Kerstverhaal

Aftellen

HET IS EEN BELACHELIJK KOUDE DAG. Buiten kraakt het. Ik lig in mijn kleine rechthoekige kamer op mijn bed en zie door het raam dat er sneeuw van het dak naar beneden valt.

Medium kerstverhaal dick groeneverhaal4 los

Ik weet dat het sneeuw is, samengepakte brokken, en toch schrik ik ervan. Ik ben onder de deken gaan liggen, mijn armen heb ik om mijn lichaam geslagen. Ik probeer mezelf warmte te geven, maar het helpt niet veel, het blijft zo ontzettend koud. Ik voel de stramme huid onder mijn vingertoppen en de knokkels van mijn handen drukken tegen het zachte matras. Ik vraag me af hoeveel meisjes er in dit bed hebben geslapen. Ik kijk naar het witte behang, het witte bureaublad, de witte lakens; alles is wit in de kliniek, er zal wel weer een reden voor zijn. Ik vraag me af of ik het ooit weer warm ga krijgen. Thuis bij mijn vader en moeder op de boerderij gooien mijn broers nu blokken hout in de haard terwijl ze bij de zwarte koffie kerstbrood van Bakker van Elshout eten en cadeaus uitpakken die tussen de naalden onder de kerstboom liggen, het zijn altijd grapjes, alsof er iets te lachen valt. Ik stap uit het bed om tegen de verwarming aan te gaan liggen, het tintelt op mijn huid, die schilferig is en paars. Het blijft ijzig koud, behalve de constante steken in mijn zij zit er geen beweging in mijn lijf. Het is niet de bedoeling dat we de centrale verwarming hoger zetten, ook al sterven we zowat van de kou; de leiding bepaalt.
Iemand klopt twee keer achter elkaar op de deur.
‘Hallo?’ zeg ik. Mijn stem klinkt schor. Een kort moment voel ik de hoop dat het geklop met zich meebrengt.
'Ik ben het, Rowena. Je weet wel, de schoonmaakster. Ze hebben mij gevraagd. Je bent er, dus?’
'Ja’, zeg ik.
'Goed’, zegt Rowena. 'Ik ben er ook.’
Daar laat ze het bij. Ik hoor hoe haar voetstappen zich van mijn kamer verwijderen.
Normaal gesproken hebben we op dit uur praatgroep. Dan zitten we met de acht meisjes in de huiskamer op twee gigantische zachte witte banken waarop gigantische zachte witte kussens liggen, zoals bij die bankstellen in soapseries, een bank waarop je alles kan laten gebeuren. We luisteren en knikken, al willen we liever televisie kijken. Een van de meisjes gaapt. Ik kijk altijd naar Marieke, die de leiding heeft. Ze heeft blauwe adertjes op haar oogleden, een dikke blozende kop. Marieke geeft het goede voorbeeld. Ze praat over het milieu en haar nieuwe koophuis aan de rand van het kanaal, met daarachter oneindig veel gras, polder, een paar schapen, daarachter nog meer gras en nog meer water, een snelweg, lichtjes. Ze praat over de lichtjes alsof zij de enige is die ooit lichtjes heeft gezien, alsof het iets abnormaals is en ze praat over haar vriend; een of andere schipper die praktisch het hele jaar weg is. Ze noemt nooit zijn naam, ze zegt altijd 'mijn vriend’, alsof die jongen niets anders is dan dat: de vriend van Marieke. Ze bellen iedere dag twee of drie keer, soms hoort ze de zee klotsen, het gieren van de wind, mannen die naar elkaar schreeuwen, soms hoort ze ruis vanwege de slechte verbinding of zijn regelmatige ademhaling wanneer hij in zijn hut ligt, ’s nachts, in het pikkedonker. Want dat is het op zee, zegt Marieke, pikkedonker.
'De nacht op zee is een oneindig zwart gat waarin alles oplost’, zegt ze.
Ze kijkt me tevreden aan wanneer ze dat zegt en ik denk: de nacht is overal hetzelfde. En ik denk: jij weet niet wat zwart is, Marieke, jij weet niet wat oplossen is, maar ik zeg niets. Ik kan niets zeggen want Marieke praat aan één stuk door terwijl ze met haar ogen knippert. Ik kan niets zeggen want zij heeft de leiding.
Ik blijf naar Marieke kijken en vraag me af hoe ze dat doet: gewoon leven. Heel gewoon. En of ik me vergis, of er misschien iets heel simpels is dat ik niet doorheb, of er iemand is die het me kan leren.
Mijn knieën zijn opgetrokken, ik zit heel dicht tegen mezelf aan. Ik zie de lippen van Marieke bewegen, kleine kwijldraadjes in de hoeken van haar mond, ik vraag me af of ze uit haar mond stinkt. Ik vraag me af of ze thuis ook zo veel praat, of zij zonder na te denken alle dagen eten kookt, boter in de pan gooit, en of ze dan aan de meisjes denkt. Eigenlijk vraag ik me af of ze wel eens aan mij denkt, maar verder dan de regels komen we nooit.
De regels hier zijn simpel; alles wat me moeten doen is ons overgeven, aan wat dan ook. Overgave, dat is wat we hier moeten leren.
’s Ochtends na het ontbijt beginnen we dus met een gesprek in de huiskamer. Omdat het ontbijt vaak uitloopt zitten we daar meestal pas tegen het middaguur. Het is de bedoeling dat we iets over onszelf vertellen, over onze dromen, het verleden, de problemen, de familie, onze vrienden, de controle, de dagindeling. We moeten niet alleen elkaar maar ook onszelf beter leren kennen, geen leugens meer. Het lijkt erop alsof we allemaal ons best doen, toch komen we nooit zo heel ver. Die gesprekken lopen meestal uit op huilen en daarna begint het troosten. Dat neemt heel veel tijd in beslag. Soms vraag ik me af of er ook zoveel gehuild zou worden als er jongens bij waren. Soms vraag ik me af of ik hier überhaupt zou zitten als ik een jongen was geweest. Ik ben geen jongen, geen van de meisjes hier zijn jongens, het is zinloos om erover na te denken.
Vanochtend was er voor het eerst sinds ik hier ben geen gesprek.

