Het kantelend natuurbeeld

Afscheid van Newton

Klimaatproblemen vergen een nieuwe kijk op onze omgeving. We moeten beseffen dat de natuur niet begint bij een bordje van Staatsbosbeheer, maar dat we er onderdeel van zijn.

De bedreigde kamferboom in een reservaat in Kepong, Maleisië. ‘Crown shyness’ is een fenomeen waarbij boomkruinen elkaar niet raken © Stuart Franklin / Magnum / ANP

‘Aan het begin van het Holoceen, zo’n 11.700 jaar geleden, begon Doggerland langzaam onder water te lopen’, vertelt Luc Amkreutz, conservator prehistorie bij het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Hij leidt me rond langs de tentoonstelling Doggerland: Verdwenen wereld in de Noordzee. Waar nu de Noordzee ligt, bevond zich lang geleden een enorme vlakte. Daar, op het land tussen Schotland en Noorwegen, hebben zowel neanderthalers als voorouders van de homo sapiens geleefd. De zeespiegel stond in die tijd 85 meter lager dan nu en zou binnen drieduizend jaar zestig meter stijgen. Dat is gemiddeld twee meter per eeuw.

Vooral in het zevende millennium voor Christus ging het hard. De laatste delen van Doggerland verdwenen door een Noorse tsunami en een versnelde zeespiegelstijging. Amkreutz: ‘De toen levende mensen hebben het landschap voor hun ogen, in ieder geval binnen generaties, zien veranderen. De onvoorspelbaarheid van het water was eigenlijk het enige voorspelbare in hun leven.’

Dat veranderende landschap bood onze voorouders mogelijkheden, maar daar moesten ze flexibel mee omgaan. In het bijbehorende boek van de tentoonstelling beschrijft Amkreutz deze dynamiek: ‘Veranderingen in voedselbronnen, jachtgebieden, waterwegen en contactnetwerken. Tegenwoordig zien we zulke veranderingen als iets negatiefs, maar onze voorouders boden ze juist kansen en ze waren in de meeste gevallen normaal.’

Het grootste deel van de menselijke geschiedenis kenmerkt zich door een perspectief waarin werkelijkheid en natuur niet van elkaar te onderscheiden zijn, een perspectief waarin mensen de natuurlijke werkelijkheid proberen te duiden met behulp van verhalen en waarin ze de natuur proberen gunstig te stemmen door middel van offers, rituelen of gebeden. Het ‘premodern-mythische beeld’ noemt Koo van der Wal, emeritus hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, dit perspectief in zijn rijke en leerzame boek De symfonie van de natuur: Tableau van een kleurrijke en creatieve werkelijkheid (2020). In dit beeld is het idee dat mensen de natuur zouden kunnen bedwingen ronduit bespottelijk. Om te overleven moet je als prehistorische mens immers voortdurend luisteren naar de natuur. Je moet goed opletten en uitvinden welke bessen giftig zijn en welke niet. Je moet jagen op dieren die je met al je zintuigen moet observeren. Als er plotseling geen rendieren meer zijn, stap je over op vis. Maar bovenal moet je ervoor zorgen dat je zelf niet wordt verslonden. De natuur negeren was voor de prehistorische mens een luxe die hij zich simpelweg niet kon permitteren.

Barbara Ehrenreich speculeert in een essay in De Groene Amsterdammer over prehistorische kunst (18 december 2019) over de betekenis van oeroude rotstekeningen die meestal dieren en geen mensen tot onderwerp hadden. In de Oude Steentijd was de ervaring van prooi zijn aan de orde van de dag. Het bewustzijn dat je vlees bent voor een ander dier is niet alleen correct, maar getuigt zelfs van een soort humor, vermoedt Ehrenreich. Dat besef leidt immers tot zelfrelativering en dient als uitstekend medicijn tegen hubris en zelfoverschatting.

