Film: ‘Vox Lux’

Afschuwelijk verleidelijke popmuziek

Vox Lux, over de carrière van een internationale popster, is pas de tweede film van de Amerikaanse regisseur Brady Corbet. Maar het werk schetst een schitterend portret van de 21ste eeuw.

Natalie Portman als Celeste en Raffey Cassidy als haar dochter Albertine. Cassidy speelt ook de jonge Celeste © Foto’s The Searchers

Celeste, een popster zoals Madonna, heeft miljoenen fans over de hele wereld. Ze treedt op gekleed in zwart leer met glitters en draagt zilveren make-up. Ze maakt opwindende dansmuziek in een show met lasers en dansers, maar de hele act duidt op iets duisters. Haar carrière heeft ze gebouwd op basis van een traumatische ervaring uit haar jeugd. Ze ademt verloren onschuld (in de rol van de volwassen Celeste: het vroegere kindsterretje Natalie Portman). Als de film begint, deelt een verteller (Willem Dafoe) ons mee dat Celeste ‘aan de verkeerde kant van Reaganomics’ opgroeide. Tweede akte: faam als popster in het tijdperk van terrorisme. Laatste akte: een futuristische performance als summum van dit ‘portret van de 21ste eeuw’, de subtitel van Vox Lux.

Op het eerste gezicht is onduidelijk wat de Amerikaan Brady Corbet (30) precies wil vertellen met deze film. Enerzijds is de thematiek breed en politiek, anderzijds is ze intiem en psychologisch. Corbet is hoofdzakelijk bekend als acteur in televisieseries en tamelijk onzichtbare medespeler in films van Michael Haneke en Lars von Trier. Van deze cineasten lijkt hij veel te hebben geleerd. Zowel Vox Lux als zijn schitterende debuut, The Childhood of a Leader (2015), ademt een sfeer van verdriet en verdoemenis die een maatschappij kenmerkt die zich opmaakt voor een apocalyps. De debuutfilm is gebaseerd op Jean-Paul Sartre’s gelijknamige korte verhaal uit 1939, en je zou denken: tussen de Franse filosoof en de Amerikaanse regisseur gaapt er een kloof, temeer in de context van het vaak geciteerde gesprek tussen Sartre en een onbekende Amerikaan over het kwaad. Deze Amerikaan zei tegen Sartre dat het mogelijk moest zijn om oorlog uit te bannen; het enige wat je nodig had was verstandige mensen. Het punt was, vertelde de filosoof achteraf, dat hij in het kwaad geloofde en de Amerikaan niet. Dit maakt Corbets The Childhood of a Leader zo verrassend. De film schetst een angstwekkend portret van een jongetje dat na de Eerste Wereldoorlog in de ban raakt van het fascisme.

Op het idee van het kwaad als een onafwendbare aanwezigheid in het leven van mensen borduurt Corbet voort in Vox Lux. In de film verplaatst de regisseur een existentialistische sensibiliteit – Sartre’s visie van het kwaad – naar het Amerika van Reagan, waar zijn hoofdpersoon Celeste als middelbare-schoolleerling iets verschrikkelijks meemaakt. Bijna spontaan buigt ze dat om tot kunstuiting. De muziek die ze samen met haar zus Ellie (Stacy Martin) maakt, vangt het oog van een cynische manager (Jude Law). Een deal met een platenmaatschappij volgt; het album is een hit. Dan zijn we decennia verder. Celeste heeft een gedaanteverwisseling ondergaan, ze wordt nu gespeeld door Portman. Bijna alsof de verteller een natuurkundig fenomeen beschrijft, klinkt zijn stem: ‘In het jaar 2017 is Celeste 31 jaar oud, gevangene van een vulgair en onleefbaar heden dat het einde van een cyclus bereikt. En het was onmogelijk je in te beelden welke nieuwe vormen zij, of het, zal aannemen.’

Celeste is een leider, een voorbeeld voor een massapubliek dat wanhopig ergens in wil geloven

Vox Lux en The Childhood of a Leader leggen bloot hoe het kwaad werkt: ongemerkt, via vertrouwde of geliefde vormen. Celeste en de jongen in Childhood, Prescott, horen bij elkaar. Allebei zijn ze griezelig. Prescott doet denken aan Damien, de bezeten jongen uit de klassieker The Omen (1976). Het meisje in Vox Lux lijkt het tegenovergestelde – ze is Celeste, het ‘hemelse’. Maar ze is dat niet. Na haar trauma, waarmee de film opent, zien we hoe diep gelovig zij en haar zus zijn. De godsverering brengt geen licht of verlossing. Eerder het tegenovergestelde. Er is iets onheilspellends aan de hand met haar. Een scène op een begrafenis, waar Celeste een lied zingt dat de basis vormt van haar carrière als popster, komt fundamentalistisch over, bijna alsof dit een horrorfilm is: een duistere, kleurloze sfeer en de aanwezigheid van een onzichtbare entiteit als een destructieve kracht.

Beide films tonen personages die de tijdgeest belichamen, in eerste instantie als slachtoffer. Prescott is een jongen van zes. De onschuld zelve. Toch neemt het kwaad, het fascisme, bezit van hem. En Celeste: na haar trauma volgt succes snel. De verteller: ‘Haar verdriet werd dat van het hele land.’ Met haar zus gaat ze naar de grote stad om een platendeal te sluiten. Begeleid door angstwekkende, operateske muziek van de onlangs overleden Scott Walker rijzen wolkenkrabbers op uit het landschap. Dat oogt modern, maar je voelt het verval. De combinatie van de veertienjarige Celeste en de corporatieve machine gedreven door marketing en geld voorspelt geen goeds, zo suggereren de nerveuze geluiden van de strijkers en de hevige percussie in Walkers composities.

