Bildungscrisis in het onderwijs

Afscheid van vastgeroeste zekerheden

Ook het onderwijs in Duitsland ontkomt niet aan de malaise. Om het hoofd te kunnen bieden aan dalende kwaliteit, hoge kosten, grote klassenverschillen en te lange studietijd moet er nu iets gebeuren. De discussie over de invoering van collegegeld is niet meer terug te draaien.

BERLIJN — Voor wie niet beter weet, is het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit Berlijn (FU) een slooppand. De ontwerpers hadden destijds de roest op de gevel van de Rostlaube artistiek bedoeld. Niet als achtergrond voor graffiti. Weliswaar kondigt een spandoek een grondige renovatie aan, maar wie vanuit de hal een blik naar buiten werpt, ziet slechts onbemande steigers en een bouwplaats verstoken van gereedschap. Binnen moeten gammele afzettingen de studenten van de bouw scheiden. De vloerbedekking is smerig en vol vochtplekken.

De studenten in het gebouw lijken aan de rotzooi gewend. Schijnbaar onaangedaan roken ze in de gangen hun sigaret. De Semesterferien zijn afgelopen, de colleges weer begonnen. Iedereen heeft in de collegevrije periode aan zijn papers gewerkt. Ze blazen nu uit van de op de valreep gehaalde deadlines. Haast hebben de studenten vandaag niet.

Waarom ook snel studeren als na de studie slechts de sociale dienst wacht? «Tja, wat kan ik later met een studie als germanistiek? Ik ga dit semester maar wat extra filosofievakken volgen. Dan is mijn studietijd tenminste nuttig besteed», zegt een van hen. «Nu kunnen we nog even van de zon genieten», zegt een ander. De studenten doen gemiddeld zeseneenhalf jaar over hun studie, tien procent zelfs langer dan zeveneneenhalf jaar. Daarmee zijn ze Europees kampioen langstuderen. Pas op hun 26ste halen ze hun diploma. Als ze al zover komen. Uit recent onderzoek blijkt dat een derde van de studenten voor het einde van hun studie sjeest. Bij sociale wetenschappen valt zelfs 42 procent af.

De FU vormt een goede doorsnede. Een tegenvallende conjunctuur en steeds groter groeiende gaten in de begroting drukken zwaar op de onderwijsbudgetten van de Duitse universiteiten. Geld voor noodzakelijke investeringen ontbreekt, terwijl de lang studeerders steeds meer geld kosten. Dat kan welvaartsstaat Duitsland zich niet veroor loven. Juist nu, in een tijd van economische flauwte, moet Duitsland in kennis investeren, vindt CDU-oppositieleider Angela Merkel. Dat is hard nodig, want het onderwijssysteem vertoont van onder tot boven rotte plekken.

De bom sloeg begin december 2001 hard in. Niet bij de universiteiten, maar bij de Duitse basisscholen. Uit een rapport waarin de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) verschillende basisvaardigheden in 28 landen had vergeleken, bleek Duitsland een lage middenmoter. Het scoorde met name in leesvaardigheid veel lager dan verwacht. De Duitsers wisten dat arbeidsmarkt, pensioenen en gezondheidszorg op de schop moesten. Maar nu bleek ook het onderwijs een «Sanierungsfall».

De studie ging weliswaar over de basisscholen, maar de resultaten leidden tot felle kritiek op de universiteiten. Daar zijn immers de onderwijzers opgeleid. Bovendien blijft de universiteit de leesproblemen niet bespaard. De problemen zijn al zo oud, dat de eerste lichting slecht lezende scholieren inmiddels aan de universiteit studeert.

Maar daar bleef het niet bij. Het rapport bevatte een nog schokkender resultaat: het Duitse onderwijs blijkt onderhevig aan grote klassenverschillen. Weinig jongeren uit sociaal achtergestelde klassen kiezen voor een universitaire opleiding, waardoor Duitsland in vergelijking met de rest van Europa weinig studenten heeft. En die studeren dan op de koop toe ook nog eens veel te lang.

In juni vorig jaar kwamen politici eindelijk in beweging. Het eerste initiatief kwam uit Noordrijn-Westfalen. De deelstaatregering bedacht een oplossing voor het geldtekort en de lange studietijden: de invoering van collegegeld. Het plan stuitte op hevig verzet. De studenten hoefden voorheen niet voor hun onderwijs te betalen. Nu werd plotseling honderd euro per jaar inschrijfgeld gevraagd — collegegeld mocht het niet heten — en wie veel te veel tijd aan zijn studie zou besteden, betaalde nog eens twaalfhonderd euro extra.