Ehrenreich schrijft: ‘De ader van frivoliteit die door de paleolithische kunst lijkt te lopen kan voortgekomen zijn uit een correcte perceptie van de plaats van de mens in de wereld. Onze voorouders namen een lage plek in de voedselketen in, althans vergeleken met de megafauna, maar tegelijkertijd waren zij in staat om te begrijpen en te verbeelden hoe laag die plek was. Zij wisten dat ze vlees waren, en zij leken ook te wéten dat ze wisten dat ze vlees waren – vlees dat kon denken. En dat, als je er lang genoeg over nadenkt, is bijna grappig.’ Ehrenreich vermoedt dat we ‘de komende massa-uitsterving niet zullen overleven tenzij we eindelijk de grap begrijpen’. Daarvoor hoeven we uiteraard niet terug naar het oude premodern-mythische natuurbeeld. Dat kan ook helemaal niet. Maar we kunnen wel nadenken over hoe we tot het huidige, uitzonderlijke natuurbeeld zijn gekomen en welke barsten daarin nu aan het ontstaan zijn. Die barsten kunnen namelijk mogelijk de weg bereiden voor een nieuw natuurbeeld dat ons wellicht een uitweg biedt uit de steeds nijpender klimaat- en biodiversiteitscrises.

‘Natuurvergetelheid’ is de treffende term die Koo van der Wal heeft bedacht voor de minimale aandacht die de westerse filosofie de laatste eeuwen heeft opgebracht voor de natuur. De reden? We waren te druk met onszelf bezig. De ‘obsessieve preoccupatie met de menselijke werkelijkheid’ is volgens Van der Wal de oorzaak van natuurvergetelheid. Die preoccupatie met de mens viel samen met de wetenschappelijke revolutie in de zeventiende eeuw. In de Europese natuurwetenschap ontstond toen een bijzondere versnelling die tot op de dag van vandaag ons denken bepaalt.

In zijn boek De herschepping van de wereld: Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap verklaard (2007) analyseert emeritus hoogleraar Floris Cohen die versnelling die volgens hem niet alleen in de natuurwetenschap tot een omslag leidde, maar die het gehele westerse denken heeft gevormd. ‘Historisch gesproken mag dan Newton de episode van de Wetenschappelijke Revolutie tot afronding hebben gebracht, inhoudelijk en methodisch gesproken is de revolutie tot op heden doorgegaan’, schrijft Cohen. In die tijd vielen voor het eerst de ‘muren tussen afzonderlijke vormen van natuurkennis althans ten dele weg’.

Huygens, Galilei, Copernicus en Newton speelden hierin allen een belangrijke rol. De manier waarop zij te werk gingen bij de bestudering van de natuur kunnen wij nu nog steeds herkennen als moderne natuurwetenschap. ‘Galilei of Newton worden door een hedendaags natuurwetenschapper begroet als vakgenoten – wat ouderwetse misschien, maar wel herkenbaar als vakgenoten’, schrijft Cohen.

Volgens Cohen moet de natuurwetenschap vooral niet uit eigen kracht een wereldbeeld proberen te vormen. Wat de natuurwetenschap wel kan doen is een reeks wereldbeelden uitsluiten, omdat ze niet stroken met natuurwetenschappelijke bevindingen. De achtergrond van deze observatie is gelegen in voorbeelden uit het verleden. Denk aan de manier waarop het darwinisme ‘tot wereldbeeld is opgeblazen, ten dienste van zo uiteenlopende -ismen als kapitalisme, imperialisme, communisme en ook atheïsme’. Schoenmaker, blijf bij je leest, maant Cohen natuurwetenschappers, want er is zo veel meer in de wereld dat niet te vatten is in maat en getal. Denk aan religie die ook voor natuurwetenschappers uit onze eigen tijd volstrekt niet op gespannen voet hoeft te staan met natuurwetenschap.

‘De geest waait waar hij wil, maar als hij zich eerst moet laten tellen, fnuikt dat zijn vlucht’, schrijft Cohen poëtisch.

Het is een begrijpelijke oproep van Cohen, die de ‘hang naar het totaalsysteem’ terecht verwerpt. Hij signaleert dat bijvoorbeeld bepaalde atheïsten zich beroepen op de natuurwetenschap, terwijl Kant in de tweede helft van de achttiende eeuw juist opruiming hield onder de godsbewijzen zonder daar een geen-godsbewijs voor in de plaats te stellen.