© Foto’s The Searchers

Het kwaad is aanwezig, maar om zijn ware gezicht te zien, moet Celeste naar Europa, naar Zweden waar ze haar carrière ‘diepte’ kan geven. In dit land, aldus de verteller, maakte het idee van muziek als kunst na de Tweede Wereldoorlog plaats voor opvattingen over eenvoudige, ‘moreel inspirerende’ nummers. Dan: archiefbeelden van popgroep abba. Voor zo’n soort muziek is Celeste in de wieg gelegd. ’s Avonds laat, in bed met een vriendje, zegt ze: ‘Ik wil niet dat mensen te veel nadenken. Ik wil alleen dat ze zich goed voelen.’ De gemene deler is duidelijk: zoals het trauma van oorlog in Europa tot simplistische populaire cultuur – de muziek van abba – heeft geleid, zo bepaalt het geweld dat Celeste’s leven heeft getekend de verleidelijke popmuziek die ze maakt.

Heel mooi is dat Corbet de twee werelden van Europa en Amerika op precies dezelfde wijze toont: de kleuren zijn gedempt, soms haast sepia, het widescreen beeld is zo gecomponeerd dat we constant het gevoel krijgen dat onheil dreigt. Bijvoorbeeld de terugkerende nachtmerrie waarmee Celeste kampt, waarin ze hard rijdt op een motor door een tunnel die geen einde kent. Een witte lijn op het asfalt leidt naar een verdwijnpunt in het midden van het scherm. Celeste: ‘In mijn droom weet ik zeker dat ik nooit zal sterven.’ Even later volgt haar eerste video: gekleed in zwart leer met glitters. Zilveren make-up. Haar strak achterovergekamd met aan de zijkant een zilveren streep. Dit is haar ‘nieuwe vorm’. Inmiddels zijn we terug in Amerika, waar uit een telefoongesprek blijkt dat de datum 11 september 2001 is. De verteller: ‘Het verlies van onschuld bij Celeste weerspiegelde dat van de natie.’

Celeste is opnieuw van gedaante verwisseld door een gebeurtenis die de tijdgeest tekent. Het is zestien jaar later en ze is, zoals Madonna, ouder. En net als bij de Queen of Pop uit zich dat bij Celeste in vreemd gedrag. ‘Diva’ dekt de lading. Portman speelt perfect: ze heeft om onverklaarbare redenen een plat accent. Ze bereidt zich voor op een grote show, maar dan is er een incident in Europa: op een Kroatisch strand richten terroristen met zilveren maskers – soortgelijk aan die van Celeste in haar video’s – een bloedbad aan. Als journalisten haar om een reactie vragen, zegt ze: ‘Ik heb meer hits achter mijn naam dan er kogels zijn in het magazijn van een AK-47… toen ik een klein meisje was, geloofde ik in God. Nu kunnen zij, de shooters, in mij geloven. Want ík ben het nieuwe geloof.’ Haar woorden echoën die van Prescott, die in Childhood tijdens het avondeten aan tafel schreeuwt: ‘Ik geloof niet meer in bidden!’

Steeds duisterder, gevaarlijker bijna, wordt het kleurenpalet dat Corbet in Vox Lux gebruikt om de 21ste eeuw te visualiseren. Glimmend zwart en dieprood en paars. Er is neon, maar van het licht uit de titel is weinig sprake. De sfeer is futuristisch, op het absurde af. Corbet draait een seksscène tussen Celeste en de manager versneld af. Die herinnert aan de orgie in Stanley Kubricks A Clockwork Orange, een film die eveneens geweld, entertainment en trauma centraal stelt in een bijtende satire over de moderne wereld. De finale performance, waarin Portman nummers van de Australische singer-songwriter Sia zingt, is even afschuwelijk mooi als verleidelijk. Minutenlang duurt het; je houdt ervan, ook al weet je inmiddels dat de eindtijd ophanden is. De scène spiegelt de slottaferelen van Childhood waarin bureaucraten de komst van de leider voorbereiden. De muziek, ook van Walker, bestaat uit strijkwerk dat een sfeer van gejaagdheid en waanzin schept. Buiten wacht een menigte, met op de achtergrond fascistische vlaggen in rood en zwart die van de gebouwen hangen. Mooi: een jong meisje gekleed in een diepgroene jas bevindt zich onder de fanatiekelingen. Is het Celeste?

Dat laatste is een verleidelijk idee. Maar natuurlijk onmogelijk. En toch: Vox Lux en Childhood vertellen hetzelfde verhaal. Prescott en Celeste: wát een koppel. Hun verlies van onschuld spiegelt dat van ons. De oorlog, 11/9, terrorisme, het geweldsincident dat nog het sterkst de tijdgeest weerspiegelt – hoe kunnen we hier tegenop? Met het geloof als wapen? Zoals beide kinderen in Corbets films niet meer in God geloven, zo kunnen of willen wij dat ook niet meer, of je nu Amerikaan of Europeaan bent. Aan het begin van de laatste akte van Childhood toont Corbet een drukpers in close-up: pamfletten met het fascistische logo van de Leider, eindeloos gereproduceerd als propagandamiddel. Politiek, economie en het op grote schaal verspreiden van boodschappen van ‘hoop’ vloeien in elkaar over. Celeste is veel meer dan ‘popster’. Ze fuseert met een corporatieve machine die haar tot ‘geld’ maakt. Maar vooral is ze net als Prescott de leider, een voorbeeld voor een massapubliek dat wanhopig ergens in wil geloven. Ze is iemand, ‘iets’, een vorm, een hemelse figuur met een ‘stem van licht’ – ze is het kwaad.


Te zien vanaf 18 april