Afschrikwekkende consequenties

Emy Koopman dompelt de lezer van Het boek van alle angsten onder in een intens naargeestige wereld. De roman leest als een waarschuwing.

Bij Emy Koopman is vooruitgang nooit vanzelfsprekend © Bob Bronshoff

‘Toen ik begon aan dit boek, was Trump nog niet tot president verkozen, er was nog geen Unite the Right-rally geweest en China’s sociale kredietsysteem zat nog in de experimentele fase.’ Schrijver en onderzoeksjournalist Emy Koopman wil maar zeggen: ik had het zo gek niet verzonnen of het is al gebeurd. Het is dan ook even slikken, deze eerste zin van de verantwoording, na het einde van haar tweede roman Het boek van alle angsten. Van de toekomstromans die de afgelopen jaren in de Nederlandstalige literatuur verschenen – denk aan het werk van Hanna Bervoets, Aafke Romeijn en Ewoud Kieft – is de nieuwe van Koopman de meest klassiek dystopische. Als lezer herken je in de verhaalwereld aanvankelijk het welbekende kluwen van problemen uit onze realiteit: racisme, seksisme, dataficering, verrechtsing en klimaatverandering. Maar waar het bij ons nog niet zover is, moeten Koopmans personages zich al snel redden in een surveillancemaatschappij waar 1984 gezellig bij afsteekt.

Het eerste deel van de roman, met de omineuze titel ‘Wachten op het ergste’, loopt van 2016 tot 2026. In hoofdstukken die de tijd aftellen – ‘Nog 9 jaar, 11 maanden en 3 weken’ – zien we afwisselend Fana en Viko opgroeien van onzekere pubers tot studenten die worstelen met wat er door de buitenwereld van ze wordt verwacht. Fana is een nerdy meisje dat lijdt aan sociale angst. Ze droomt ervan om astronaute te worden, maar uit de dwingende algoritmes van de studiekeuzetest komt geen sterrenkunde, omdat in haar profiel ook kenmerken als haar geslacht en gemengde achtergrond worden meegerekend – haar moeder is een Iraanse vluchtelinge. ‘Ik weeg het allemaal niet, Fana, dat doet het programma’, verschuilt haar decaan zich achter het systeem, om haar vervolgens richting psychologie te duwen, wat beter zou passen bij haar ‘natuurlijke capaciteiten’, lees: als vrouw.

Viko is met zijn astma die hem tijdens gymles hoestbuien bezorgt en zijn obsessie voor dieren een makkelijk slachtoffer voor de treiteraars op school. Tot hij het discussieforum Echte Jongens ontdekt: ‘Het is niet eens zozeer de inhoud, het is de toon die Viko boeit. Dit zijn jongens die weigeren zich te schamen; trotse jongens. Hun toon is er een van natuurlijk intellectueel overwicht. Speels en agressief.’ Zijn plek in de pikorde stijgt zodra hij zich die toon eigen maakt, en als lezer begrijp je welke aantrekkingskracht reactionaire retoriek op spichtige jongens kan hebben. Als student biologie kweekt Viko spiermassa en bezoekt hij bijeenkomsten van het Genootschap Trots en Eer, een club voor de herwaardering van mannelijkheid, zuiverheid en tradities, waar het gedachtegoed van bewegingen als Forum voor Democratie en figuren als Sid Lukkassen duidelijk doorheen schijnt: ‘Als we niet onder de voet willen worden gelopen, moeten we harder werken. Selectie, sturing en het belonen van degenen die het meeste bijdragen – zo simpel is het.’

Je ziet de sfeer van Koopmans roman soms plots terug in het nieuws

De aanloop naar de dystopie die Koopman neemt in deel i is nodig voor het effect in deel ii, maar duurt wel lang. Vooral omdat de vertellers in het eerste deel het adolescentenperspectief amper ontstijgen, voelt haar boek daar als een young adult novel. Nog bezwaarlijker dan die toon zijn de houterige zinnen. Als het tussen Viko en zijn vriend Elias niet goed gaat, vraagt Viko zich af of dat komt omdat hij niet zo’n rijk sociaal leven heeft als Elias: ‘Vandaar wellicht dat zich een gedachte bij hem kon vormen die is blijven rondgonzen, een gedachte die zijn maag samenknijpt: ik zal altijd een ongemak blijven voelen bij Elias, het ligt aan mij en het gaat niet meer veranderen.’ Je vraagt je toch af waarom iemand in een literaire roman de woorden ‘vandaar’ en ‘wellicht’ achter elkaar zou willen zetten.