Dachten we vroeger dat de natuur ons decor was waartegen wij onze mensentoneelstukjes opvoerden, inmiddels praat de natuur terug

Tegelijkertijd zijn natuurwetenschap en natuurfilosofie onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kant, maar ook Descartes, legitimeerde destijds de afstandelijke en vervreemde relatie tussen mens en natuur die rechtstreeks voortkwam uit de inzichten van de natuurwetenschappers. Descartes scheidde het lichaam van de geest en Kant benadrukte de autonoom denkende mens. Daarmee legden zij de basis voor het moderne mens- en wereldbeeld dat vooral ging over mensen en hun ideeën. Dit alles deden zij op basis van de wetenschappelijke ideeën over hoe de natuur moest worden onderzocht en begrepen: de mens als subject die rationeel onderzoek doet naar de natuur als object; een natuur die zich laat kennen door eeuwig durende en universele wetten. Dit perspectief leidde tegelijkertijd tot ‘natuurvergetelheid’, omdat het de natuur beschouwde als afgescheiden van de mens en daarmee filosofisch minder interessant.

Koo van der Wal signaleert allereerst een theoretische noodzaak om natuur nu juist op de voorgrond van ons denken te plaatsen. Het dualistische beeld dat de levende mens plaatst tegenover dode, inerte materie vertoont namelijk steeds meer barsten en voldoet simpelweg niet meer. De meest recente inzichten uit de natuurkunde zijn niet meer verenigbaar met het cartesiaanse, dualistische natuurbeeld. Natuurkundige systemen als de warmteleer, de relativiteits- en kwantumtheorie, de systeembiologie, de chaostheorie, de ontdekking van zelforganiserende vermogens van de natuur, de idee van emergente fenomenen: ze passen allemaal niet meer in de mal van het oude, statische natuurbeeld.

Daarnaast zijn er dringende praktische redenen voor een herziening van ons natuurbeeld: de crises van klimaat en massa-uitsterving. De huidige milieuproblemen moeten volgens Van der Wal niet worden gezien als een ‘bedrijfsongeval van de moderne samenleving’, als een toevallige bijkomstigheid van een verder geoliede samenleving waar we nu even snel een oplossing voor moeten bedenken. Nee, deze problemen zijn een ‘structurele storing van het sociale systeem’; ze zijn als het ware ‘voorgeprogrammeerd’.

Het dualistische natuurbeeld wordt steeds vaker ter discussie gesteld, vooral in kunst, theater en literatuur. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de bio-art-beweging: kunstenaars die werken met schimmels, planten, microben en (bio)technologie om de vervlochten relatie tussen mens en natuur te tonen. Zo ontwierp Eduardo Kac, die de term bio-art eind vorige eeuw muntte, de Eudunia, een petunia die was geïnjecteerd met dna uit zijn eigen bloed en om die reden werd uitgeroepen tot eerste hybride ‘plantimal’. De Japanse Aki Inomata vormde met een 3D-printer een fossiele ammoniet van hars waarin een octopus direct zijn intrek nam. En Thijs Biersteker liet met zijn werk Econtinuum zien hoe een stelsel van wortels en schimmels onder de grond als een soort internet functioneert en hoe dit netwerk reageert op onze aanwezigheid.

Ook in de literatuur wordt het oude natuurbeeld regelmatig vervangen. In de roman Tot in de hemel geeft Richard Powers bijvoorbeeld een hoofdrol aan bomen, terwijl Olga Tokarczuk in Jaag je ploeg over de botten van de doden de almachtige houding van mensen bekritiseert en de ‘Dieren’ terug laat slaan. Theaterstukken, podcasts, festivals: ze gaan de laatste jaren steeds vaker over het Antropoceen en onze relatie met de natuur. Kortom: in de culturele wereld is onze relatie met de natuur nu een populair onderwerp dat kan rekenen op grote belangstelling.

