steven Prengels, heeft deze ‘dovenbach’ nu in tauberbach naar binnen gemasseerd, gewoven, gebreid, gecomponeerd.

En dan is er nog de inspiratiebron waar de participatie van actrice Elsie de Brauw op is gebaseerd. In 2005 vertoonde het Idfa in Amsterdam de documentaire Estamira (2004), het regiedebuut van de Braziliaanse filmer Marcos Prado, over een door het leven getekende, charismatische vrouw die leefde op Jardim Gramacho, een vuilstortplaats in de buurt van Rio de Janeiro. Elsie de Brauw heeft haar nomadische personage in tauberbach voor een belangrijk deel gebaseerd op die Estamira. De speelvloer is bezaaid met kleding. Estamira zwerft er rond. Ze spreekt in het Engels teksten die horen bij de fantomen in haar kop, die haar plagen en die ze probeert te beheersen. De taal (spreken is voor haar een vorm van overleven) die ze hanteert valt soms in grote brokstukken uit elkaar, in een brouwsel dat voor haar de harde logica van het leven, haar leven, het best samenvat. Een taal die voor ons volstrekt onverstaanbaar is. Maar die door de expressionistische, naar buiten én naar binnen gerichte oerkracht van het acteren van Elsie de Brauw, ook weer heel erg leesbaar wordt. Platel noemt het ‘telefoneren met God’. Een god die op een klankband in een postreligieus dieventaaltje ook daadwerkelijk terugpraat.

Maar het wonder van de voorstelling tauberbach zit in de schoksgewijs verlopende communicatie tussen Elsie ‘Estamira’ de Brauw en de dansers, vijf in getal. Zij praten niet (meer). Ze hebben de geluiden voortbrengende kauwbewegingen van hun kaken afgeleerd en spreken nog slechts met hun lijf. Dat doet Estamira zichtbaar en hoorbaar pijn. En er woeden al zoveel stormen van pijn in haar. De dansers leren Estamira dat je met die pijn in het hoofd, in plaats van de over de tong ratelende taal, ook iets anders kunt doen. Als Estamira zegt: ‘Ik ben het niet met het leven eens’, dan is het fysieke antwoord van de vuilniszwervers dat die mededeling er niet toe doet. Want niet waar is. Je kunt iets tegen de eenzaamheid van leven in taal ondernemen. Met het expressief bewegende lijf. De zwijgenden bieden de pratende aldus een soort van hoop. Ze bieden de dans aan, als het werk van zielsatleten, acrobaten van het hart. De vurige wens van Elsie de Brauw om een ontmoeting tussen acteurs en dansers te creëren, daar heeft Alain Platel een existentieel antwoord op gegeven.

Het mooiste komt dan nog. Dat is wanneer Estamira zich heeft overgegeven, wanneer ze deel is geworden van het koor der sprakelozen. Wanneer ze mee gaat dansen in een groots soort bevrijding, die intens droevig is en ook licht en blijmakend en open. Je ziet daar hoezeer de geest van Pina Bausch in Alain Platel werkzaam is, in het op deze wijze ‘schilderen’ met dansers. Geen epigonisme, eerder een groots gebaar, een aanvaarding, ‘ik heb je begrepen’. Of, zoals de Roemeense dirigent Sergiu Celibidache het mooiste compliment dat hij ooit kreeg van een luisteraar met instemming citeerde: ‘Es ist so.’

De voorstelling tauberbach biedt dit en nog veel meer. Want het is een rijke vertelling. Waarin je ook wonderen ziet. Hoe een danserslichaam (het is, als ik het goed heb, de Portugese danser Romeu Runa), op de vierde cellosuite van Bach langzaam maar zeker verandert in een cello van vlees en bloed. Je ziet de transformatie van een mens in muziek voor je ogen gebeuren. En je gelooft niet wat je ziet. Het heeft geen spoor van virtuozo, van een gewild kijk-mij-eens-goed-zijn! Het is de gecontroleerde ordening van menselijke ledematen op de gecontroleerde ordening van hemelse maar ook wiskundig exacte muziek. Het is de troost van de schoonheid. Groot theater, dat is het.


Addio alla fine is t/m 13 maart te zien in Utrecht, Tilburg, Den Haag en Rotterdam, ickamsterdam.nl. tauberbach is op 5, 6 en 7 februari te zien in de Stadsschouwburg in Amsterdam en is tot eind augustus op tournee, esballetscdelab.be

beeld 1: Alwin Poiana, 2: Julian Roeder