Afschuiven

De verpleeghuiszorg gaat 2,1 miljard euro extra kosten, om aan de kwaliteitseisen van het Zorginstituut te voldoen. En niemand is verantwoordelijk.

Wie het nieuws heeft gevolgd, weet ineens dat er een Zorginstituut Nederland bestaat, een instituut met voor velen een tot voor kort onbekende invloed op de rijksbegroting. Zorgelijk genoeg geldt die onwetendheid over het effect op de schatkist ook voor politici en de directie van het instituut. ‘Onbewuste onkunde’, hoorde ik iemand zeggen. Dat was nog een mild oordeel.

Volgens de eigen website zorgt het Zorginstituut voor ‘een sterk fundament’ onder de drie pijlers van het Nederlandse zorgsysteem, te weten de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Nu we weten dat de kwaliteitseisen die het instituut stelt aan de zorg in verpleeghuizen de rijksbegroting binnen een aantal jaren een tot voor kort niet voorziene 2,1 miljard euro gaan kosten, is de vraag aan welke betaalbaarheid het instituut dacht toen deze mooie doelstelling werd opgesteld.

Door het opduiken van die 2,1 miljard euro rijst het vermoeden dat het Zorginstituut vooral de portemonnee van de individuele gebruikers voor ogen houdt, en dat als eerste de kwaliteit en de toegankelijkheid zijn geregeld. Dat vermoeden wordt bevestigd door een reactie van het Zorginstituut op een kritische noot van de Algemene Rekenkamer uit 2015. De Rekenkamer had toen onderzocht hoe de uitgaven in de zorg in de hand kunnen worden gehouden door behandelingen uit het basispakket te verwijderen. De Rekenkamer constateerde dat die uitgavenbeheersing via het pakketbeheer zoals dat wordt genoemd niet effectief is. Het Zorginstituut liet toen in antwoord op de zorgen van de Rekenkamer weten dat ‘de uitgavenbeheersing niet het primaire doel is’. Dat is Haags jargon voor: wat het kost is niet mijn zorg.

Moet u zich voorstellen dat u een architect de opdracht heeft gegeven een huis te ontwerpen waarvoor hij de kwaliteitseisen opstelt en dat u daarna geen invloed meer heeft op de kosten die deze eisen aan uw huis stellen. En zelfs als u wel zelf de kwaliteitseisen hebt ingebracht, zoals voor de verpleeghuizen door de politiek wel degelijk is gebeurd, ziet iedereen meteen dat het absurd is dat uw portemonnee daarna geen rol meer zou spelen. Tenzij het geld bij u over de plinten klotst, wilt u tijdens de bouw op de hoogte blijven van de kosten van uw nieuwe huis. Als de kwaliteitseisen voor bijvoorbeeld de isolatie te duur worden, dan zal elk weldenkend mens concluderen dat er dan maar een minder mooie keuken of een goedkopere badkamer in het huis moet.

Intussen gaat het wel over onze portemonnee

De Rekenkamer vond dat uit het onderzoek van 2015 ‘beleidsmatige lessen’ moesten worden getrokken. Maar dat blijkt twee jaar later aan dovemansoren gericht te zijn geweest. De directie van het Zorginstituut schuift de verantwoordelijkheid af op de politiek. Tegen NRC Handelsblad zei directeur Jan Kremer gedacht te hebben dat de politiek nog ‘een laatste oordeel’ zou vellen over de kosten: ‘Dat is ook niet onze taak.’ De Tweede Kamer veinst niet geweten te hebben dat kwaliteitseisen ook financiële gevolgen hebben en evenmin dat de wet voorschrijft dat als die eisen eenmaal door het Zorginstituut zijn vastgesteld daaraan moet worden voldaan. Afschuiven heet dat.

Het lijkt wel of niemand verantwoordelijk is. En dat is dus ook het dieper liggende probleem dat zich hier openbaart. Terwijl het gaat over onze portemonnee. Want die 2,1 miljard euro die de verpleeghuiszorg extra gaat kosten, betalen wij uiteindelijk toch zelf. Via de belastingen. Dan zou het toch zo moeten zijn dat wij daar via de politiek invloed op hebben. Daarvoor moet de politiek dan wel eerst weten wat een dergelijke kwaliteitseis kost. Willen we vier handen aan elk verpleeghuisbed als we weten dat er daardoor minder overheidsgeld is voor onderwijs, openbaar vervoer of cultuur? De politiek moet daarover een laatste oordeel vellen, om het in woorden van directeur Kremer van het Zorginstituut te zeggen, wat onverlet laat dat het instituut een van zijn eigen pijlers veronachtzaamt.

Omdat het over zorg gaat, ligt het politiek echter gevoelig. Durf maar eens te zeggen als politicus dat je niet bereid bent om voor de verpleging van ouderen meer belasting te laten betalen. Terwijl iedereen zich meteen realiseert dat kwaliteitseisen stellen zonder de portemonnee in het oog te houden politiek niet te verkopen is als het zou gaan om defensie of onderwijs. De schatkist beheren is keuzes maken. Die keuzes kan en mag de politiek niet afschuiven op instituten waarvan de directies niet publiekelijk verantwoording hoeven af te leggen.

Het is interessant om te zien hoe de politiek steeds opnieuw situaties creëert die haar controle op de rijksuitgaven ontneemt. In de jaren tachtig heette dat open-einderegelingen. Minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën nam dat beladen woord ook nu in de mond. Terecht. Destijds wilde de politiek er vanaf. Dat was niet voor niks. Het mooiste voorbeeld is nog steeds de Wet op de Investeringsrekening. Bedrijven maakten daar zo gretig gebruik van dat de wet in 1988 met een klap moest worden afgeschaft.

Maar vervolgens gaf de politiek soms het zicht op wat een maatregel kostte toch weer uit handen door deze te fiscaliseren, zoals bijvoorbeeld de energiezuinige auto fiscaal aftrekbaar werd. Ook dan zit er geen limiet op. Bovendien worden de kosten van dit soort maatregelen aan het zicht onttrokken, omdat ze niet onder het kopje uitgaven terug te vinden zijn op de rijksbegroting. Ook dat kun je afschuiven noemen. Net zoals nu. De politiek is hardleers. Is het onbewuste onkunde? Gebeurt het bij volle bewustzijn? Ik vrees beide.