Toch is het niet alleen uit de culturele hoek dat de roep om een nieuw natuurbeeld klinkt. Volgens Van der Wal hebben we te maken met een ingrijpende paradigmawisseling als het gaat om onze natuuropvatting die als postklassiek kan worden aangeduid. Deze opvatting is niet de overtuiging van een groep kunstenaars of filosofen die zich tegen de kille berekeningen van de natuurwetenschappers keert; nee, de postklassieke opvatting komt juist ook direct voort uit die natuurwetenschap zelf. Ik hoor het in de woorden van Robbert Dijkgraaf die in een optimistische, recente lezing zegt: ‘Ik denk dat het moeilijk te overschatten is hoe belangrijk dit transitiemoment is. In de laatste eeuwen hebben we de bouwstenen van de realiteit ontdekt: de atomen van materie, de bits van informatie, de genen van de biologie. En nu beginnen we te bouwen met deze stenen. Genetische engineering, kwantumtechnologie, AI, het is allemaal het begin van een geweldig avontuur waarin we in feite de nieuwe structuren van de realiteit verkennen. We kunnen ons hier nog niets bij voorstellen, omdat de natuur zelf, de kosmische evolutie, de evolutie van het leven op onze planeet, ontzettend langzaam gaat. Maar wij zijn deze ontwikkelingen nu exponentieel aan het versnellen. De vraag is nu hoe we dit, als samenleving, gaan doen. Er zijn ongelimiteerde mogelijkheden en alles is met elkaar verbonden. De technologie van de kwantumcomputer ís die van de natuur. De natuur is één grote kwantumcomputer. Onze technologie is dus op één lijn aan het komen met die van de natuur.’

Ik krijg rode wangen van zijn woorden, maar toch maak ik me ook zorgen. Want in de wereld om mij heen zie ik nog niets terug van deze grote kanteling in ons natuurbeeld. Terwijl het statische karakter van de natuur letterlijk dag in, dag uit wordt betwist. Dachten we vroeger dat de natuur ons decor was waartegen wij onze mensentoneelstukjes opvoerden, inmiddels praat de natuur terug. Gletsjers smelten, temperaturen stijgen, rivieren overstromen en regenwouden branden. De natuur is met exponentiële versnelling aan het bewegen en als een grillig monster tot leven aan het komen. En wij staan erbij en kijken ernaar.

Het leven zelf is waarschijnlijk een beter model om de natuur te begrijpen. Van der Wal omschrijft het leven als een ‘onplaatsbare zwerfsteen in het gemechaniseerde wereldbeeld’. Hoe valt immers het leven te verklaren vanuit dode en inerte materie? Het fenomeen leven vormt een belangrijke barst in het moderne natuurbeeld en die barst kan ons de weg wijzen naar een nieuw beeld. Dit perspectief geeft de natuur namelijk een geschiedenis. Waar in het klassieke beeld in de natuurwetenschap wordt uitgegaan van een natuur zonder geschiedenis, een universum van eeuwige, vaststaande en voor altijd geldende objectieve natuurwetten, is in het postklassieke natuurbeeld sprake van een pluralisering van het tijdsconcept, van relativiteit en van relaties. Dit is ook de boodschap van kwantumfysicus Carlo Rovelli die stelt dat de conclusie van de kwantumtheorie is dat het universum bestaat uit relaties.

Koo van der Wal is minder optimistisch dan Robbert Dijkgraaf over de richting die dit allemaal opgaat. Hoewel hij wel degelijk de barsten in het oude beeld waarneemt en spreekt van een ‘paradigmawisseling’, wijst hij er tevens op dat de structuur van onze samenleving nog volledig gebouwd is op het oude natuurbeeld. In een telefonisch interview licht hij toe: ‘We hebben drie eeuwen het newtoniaanse denken gehad. Ja, de romantiek en het expressionisme waren weliswaar belangrijke tegenbewegingen, maar in hoofdlijnen bleef het denken newtoniaans. Managementliteratuur, de technologie van sociale instituties, de ingenieurs van het sociale domein, alles volgt nog het oude natuurbeeld. Einstein heeft ooit gezegd dat we problemen niet moeten oplossen met de middelen die ze veroorzaakt hebben. Maar dat zijn we nu precies aan het doen. We moeten op een andere manier gaan denken, maar voorlopig blijft het modderen aan de randen.’

