We zijn op weg naar een crematie, mijn broer en ik, dus praten we over de dood – maar eigenlijk doen we dat altijd. Oorspronkelijk zou ik met mijn zus meerijden, maar zij heeft mij overgedragen aan mijn broer, die iets dichterbij woont, zodat ze zelf mijn moeder op kan halen, die verder weg zit. Onze grote familie is in de loop der jaren onderverdeeld geraakt in chauffeurs (de weinigen) en bijrijders (de velen). Lange tijd ambieerde ik tot de chauffeurs te gaan behoren, wegens het hardnekkig streven naar zelfredzaamheid, maar inmiddels heb ik me verzoend met de bijrijdersplek. Bovendien: mijn broer heeft een heel mooie auto. Een lage, glanzende sportwagen met plek voor slechts twee, niet al te lange volwassenen. Onderweg vangen we soms dromerige blikken van mannen met kinderzitjes op de achterbank en Nijntje-zonneschermen voor de ramen.

Mijn broer kijkt naar de weg zoals hij vroeger naar het scherm van zijn videospelletjes keek: berekenend, onbevreesd. Hij was met ruime voorsprong de knapste thuis en nu hij veertig is doet hij vooral denken aan zo’n archetype op de voorkant van een Bouquet-roman: de hoekige kaaklijn met donkere schaduw, de bovenmatig gespierde torso, de draagkrachtige bovenarmen. Alleen zijn haar wappert niet in de wind; hij is militair geweest en draagt het nog altijd kort.

Ik weet dat hij straks niet zal huilen. Ik weet ook dat ik veel zal huilen, op het gênante af – niet alleen om deze lieve dode, maar om alle voorgaande, om alle komende, om het onvermijdelijke teloorgaan van eigenlijk alles. Rouw heeft nagels. Rouw peutert ook zelfmedelijden los. Aanstelleritis. Kitsch. ‘Ik doe het vochtige gedeelte wel’, zeg ik tegen mijn broer. ‘Dat scheelt jou weer werk.’

De laatste keer dat ik hem zag had hij zelfs zijn jas nog aan toen de eindigheid al weer ter sprake kwam. Toen ik het zei hoorde ik hoe innig tevreden het klonk. De vrolijke blikken over en weer; heen en weer kaatsende zelffelicitaties, zoals je bij broers en zussen vaker ziet. (Poeh poeh, wat zijn wij monter uit onze jeugd te voorschijn gekomen. Nou nou, wat zijn wij toch slecht in koetjes en kalfjes. Gut gut, wat een wezenlijke gesprekken voeren wij.) Nooit ontspan ik helemaal wanneer we samen zijn, hoe graag ik hem ook zie. Er is een vreemdsoortige tijdsdruk in onze omgang en een gedeelde haast; snel naderen we de grote thema’s, halen in, geven extra gas, zien in de verte de finale afslag al; alles wat we zeggen doet ertoe, zet iets anders in beweging, tikt iets aan. ‘Ik ben altijd zo… omgewoeld na een gesprek met jou’, zei ik toen hij de vorige keer vertrok. ‘Ik niet’, zei hij. ‘Bij mij ligt alles nog hetzelfde.’

Op de crematie zal het heel druk zijn. De zaal zal vol zitten met chauffeurs en bijrijders, omgewoelden en onbevreesden, natten en drogen. De dode was nog jong. Een stralende persoonlijkheid waar je geen zwart omheen kunt denken, geen kanker, geen eindigheid. ‘Ik ga nu lichtelijk de wet overtreden’, zegt mijn broer. Zijn auto gromt, als in een actiefilm. Ik word stevig in de leren stoelbekleding gedrukt. ‘Hoe eerder we er zijn’, zegt hij, ‘hoe langer jij kunt huilen.’

Niet boos worden, schreeuwen,
hard weghollen nu, en niet
als een gek om je heen slaan.
Wie zegt dat er iets moet duren?

In de herfst vang je minder licht
dan ’s zomers, en ’s winters nog minder.
Waarom tekeer te gaan?

Nee, met bescheiden animo en,
is die niet meer beschikbaar,
versleten bewegingen.

Besta ik straks niet meer,
kan ik alsnog gaan huilen.

Hoe het leven tegemoet te treden nu je ouder wordt
Anton Korteweg
Uit: Voortgangsverslag,
Meulenhoff, 2005