*

HET IS ALWEER MAANDEN GELEDEN dat ik hier met mijn moeder kwam. Ik zou niet precies kunnen zeggen hoe lang geleden het is, ik ben mijn nauwkeurigheid verloren, wat een goed teken schijnt te zijn. Ik noem het liever lui; ik ben gestopt de tijd bij te houden, dat doen ze hier wel voor je. Misschien verstaan de begeleidsters dat onder overgave, dat anderen dingen voor je doen. Misschien is dat normaal.
Het was in ieder geval deze zomer. Mijn moeder had donkere zweetplekken op haar T-shirt rond haar oksel. Haar bovenlip trilde.
We stonden boven aan de natuurstenen trap voor de deur. Massief hout, donkergroen geverfd, een piepklein ovaal raam, een gouden deurklink.
'Ben je zenuwachtig?’ vroeg ze.
'Nee’, zei ik.
Mijn moeder drukte de bel in, ik keek naar haar hand en telde hoeveel seconden ze haar vinger op de ronde knop hield. Drie seconden. We zwegen, wachtten, ik bleef doortellen omdat ik de godganse dag alles telde wat er geteld kon worden, dat stelde me gerust. Vijf seconden later ging de deur open. Een vrouw die zich met een klamme hand voorstelde als Lida Bachwald liet ons binnen en liep voor mij uit door de gangen. Binnen acht seconden was ik van buiten, van het leven dat ik gewend was, binnen in de kliniek.
'Volg mij’, zei Lida Bachwald.
Ze liet ons de keuken zien, de huiskamer, de stiltezaal, de badkamer, de binnentuin, de gesprekskamers, een behandelkamer, de kamers van alle andere meisjes en ten slotte: mijn eigen kamer. Het was een kleine kamer met een groot raam dat uitkeek op de binnentuin: een grasveld met een paar eikenbomen. Het rook er naar pleisters en wasmiddel.
Lida Bachwald zei: 'Dit is nu je huis, dus zorg ervoor dat je je thuisvoelt.’
Ik dacht: dat is weer zo makkelijk gezegd, en ik glimlachte flauw naar haar.
Mijn moeder zei: 'Dat komt in orde. Voor Mara is zich ergens thuisvoelen nooit het probleem geweest.’
'Ik laat jullie wel even alleen’, zei Lida Bachwald. Ze liep de kamer uit en sloot de deur.
Mijn moeder ging zitten op de lakens van mijn nieuwe bed, ze keek om zich heen, stond toen weer op en omhelsde me. Ze rook naar Hugo Boss.
'Het is beter zo’, zei mijn moeder.
Haar handen lagen op mijn heupen alsof ze een pakket in haar handen hield. Ik telde twee seconden stilte.
'Het is beter, toch?’
'Ja’, zei ik. 'Misschien.’