De studenten gooiden de kont tegen de krib. Wekenlang protesteerden ze, gesteund door hun rectoren. De universiteitsbestuurders waren boos omdat de deelstaatregering toegaf het geld te zullen gebruiken om het opgelopen begrotingsgat te vullen. Hoeveel van het geld in het hoger onderwijs zou vloeien, bleef onduidelijk. Uiteindelijk zwichtte de regering voor de protesten en ging het plan van tafel. De onderwijsminister van Noordrijn-Westfalen stapte op.

Ondanks deze politieke averij had Noordrijn-Westfalen wel twee onaantastbare pijlers van het Duitse hoger onderwijs uit de taboesfeer gehaald: de onbeperkt lange studietijden en het gratis hoger onderwijs. Volgens critici komt met het aanpakken van de lange studietijden het oude Duitse Bildungsideal in gevaar. Gestoeld op het gedachtegoed van de grondlegger van de Berlijnse universiteit Wilhelm von Humboldt, gold algemene ontwikkeling altijd als belangrijker dan vakkennis en beroepsopleiding. Ook levenservaring is bruikbare kennis. Tijd speelt bij deze humanistische opvatting nauwelijks een rol. Leren doe je je leven lang.

Bovendien verkleint de invoering van collegegeld de kans van jongeren uit kansarme milieus en is dus sociaal onaanvaardbaar. Volgens de 68’ers, die in Duitsland sterk hun stempel op de onderwijspolitiek hebben gedrukt, moet iedereen de mogelijkheid hebben zich te ontwikkelen. Bildung is een voorwaarde voor een betere wereld en dus is de maatschappij gebaat bij zoveel mogelijk Gebildeter. Maar ondanks het gratis onderwijs staat het met de Pisa-studie nu zwart op wit: sociale verschillen bestaan, zelfs meer dan in de rest van Europa.

Hoe moet het anders? Duitsland is verwikkeld in een typische Grundsatzdiskussion waarin socialistische idealen van weleer met neo liberale opvattingen botsen.

SPD-onderwijsminister Edelgard Bulmahn heeft geprobeerd in de herfst van 2002 de collegegelddiscussie te smoren. Ze beloofde alle studenten dat ze tijdens hun eerste opleiding geen collegegeld hoeven te betalen. Daarmee staat het onderwijsbeleid van Gerhard Schröders roodgroene regering in de oude socialistische traditie. Ook het inschrijfgeld is voorlopig van de baan. In maart oordeelde de constitutionele rechter in Karlsruhe dat het inschrijfgeld van de deelstaat Baden-Württemberg in strijd is met de grondwet. Vooralsnog zitten de studenten dus goed. Tenzij ze veel te lang studeren. Want Langzeitstudiengebühren en collegegeld voor een tweede studie zijn volgens de wet wel toegestaan. Vrijwel elke Duitse deelstaat heeft ze inmiddels al ingevoerd. Zelfs de linkse regering in Berlijn overweegt het.

Ondanks de beloften is de discussie rondom het thema collegegeld geenszins verstomd. Integendeel. Van verschillende kanten komen voorstellen voor collegegeldmodellen. Baden-Württemberg haalt de raider-wordt-twix-truc uit: het afgewezen inschrijfgeld krijgt gewoon een andere naam. Noordrijn-Westfalen krijgt per 1 januari 2004 de zogeheten studieconto’s om de lange studietijden in te perken. Iedere student krijgt een soort strippenkaart. Zeven jaar lang kan de student met deze kaart kosteloos een vaste hoeveelheid onderwijs volgen. Elk semester kost een strip. Is de kaart op, dan kost iedere volgende strip 650 euro. Uit Hamburg komt zelfs een model waarin de student vanaf het begin 2500 euro per jaar betaalt. Onderwijsministers van verschillende deelstaten, rectoren en onderwijsexperts juichen het Hamburgse plan toe.

De discussie gaat er Duits aan toe. In de kranten wordt geen moeite gedaan de ander liefdevol toe te spreken. Onderwijsexpert Konrad Adam, redacteur van de conservatieve krant Die Welt, valt Bulmahns socialistische ideeën hard aan. De minister heeft Marx niet helemaal begrepen, stelt hij. Die vond het al onrechtvaardig dat de hogere inkomensklassen de kosten voor hun opleiding uit de algemene belastingpot betaalden. «Mevrouw Bulmahn is op de vleugels van de partij ver boven haar lage sociale afkomst uitgestegen. Haar overtuigingen hebben haar blijkbaar niet kunnen bijbenen», smaalde Adam.

