Afsluitdijk

Het was een geniale ingreep, de Afsluitdijk. Een dijk van dertig kilometer die de Zuiderzee verdeelde in een IJsselmeer en een Waddenzee. In korte tijd werd het IJsselmeerwater zoet en daarmee bruikbaar om er landbouwgrond mee te besproeien.

Bovendien kon het onderhoud van driehonderd kilometer oude Zuiderzeedijk daarna op een laag pitje worden gezet. Maar in onze tijd voldoet de dijk niet meer aan de eisen, onder meer doordat de zeespiegel stijgt. Daarom zijn er de afgelopen jaren allerlei ideeën ontwikkeld over een mogelijke aanpak. Vorige week hebben de bestuurders die erover gaan de voorlopige versie van het Masterplan Beeldkwaliteit Afsluitdijk vastgesteld.

De Afsluitdijk is er sinds 1932, maar hij heeft een lange voorgeschiedenis. Al in 1667 was Henric Stevin op het idee gekomen. Hij stelde zich een dam met sluizen voor tussen het vasteland, Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland. Daarmee kon bij eb het water uit de Zuiderzee worden geloosd. Het water van de IJssel zou de Zuiderzee verversen, en er zouden goede polders kunnen worden ingedijkt. Bij stormvloed zou het land veilig zijn. En voor de zeevaart vanuit Amsterdam voorzag Stevin een doorgang naar de Noordzee bij Beverwijk.

In de negentiende eeuw werden er verschillende serieuze plannen ontwikkeld, maar haast niemand hield zo’n grote onderneming voor mogelijk. Dat ingenieur Lely het voor elkaar heeft gekregen, komt doordat zijn plan uit 1891 overtuigend was, door de ravage na de stormvloed van 1916 en door de behoefte aan meer Nederlandse landbouwgrond sinds de Eerste Wereldoorlog. En zeker ook doordat Lely als minister van Waterstaat een belangrijk staatsman was geworden. In 1918 bracht De Groene Amsterdammer een heel nummer uit over zijn plan. Lely schreef dat de bevolking tijdens de langdurige plannenmakerij was gegroeid, en dat daarmee de kosten per hoofd van de bevolking waren gedaald.

Zijn Afsluitdijk werd een kaarsrechte lijn, op twee knikjes na. Iedereen die over deze weg rijdt, is onder de indruk. De rit over de liniaal van dertig kilometer is geen verplaatsing maar een toestand. Het landschap blijft zo lang hetzelfde dat je vanzelf oog krijgt voor de geleidelijke veranderingen in de wolkenlucht, in de golfslag, in het licht dat door het water wordt teruggekaatst. En hoe hard je ook rijdt, je wordt er rustig van.

Ik vond het nogal treurig toen een aantal van de nieuwe plannen voor de Afsluitdijk het karakter van deze dierbare weg om zeep dreigden te helpen. Zo was er een idee om de dijk een kilometer breed te maken. Er was een voorstel om tienduizend woningen langs de dijk neer te zetten. Er werd een heel eilandenrijk bedacht om afwisseling te brengen in de zogenaamd vervelende omgeving.

Maar van de week kwam het verheugende bericht dat de Afsluitdijk strak blijft. Volgens het plan van de landschapsarchitecten Yttje Feddes en Paul de Ruiter wordt hij een klein beetje opgehoogd. Uitgangspunt is dat bij een stormvloed het water ook wel over de dijk heen mag slaan. Het stilistische rommeltje dat is ontstaan bij het monument van Dudok wordt aangepakt. Mari Andriessens beeld van Lely komt weer bij Den Oever. Heel aantrekkelijk: het fietspad komt aan de waddenkant te liggen. In hun tekst hebben de architecten het over de monumentale waarde van de lange rechte lijnen van het profiel en de bescheiden vormgeving. Hun aanpak is even bescheiden: ze proberen de aanpassingen die er moeten komen onopvallend weg te werken. Daarmee versterken ze de oorspronkelijke soberheid van de dijk. Voor de liefhebbers van dit landschap is hun minimalisme een verademing.