*

DE VERWARMING HEEFT EEN RODE PLEK op mijn buik achtergelaten, die glad en plakkerig aanvoelt. Het doet niet eens zo'n zeer. Ik ben weer in bed gaan liggen en luister of ik aan de andere kant van het witte behang Julie kan horen bewegen, ik hou mijn adem in, maar ik hoor niets. We zitten hier nog met zijn tweeën, Julie en ik. Alle meisjes zijn naar huis, maar wij willen niet. Tenminste: ik wil niet.
Vorige week ben ik nog op de boerderij geweest voor mijn vaders verjaardag. De kerstboom stond al, zoals altijd op de verjaardag van mijn vader - 'een cadeautje voor mezelf’ - in de woonkamer naast de open haard. Het was een grote boom steunend op een houten kruis waar rood crêpepapier omheen lag, in de top prijkte een glimmende piek en in de dennentakken bungelden witte engeltjes met trompetjes, die mijn moeder zelf gemaakt heeft van watten, witte lakens, lippenstift, naald en draad, rotzooi uit de naaidoos. De engelen komen iedere Kerst weer in de boom terecht. Ze blijven pijnlijk lelijk, maar ze horen erbij.
Toen mijn moeder me bij de bushalte tegenover het gemeentehuis op kwam halen omhelsde ze me voorzichtig.
Ze zei: 'Het is echt weer een feestje. Het hele huis zit vol met mensen, lieverd. En niets over de kliniek, hè? Die kliniek is privé en blijft privé.’
'Ja’, zei ik. 'Dat weet ik, mama.’
'Ze hebben naar je gevraagd. Je broers zijn er ook.’
Ik had van tevoren best zin gehad om weer naar huis te gaan, maar de stilte in het dorp in combinatie met de woorden 'iedereen’ en 'broers’ maakte me bang en misselijk en ik wist dat ik beter in de kliniek had kunnen blijven, dat ik er nog niet klaar voor was, niet voor dit soort overgave, niet voor de vraag: hoe gaat het? En voor de vriendschap die mijn ouders zogenaamd met iedereen aangingen, mijn broers die zich zo makkelijk voegden, die wel snapten wat gezelligheid was of belachelijk goed konden doen alsof, waar ik ze wel van verdenk; het zijn geen domme jongens.
Iedereen was er: Ton en Anja, Michael, Herman, Lee, Anton, Femke, Rosa, Umut, Fokke, Jan K, Melchior, Sabien, Jan van V, Hellen, Lucas, Sharon, Megan, Jean-Paul, Louis en Serge, mijn broers natuurlijk en dan nog een hele zooi familie. Mijn vader heeft de familie niet uitgenodigd, dat weet ik, daarvoor is er veel te veel gebeurd, maar ze komen toch op verjaardagen. Al die mensen aten stuk voor stuk appeltaart en cashewnootjes en pinda’s en Melba-toastjes en kruidenboter en Port Salut en brie en meer Franse kaasjes en druiven en stokbrood en stukken Italiaanse knoflookworst en olijven met feta en gehaktballetjes in pittige saus.
Ik zat op de schommelstoel die in de hoek van de kamer staat, naast de kast met glazen plankjes waarop mijn moeder dierenschedels legt die ze tijdens haar wandelingen gevonden heeft. Zij zit van ’s avonds laat tot diep in de nacht in die stoel en bekijkt de schedels van de dode dieren of ze leest een boek. In werkelijkheid leest ze geen woord, ze kijkt verdrietig en probeert zich af te sluiten van de wereld, dat heb ik haar een keer horen zeggen door de telefoon. Ik weet niet wie ze aan de lijn had. Ik weet niet of het de bedoeling was dat ik haar hoorde.
Iedereen op het feest zei hoi tegen me, maar niemand heeft gedaan waar ik bang voor was: gevraagd hoe het met me gaat. Ik werd totaal genegeerd, ze maakten er niet eens een show van. Soms zag ik dat er iemand naar me keek, heel vlug, en hoe ze dan weer wegkeken alsof ze van me geschrokken waren, de persoon die ik ben geworden, het feit dat ik daar zelf klaarblijkelijk voor gekozen had - hoe kon iemand dat nou doen? Ik kon ze hun blikken niet kwalijk nemen, ik wist wat ze zagen, ik weet wat ze zien.
Mijn eigen vader ontweek me zorgvuldig, alsof het iets was wat toevallig gebeurde. Hij bewoog zelfverzekerd door de kamer en praatte over zijn werk, zijn chiropractorspraktijk, het kraken van botten, met hetzelfde gemak nam hij cadeaus aan, hij fluisterde iets in het oor van Megan. Ze lachte hard.
Ik dacht aan de handen van mijn vader, hoe hij scheefgegroeide botten rechtzette. Zelf zei hij liever dat hij mensen van hun pijn afhielp. Dat zou ik ook zeggen als ik hem was. Ik vroeg me af of hij er zelf in geloofde, of hij daadwerkelijk dacht dat hij zo de pijn die hij had veroorzaakt weg kon nemen.
Mijn moeder liep rond met flessen drank, Hertog Jan, Ketel 1-jenever, Ketel 1-wodka en Fat Bastard-wijn, de rode. Ze kwam een paar keer bij mij langs met de gehaktballetjes.
'Dat vond je vroeger zo lekker’, zei ze.
'Ja’, zei ik. Terwijl ik nee zei tegen de balletjes.
Ik weet dat ze het nooit toe zou geven maar ze haatte me die avond, dat ik eindelijk weer thuis was maar nog steeds niet gewoon eens normaal mee kon doen aan een feestje. Een avondje maar. Doe dan alsof, Mara. Kan je niet een keer doen alsof? De dingen gebeuren ook om ze achter je te laten.
Ze zei: 'Waarom doe je altijd zo moeilijk?’
Ik haalde mijn schouders op. Door het dakraam in de keuken zag ik hoe een vliegtuig over ons huis vloog, richting het zuiden.
'Nou?’ vroeg mijn moeder. 'Wat heb je tegen je moeder te zeggen? Ligt het aan ons? Is dat het? Hebben wij iets verkeerd gedaan?’
'Nee, mama’, zei ik. 'Ik weet het niet.’
Ik wist dat ze de waarheid niet wilde horen.
En ik dacht: om niet al te moeilijk te doen, ben ik er met de Kerst niet bij.
Dat leek me voor iedereen het beste.