In deel ii, ‘Nieuwe orde’, komt de verbeeldingskracht van Koopman goed op stoom. In haar debuut Orewoet (2016) speelde de afwijking van het normale al een centrale rol, maar in Het boek van alle angsten trekt ze dat thema door tot in het extreme. Zeven jaar na de catastrofale gebeurtenis waar het eerste deel mee eindigt, leven Fana en Viko in een wereld waarin de Trotsers aan de macht zijn en via staatsprogramma’s de burgers disciplineren. Om zwakte radicaal uit te bannen heeft de overheid van het leven een gewelddadige competitie gemaakt: mensen zijn gereduceerd tot ratings en saldi, ze worden de hele dag gemonitord en hun persoonlijke gegevens worden in punten omgezet. Agressiviteit wordt aangemoedigd: wie op straat iemand in elkaar timmert, ziet zijn saldo stijgen. Wie zich laat uitschelden – slap! – krijgt strafpunten. Fana geeft als psycholoog zelfs trainingen waarin ze bange mensen leert van zich af te slaan, in een laatste poging hun saldo op te krikken. Nadert dat nul, dan volgt de publieke vernedering: vrouwen worden in het openbaar geveild, mannen wacht uitzetting naar de Buitengebieden, het eiland waar de onaangepasten – een groep activisten die zich verzet tegen het overheidsbeleid – wonen onder primitieve omstandigheden.

Het is een intens naargeestige wereld waar Koopman je in het tweede deel in onderdompelt, eentje waarin de echo’s hoorbaar zijn van Brave New World van Aldous Huxley, The Handmaid’s Tale van Margaret Atwood en van Black Mirror, de duistere sciencefictionserie over moderne technologie. Je moet wel bereid zijn je ongeloof op te schorten over een paar bijzonder toevallige ontmoetingen die belangrijk zijn voor de plot, en de dialogen blijven wat afstandelijk. ‘Dat is lang geleden’, zegt Fana tegen een cliënt die ze onverwacht herkent, een nogal beladen situatie. ‘Een heel tijdperk’, zegt zij terug. ‘Ik kan je laten herplaatsen, dan zie je vanaf volgende week iemand anders’, oppert Fana. ‘Dat is niet nodig’, antwoordt de cliënt. Misschien wel voor mij, denkt Fana. Maar de cliënt bepaalt. ‘Oké’, zegt ze, ‘dan gaan we gewoon door. Wat denk jíj dat je lichaam je probeert te vertellen?’

Toch lijkt Koopman in het tweede deel een vertelstem te vinden die haar beter ligt. De belangrijke vraag die ze hier stelt: welke verantwoordelijkheid kan het individu in een totalitaire staat nog nemen? De ontwikkeling van Viko laat het beste zien hoe complex het antwoord op die vraag is. Hoewel hij invloedrijke Trotsers tot zijn beste vrienden mag rekenen, wat hem de nodige privileges oplevert – bezoekjes aan mannelijke prostituees in de hoerenbuurt van het Buitengebied, die eufemistisch de welkomststraat wordt genoemd – twijfelt hij steeds sterker aan de overtuigingen van zijn partij. Als kleine daad van verzet cultiveert hij op zijn woonboot een geheime tuin waar de flora nog wild mag groeien. Aan alles voel je dat dit niet goed kan aflopen, en zonder te spoilen: het is een moedige keuze van Koopman dat ze haar ideeën tot in afschrikwekkende consequenties doordenkt.

‘Angsten uitspreken is de eerste stap om ze onder ogen te kunnen zien’, leert Fana tijdens haar studie. Dat is wat Koopman in Het boek van alle angsten doet: ons een doemscenario voorspiegelen waarin de mens alleen bestaansrecht heeft zolang hij zelfoptimalisatie nastreeft en de samenleving niet te veel op kosten jaagt. De sfeer van de roman blijft hangen op zo’n manier dat je ’m plots terugziet in het nieuws; in de smeltende ijskap op Groenland, in de coronadiscussie waarin kwetsbare ouderen ‘dor hout’ zijn, in het drama met de eindexamens in Engeland, waar een algoritme de cijfers naar beneden haalde op basis van eerdere prestaties van de school en scholen in de omgeving, waardoor de slimste tieners uit achterstandswijken niet meer voldeden aan toelatingseisen voor de universiteit. Het boek van alle angsten leest zo, vooral in het licht van naderende verkiezingen, als een waarschuwing: vooruitgang is nooit vanzelfsprekend, wees dus niet te bang om beducht te zijn, het voorkomen van angsten is beter dan ze beleven.