Hij ziet het oude model nog overal om zich heen. Niet alleen als het gaat over natuurgebieden waarvan het voortbestaan telkens ondergeschikt wordt gemaakt aan economische kortetermijnbelangen, maar ook als het gaat om de natuur van onze lichamen. Neem het dogma van de natuurwetenschappelijke geneeskunde. ‘Dat lichamelijke gezondheidsklachten uitsluitend lichamelijke oorzaken hebben, is eenvoudig niet vol te houden. Veel medici beseffen dat op grond van hun professionele ervaring ook wel, alleen beschikt de reguliere geneeskunde, gevangen als zij nog steeds is in de cartesiaanse opvatting van de natuur, niet over theoretische middelen om de evidente wederzijdse invloed van geest en lichaam te duiden en voor de medische praktijk vruchtbaar te maken.’

Met alleen technologie zijn we er natuurlijk niet. Het nieuwe natuurbeeld moet onderdeel worden van de politiek en de economie

Volgens Van der Wal zou het nieuwe beeld van de natuur gebaseerd moeten zijn op relaties. Hij noemt dit de ‘ecologisering van het wereldbeeld’. In de ecologie is de relatie immers de sleutelterm. Het nieuwe beeld kent verschillende pijlers. De kwantumtheorie is een daarvan. Van der Wal: ‘Bij Newton veranderden deeltjes niet in andere samenhangen, maar in kwantum zijn dingen geen zelfstandigheden meer, maar knooppunten in netwerken van relaties. Het zijn de relaties die de zienswijzen bepalen. Bovendien is er in de werkelijkheid telkens een zekere onscherpte, een bepaalde onbepaaldheid, die ervoor zorgt dat we de werkelijkheid nooit tot op de bodem kunnen kennen: het onzekerheidsprincipe van Heisenberg.’

Maar ook het leven zelf, dat een innerlijke logica heeft die niet met alleen natuurkunde verklaarbaar is, vormt een pijler. Regelmatigheden van een lagere orde, bijvoorbeeld van atomen of cellen, werken misschien door in systemen van een hogere orde, bijvoorbeeld die van de organen of het lichaam, of van een nog hogere orde, die van de biologische of sociale systemen, maar elk niveau kent zijn eigen logica. Zo ontstaan nieuwe verschijnselen, emergenties die opdoemen uit patronen in een systeem uit een lagere orde: ‘Het leven zelf, het bewustzijn, sociale verschijnselen, dit zijn allemaal fenomenen die je niet met het newtoniaanse natuurbeeld kunt verklaren.’

Fukushima, Japan, 2017. De gemeente Tomioka werd in 2011 zwaar getroffen door een zeebeving, tsunami en kernramp © Moises Saman / Magnum / ANP

Waar Floris Cohen natuurwetenschappers maant om zich te beperken tot hun eigen vakgebied, omdat ‘de geest zich niet laat tellen’, stelt Koo van der Wal dat de natuurkunde de natuur slechts bevraagt onder haar eigen voorwaarden. ‘Dat is filosofisch interessant. Er wordt uitgegaan van een operatief technisch kenconcept: zo werken wij in de wetenschap. Dat is innerlijk ethisch. Maar het negeert andere vormen van kennis die eveneens het natuurbeeld bepalen.’

Hoewel een nieuwe blik op de natuur dus wel degelijk wordt geïnitieerd door natuurwetenschappers en verder wordt verbeeld door kunstenaars, schrijvers en theatermakers, zal een werkelijk nieuw natuurbeeld nog veel breder moeten worden getrokken. Zonder overigens een door Cohen terecht verworpen, onwrikbaar totaalbeeld te worden.

Zo kom je uit bij een natuurbeeld waarin we ons bewust zijn van de continue interactie tussen onszelf en onze omgeving, een beeld waarin we weten dat we zelf onderdeel zijn van de natuur, waarin we onszelf niet meer op afstand plaatsen van onze omgeving. Het is een beeld dat in bepaalde opzichten weer dichter aansluit bij het premodern-mythische beeld waarin natuur en werkelijkheid één zijn. De natuur die niet begint bij het bordje van Natuurmonumenten of Staatsbosbeheer, maar die alles omvat: de hele wereld inclusief onszelf. Maar of we daarmee de grap van onze prehistorische voorouders begrijpen is nog maar de vraag.