*

IK HEB ME HELEMAAL in de dekens gewikkeld en leun met mijn hoofd tegen de muur. Ik denk aan Marieke en aan de vriend van Marieke en hoe ze in contact met elkaar blijven zonder elkaar aan te kunnen raken. Ik probeer niet aan vroeger te denken. De leiding zegt dat we in het nu moeten leven, ik weet niet wat ik moet doen want ik vind nu niet leuk, nu is een verloren zaak. Net als vroeger. Ik denk aan mijn vader en hoe hij al mijn botten zou kunnen kraken en dan gaat alles zoals ik hier gewend ben in de kliniek, ik hoor Julie weer, luid en duidelijk. Er zit behang tussen ons in, een muur en nog eens behang, en toch is ze dichtbij, ze ademt gek, er valt iets op de grond. Ik zou haar willen roepen, of opstaan en naar haar toe gaan, maar ik ben te moe. Julie is de enige die bij me is gebleven, zelfs de leiding is naar huis. Daarom is Rowena hier. Ze waren ervan uitgegaan dat alle meisjes weg zouden zijn met de Kerst. Toen bleek dat ik wilde blijven hebben ze me geprobeerd over te halen. Toen bleek dat het geen enkele zin had om mij te proberen over te halen brak voor een kort moment de pleuris uit. Marieke huilde omdat haar vriend thuis zou komen met Kerst. Lida Bachwald zei dat ze ontslag zou nemen wanneer ze plotseling toch moest werken op Eerste Kerstdag. Iemand zei dat het oneerbiedig was. Iemand zei dat ik een verwend kind was en dat ik toch gewoon naar huis moest. Iemand zweeg. Iemand zei dat ze me wel alleen konden laten en dat een of twee dagen vervallen in oude patronen niet per se erg was, dat ze me dat voor straf wel weer in zouden laten halen. En iemand zei: we kunnen Rowena Kempopi vragen, de schoonmaakster. Die heeft vanmorgen alleen aangeklopt voor het dubbele salaris en zit nu waarschijnlijk beneden op de witte bank voor de televisie, kijkend naar films die schaamteloos ieder jaar opnieuw worden uitgezonden.
Gisteravond, op het laatste moment, zei Julie dat ze ook niet naar huis ging.
Ze zei: 'Als Mara blijft, blijf ik ook.’
Nu liggen we hier ieder op onze eigen kamer in de kliniek. Het blijft kraken. Ik voel aan het behang en luister naar Julie, de vallende sneeuw, mijn eigen ademhaling. Ik ruik de geur van thuis, van vlees en alcohol en de geur van mijn vader.
Ik kijk naar het behang en denk: nog maar twee dagen, daarna weer een heel jaar; laat het gaan, doe het nou gewoon, zo moeilijk kan het toch niet zijn. Overgave.


In 2011 jaar verscheen van Maartje Wortel de roman Half mens (De Bezige Bij, 192 blz., € 18,50). Ze won de Anton Wachterprijs met haar debuut, de verhalenbundel Dit is jouw huis (De Bezige Bij, 2009, 158 blz., € 14,90)