Peter Gaehtgens, voormalig rector van de FU en sinds augustus voorzitter van het overleg van universiteitsrectoren, schrikt niet van de harde toon. «Dat is typisch Duits. Een middenweg kennen we niet. Het is zwart of wit. Maar zo zwart als we het nu maken, is het feitelijk niet», relativeert hij in zijn chique werkkamer.

Toch zijn er serieuze problemen. Om die het hoofd te bieden moet de universiteit volgens hem een soort onderneming worden. De eerste stap is decentralisatie. De overheid moet zich gaan terugtrekken uit het onderwijs en veel meer aan de eigen verantwoordelijkheid overlaten. Vervolgens moet de concurrentie aan universiteiten worden bevorderd. Student, hoogleraar of universiteitbestuurder: allen gaan een contract aan en worden aan de hand van duidelijke criteria naar prestatie afgerekend. Collegegeld vanaf het begin van de opleiding is daarvoor noodzakelijk. De Studienkonten van Noordrijn-Westfalen zijn volgens hem geen goede oplossing. «Het moet real money zijn. Als je zelf echt betaalt dan weet je ook wat de waarde van iets is. De staat is voor velen een te abstract begrip. Ons hoofdgebouw is helemaal met graffiti bespoten. Mensen beseffen niet dat ze dat zelf betalen.» De studentendemonstraties zijn daarvan het logische gevolg, maar begrip heeft Gaehtgens niet. «We zijn in dit land jarenlang verwend. De student komt naar de universiteit en eist: leid mij op. Dat kan niet meer. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen.» Het gevaar dat de invoering van collegegeld studenten uit armere milieus zou afschrikken acht Gaehtgens niet zo groot. Collegegeld is juist sociaal rechtvaardiger, beweert hij. Met het geld kan een beurzensysteem worden ontwikkeld. «Kijk naar de VS. Slechts dertig procent betaalt daar uiteindelijk zelf collegegeld.»

Bij de studentenraad van de Humboldtuniversiteit (HU) zijn ze niet blij met de komst van Gaehtgens als voorman van de Duitse universiteiten. Vrijwel alle raadsleden studeren sociale wetenschappen. De ruimte waar ze elkaar treffen en over politiek en wereld praten, bevindt zich bovenin de faculteit, middenin het centrum van Berlijn. Een aftandse wenteltrap voert naar de zolderkamer waar afgedankte banken staan en het naar oude koffie ruikt. Aan de wand hangen posters van Che Guevara en leuzen.

Het is typisch voor de Berlijnse studentenvertegenwoordiging zich te belasten met alle wereldproblemen: oorlog, westers imperialisme en onrechtvaardig asielbeleid. Met dergelijke thema’s proberen ze de studenten ook te winnen tijdens de studentenraadverkiezingen. Maar ze halen slechts vijf tot tien procent over hun stem überhaupt uit te brengen. «Studenten hebben hun handen vol aan studeren. Zich politiek engageren is er niet meer bij. Dat komt door die studiedruk. Ik kan het ze niet kwalijk nemen», zegt Gunnar Zerowsky, lid van het presidium van de studentenraad. De studiedruk is opgelopen door de slechte studievoorwaarden, aldus Zerowsky. Overvolle collegezalen en een slechte persoonlijke begeleiding dragen bij tot de langere studietijden waar zo over wordt geklaagd. Om hun studie over deze lange tijd te kunnen bekostigen, zijn bijbaantjes onvermijdelijk. De invoering van collegegeld is daarom onrechtvaardig, vindt hij. «Eerst moeten de studievoorwaarden verbeteren. De openings tijden van de bieb zijn beperkt, de spreekuren van professoren te kort. Je hebt ongetwijfeld de computers beneden gezien. Zes van die krengen staan daar voor alle sociale wetenschappenstudenten. Het is toch geen wonder dat we zo lang studeren?»

Op de eerste verdieping is het inderdaad druk. Voor het schamele zestal computers wachten dertig studenten. Een monitor geeft aan wie er aan de beurt is. De zithouding van de meesten duidt op lange wachttijden.

Ook woordvoerster Dorothée Booth van de raad acht het ondernemingsmodel van Gaehtgens geen goede oplossing. Volgens haar is het een klantenmodel waarvan de student zelf het aanbod niet kan bepalen. «Wetenschap is niet te reduceren tot de vraag: koop ik of koop ik niet? We hebben geen keuze. Als het aanbod ons niet aanstaat, kunnen we niet naar college gaan. Maar dat pakt alleen voor onszelf slecht uit.»