Het loslaten van het dualisme en het besef dat we onderdeel zijn van de natuur als allesomvattend geheel kan namelijk weer tot verschillende vormen van denken en handelen leiden. Kort gezegd zijn er twee mogelijkheden. In de eerste optiek wordt benadrukt dat de mens de hele wereld al naar zijn hand heeft gezet en dat er simpelweg geen natuur, in de zin van wildernis, meer over is. Wat wij nu nog wildernis noemen is niets meer dan een romantische ‘wensnatuur’ die volledig kunstmatig is. Zo schrijft Norbert Peeters in zijn essay Wildernis vernis over het stukje ‘wilde natuur’ in het Vondelpark dat met de grootst mogelijke zorg en aandacht door mensen is aangelegd met als doel een zo ‘wild’ mogelijke indruk te wekken. Mensen mogen er niet komen. Peeters heeft er geen problemen mee, hij vindt het een mooi stukje park. Maar we moeten vooral niet doen alsof dat wilde natuur is, stelt hij. Net zoals bij veel rewilding-projecten gaat het hier om niets meer of minder dan ‘tuinieren’.

Sommige denkers propageren bovendien om ook technologie onderdeel te maken van dit natuurbeeld, van het ecosysteem. Next Nature Network, met ambassadeurs als Bas Haring en Jos de Mul, hanteert zelfs de slogan ‘Technology is our next nature’. Bij bestudering van de website van Next Nature Network bekruipt je een gevoel van ongekende mogelijkheden, van spannende tijden en het gevoel dat technologie dé weg uit onze precaire situatie op aarde is.

Als mensen onderdeel zijn van de natuur en wildernis eigenlijk niet meer bestaat, dan valt er feitelijk ook geen natuur meer te beschermen. Kijk naar de ecomodernisten, die in hun manifest schrijven: ‘Hierbij onderschrijven wij een oud ideaal, namelijk het idee dat de mensheid haar impact op het milieu moet verkleinen om plaats te maken voor natuur. Maar tegelijk verwerpen we het idee dat menselijke samenlevingen in harmonie moeten leven met de natuur om zo een economische en ecologische ineenstorting te vermijden. Deze twee idealen zijn niet langer verzoenbaar. Natuurlijke systemen kunnen niet beschermd of verbeterd worden wanneer de mens er voor zijn levensonderhoud en welzijn in toenemende mate van afhangt.’ Dit betekent het loslaten van een beschermingsideaal, van conservatie en natuurbehoud. De natuur is dood; lang leve de natuur, zo zou ik dit beeld samenvatten.

Hoewel het een begrijpelijke reactie is op het oude dualisme van het newtoniaanse denken, zit er ook een gevaarlijke angel in dit nieuwe natuurbeeld. De Franse ‘omgevingsfilosoof’ Virginie Maris omschrijft dit probleem in haar boek Het wilde deel van de wereld waarin ze juist bescherming van de laatste ‘wilde delen van de wereld’ bepleit. Want hoewel echt ongerepte natuur misschien niet meer bestaat, zijn er nog wel een paar plekken op aarde die relatief wild en onaangeroerd zijn. Maris zou die gebieden graag willen afschermen van verdere menselijke inmenging. Het afwijzen van de grote scheidslijn tussen de mens en de natuur, de scheidslijn dus van het newtoniaanse natuurbeeld, leidt volgens Maris namelijk al te snel tot de grote annexatie van de natuur. Via techniek, economische beginselen en digitalisering proberen we de natuur te annexeren door haar uit te drukken in begrippen als ‘ecosysteemdiensten’ of ‘natuurlijk kapitaal’, door haar te laten versmelten met technologie (technology is our next nature!) en door haar te vatten in digitale systemen die de natuur vervormen tot informatie in databases en haar daarbij losweken van de aarde in een tijd waarin juist die aarding zo belangrijk is.

