Afstand

Op de enorme televisie in mijn hotelkamer vertellen twee mensen over het verlies van hun geliefde. Allebei op een ander net. Ik kom erachter omdat ik, rusteloos, een hele rits zenders afwerk – het is tegen middernacht.

De ene, een vrouw met donkere krullen en lachrimpeltjes rond haar ogen, bevindt zich op Nederland 1. Ze legt uit hoe het was, toen haar man ziek werd. Dat ze geen zin meer had om te koken. ‘Ineens vond ik dat er niets stommers was dan aardappels schillen’, zegt ze glimlachend. ‘Ik had al zoveel tijd verspild.’ De laatste week had ze alleen maar naast hem willen liggen, zonder een woord. Drie netten verder, op BBC1, is ondertussen een man met een mooie, hoekige kop aan het woord. Hij zucht tussen zijn bedachtzame zinnen door. Het is echt niet, legt hij uit, dat hij het onmogelijke wil. Hij zoekt geen vervanging, not someone to make it all up to me. Maar hij zou erg graag, zegt hij, nog een vertrouwde hand kennen. Zo’n hand die er altijd is. In de auto. In bed. In de keuken. Een hand, zegt hij verlegen, waarop je de weg weet. Ik klik snel terug naar de vrouw met de donkere krullen. ‘Ik weet niet of er wel een tijd bestaat waarop je eraan toe bent’, zegt ze. ‘Dat je ineens weer rond gaat kijken. Misschien komt dat nog. Het lijkt normaal maar het is zo zeldzaam hè? Iemand die je hand pakt op het goede moment.’ Ze lacht bijna verontschuldigend. Haastig schakel ik terug naar de man. Hij is gestopt met praten en loopt nu door zijn tuin, tussen fruitbomen door. Hij draagt regenlaarzen en een hoed en ziet er heel Engels uit. Terug op Nederland 1 is de vrouw ook uitgesproken. Ze wordt van veraf gefilmd, zittend voor een raam, naar buiten starend. Even denk ik dat ze dwars door alles heen naar de tuin van de man kijkt, naar zijn laarzen en zijn hoed. Maar de camera zwenkt. Een Hollandse nieuwbouwwijk, grauwe wolkenlucht. ‘Hij is vlakbij’, fluister ik. ‘Aan de overkant.’

Ze hoort me niet.