Dan klinken al snel antikapitalistische geluiden. De universiteit is een kapitalistische onderzoeksinstelling, die alleen onderzoek doet waar geld mee te verdienen valt en laat bedrijven de onderzoeksrichtingen meebepalen. Zelfs een reclameposter aan de voorgevel, waarop een te klein H&M-bikinibroekje maar net een vrouwenschoot bedekt, gaat de universiteit niet te ver. Sociale wetenschappen en letteren, wezenlijk voor de idealen van ’68, zullen volgens Booth uiteindelijk helemaal verdwijnen. De studenten worden nog in de gaten gehouden ook. Het Hochschulrahmengesetz verbiedt studenten zich te uiten over politieke thema’s. Meer kan Booth dus niet zeggen. Misschien leest iemand haar uitspraken wel.

Het lijkt niet bij de studenten op te komen om zelf iets te veranderen. Dat is moeilijk binnen de bestaande structuren, verzuchten ze. Professoren doen wat ze willen. Hooguit organiseren de studenten debatten onder de onheilspellende titel «Brave New University». Of protesteren binnenskamers. Want demonstreren heeft toch geen zin. Niemand ligt er nog wakker van.

Hun berusting doet in de verte denken aan die van oud-DDR-burgers. Is deze houding soms kenmerkend voor mensen voor wie de staat alles bepaalt? De studenten zouden met de invoering van collegegeld kunnen instemmen in ruil voor een goede onderhandelingspositie. En daarmee het humboldtiaanse ideaal redden: zelf meebeslissen over het gezicht van de universiteit. Hun passiviteit maakt de invoering van collegegeld alleen maar waarschijnlijker.

Niet alle studenten in Duitsland delen overigens de opvattingen van hun collega’s aan de HU. Om de slechte studieomstandigheden te verbeteren, hebben studenten van de Technische Universiteit Dresden onder studiegenoten bijvoorbeeld geld ingezameld, geheel op vrijwillige basis. Veertig mensen betaalden bijna tweeduizend euro. Genoeg om de bibliotheek drie zondagen lang open te stellen. De actie was een doorslaand succes. Ruim vierduizend studenten maakten gebruik van de extra openingstijden.

Julia Thombansen, een van de drie initiatiefnemers van het project, vindt dat studenten moeten ophouden met klagen en zelf wat moeten ondernemen. «Ook wij zijn tegen de invoering van collegegeld. Het is moeilijk in te zien waar het geld blijft. Maar zelf kunnen we wat veranderen. Zolang we zelf geld betalen, bepalen we ook zelf wat de besteding ervan is. Het project is geslaagd omdat slechts een klein aantal studenten het voor velen mogelijk maakte op zondag te studeren in de bibliotheek. De sterkere neemt het voor de zwakkere op.»

Langzaam neemt Duitsland afscheid van vastgeroeste zekerheden. En dat alleen al is een nieuwsfeit. «In het Duitse universiteitslandschap bewéégt zich iets», schreef een commentator met spottende verbazing in de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Zelfs minister Bulmahn lijkt het model van Gaehtgens nu toch te omarmen. Ze heeft het Hochschulrahmengesetz zo aangepast dat universiteiten professoren kunnen afrekenen op hun prestaties. Het is slechts het begin van een pijnlijk en langdurig proces vol wantrouwen en onzekerheid. Maar vast lijkt te staan dat de eeuwige student met Weltschmerz zijn langste tijd heeft gehad.

_____________________________

Ik wil een universiteit

Deze week is het academische jaar begonnen. Een jaar waarin de laatste verzet biedende docenten worden gedwongen in het Engels aan Nederlandse studenten les te geven. Een jaar waarin elke week opnieuw zal worden besproken aan welke minimumeisen het tentamen moet voldoen. Een jaar waarin docenten weer verontschuldigend zeggen dat er nu eenmaal geen tijd is voor reflectie. Een jaar waarin docenten worden afgerekend op het aantal studenten dat een vak haalt.

Maar dat wil ik helemaal niet. Ik wil docenten die alles met alles in verband brengen. Docenten die altijd alles beter weten en dat laten merken. Docenten die ervan uitgaan dat ik altijd alles heb geschreven en gelezen wat ik moest schrijven en lezen en die minzaam opmerken nooit meer terug te komen als ik dat niet heb gedaan. Docenten die de tijd hebben goed te lezen wat ik heb geschreven en uit te leggen wat er beter kan en waarom. Ik wil docenten die mij door hun colleges weten te overtuigen dat er geen groter goed is dan kennis vergaren. Voor alles wil ik dat ze dit in welbespraakt Nederlands doen. Ik wil een echte universiteit, een Nederlandse universiteit.

(Floris Heukelom, student economie aan de UvA)