In plaats van de grote annexatie stelt Maris voor om een dialectisch, zacht dualisme te hanteren. Ze doelt hiermee op een dualisme waarbij het bestaan van twee polen in een systeem niet meer automatisch leidt tot een vorm van hiërarchie, waardoor de ene pool de andere pool onderdrukt en exploiteert. Zacht dualisme zou een vorm moeten zijn waarin continue uitwisseling plaatsvindt tussen de twee polen. Op die manier kunnen we het onderscheid tussen onszelf en de ons omringende omgeving, het ‘anders zijn’ van die omgeving, wel degelijk erkennen, maar hoeven we haar daarom nog niet direct te annexeren.

Hoewel ik snap waarom ze graag zou komen tot een middenweg tussen de grote scheidslijn en de grote annexatie, een middenweg die bovendien natuurbescherming legitimeert, is de vraag hoe in de praktijk dit zachte dualisme vervolgens tot stand kan worden gebracht. In de culturele sector wordt er wellicht geluisterd naar de natuur, er wordt gekeken naar emoties van dieren, er wordt ‘onderhandeld’ met probleemwolven en rebelse bevers, er worden pogingen gedaan om contact te maken met landschappen, vragen gesteld over goed voorouderschap, er wordt erkend dat gevoelens van klimaatangst en -depressie steeds weliger tieren. Dat is spannend en inspirerend, omdat het uitnodigt tot een nieuwe manier van denken en kijken naar de natuur. Maar het kan ook uitmonden in ‘veel gepraat, weinig wol’.

Want tegelijkertijd word ik regelmatig overmand door een gevoel van urgentie. Of eigenlijk gewoon een besef van de gloeiende haast die we hebben. De klok tikt! Het systeem dat de problemen van opwarming en uitsterving in zich meedraagt, is van binnen verrot en moet radicaal op de schop. Op de dagen dat de urgentie en de haast de overhand nemen in mijn hoofd, ben ik al snel geneigd om al mijn hoop te vestigen op de technologie die, zoals Dijkgraaf zegt, ‘op één lijn aan het komen is met de natuur’. Misschien komt het dan toch nog goed, denk ik op die dagen. Maar met alleen technologie zijn we er natuurlijk niet. Uiteindelijk moet het nieuwe natuurbeeld onderdeel worden van de politiek en van de economie. Uiteindelijk moeten beleidsmakers, bedrijfsvoerders en politici niet alleen de ‘uitdaging van de energietransitie’ met fris gemoed ‘aangaan’, maar moeten ze ook ons beeld van de natuur op de agenda zetten. Hoe zien wij onszelf ten opzichte van onze omgeving? Waarbij onze omgeving zal bestaan uit bomen en smartphones, uit schimmels en AI, uit onstuimig weer en kwantumcomputers.

Want zolang we in de geneeskunde blijven uitgaan van een lichaam dat bestaat uit dode moleculen die we bij haperingen naar de garage kunnen brengen voor onderhoud, een uitgangspunt dat geen antwoord heeft op chronische ziekte die het grootste beslag legt op de gezondheidszorg; zolang we blijven onderhandelen met boze boeren over een systeem dat allang niet meer levensvatbaar is; zolang we blijven praten over ‘de natuur’ als iets schattigs dat te maken heeft met bloemetjes en bijtjes die wij kunnen ‘redden’; zolang we blijven denken dat de milieuproblemen simpele bijwerkingen zijn van een systeem, bijwerkingen die we vervolgens met meer van dezelfde soort medicijnen moeten behandelen; kortom, zolang we blijven hangen in het ouderwetse, newtoniaanse natuurbeeld, gaat er niets veranderen.

Daarom is het zo belangrijk dat het natuurbeeld gaat kantelen. De inspiratie daarvoor komt uit de natuur zelf, uit de relaties van de ecologie en van de kwantummechanica, uit de levende systemen, uit emergente fenomenen als het bewustzijn of de maatschappij. Maar ook kunnen we inspiratie putten uit onze technologie die vaak beter dan wijzelf kan omgaan met netwerken, exponentiële stijging en relativiteit. Kunstenaars, schrijvers en theatermakers kunnen ons verder op weg helpen om ons een nieuwe blik op de natuur te verbeelden. De beweging zit overal. We hoeven politici, beleidsmakers en bedrijven alleen nog maar een klein zetje te geven. En het liefst snel een beetje. Misschien zijn we dan nog net op tijd om de grap te begrijpen.