Afval

Afgelopen week kocht het Stedelijk Museum in Amsterdam een toonkast met ziekenhuisafval van Young British Artist Damien Hirst. Voor ruim vierhonderdvijftigduizend gulden, bijna een half miljoen dus. De kunstenaar, die bekend staat om zijn krachtige en veelbetekenende titels, gaf zijn uit 1994 daterende schepping de naam Waste mee.

Dat was weer hard lachen voor Hirst - dat doet hij zijn hele carrière al. Vanaf begin jaren negentig, toen hij een Australische haaienjager belde en de bestelling deed van: ‘Een tijgerhaai, één.’ In Engeland aangekomen liet Hirst de dode haai op sterk water zetten, doopte hem: The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living en verkocht de haai die nu kunst was aan mecenas Charles Saatchi. Hirst werd kroonprins van de Young British Artists, 'jongeren’ van rond de dertig die vet betaald kregen om te choqueren en de kunstwereld uit te lachen. Minstens even belangrijk als hun werk was de cultus rond hun persoon, de ártist. Damien (alleen de naam al!) leefde als een rock 'n’ roll star. Hij lachte íedereen uit. Met maatje Keith Allen, de rauwe komiek en zanger van zijn band Fat Les, toog hij naar een slachterij en wees een koe en kalf aan. De dienstdoende slachter sneed ze minutieus doormidden, in het atelier zetten assistenten de vier helften op sterk water, Saatchi exposeerde ze en Hirst won de Turner Prize 1994. Het succes kon niet meer op. Hirst schreef iets op een viltje, zijn assistenten zetten het op sterk water en hup, weer een paar ton binnen. En hij zei het erbij hoor, heel stoer, dat hij het gewoon bestelde. Maar de grootste grap was nog: Hirsts ideeën waren te stom om waar te zijn. Onwaarschijnlijk onbenullig, fantasieloos, makkelijk, suf en niet-briljant. In 1997 catalogiseerde hij zijn werk in het boek I Want to Spend the Rest of My Life Everywhere With Everyone, One to One, Always, Forever, Now. Wie het openslaat ziet: dode dieren, bedorven medicijnen, bloed, dode mensen, delen van dode mensen, kettingzagen, schaamhaar van mevrouw Hirst, wonden, wonden van zelfmoordenaars, enzovoort, enzovoort. Kortom: alles wat met dood of niet-kunnen te maken heeft en waarvan je inmiddels gewend bent dat het je choqueert. In quasi-diepzinnige maar eigenlijk onwaarschijnlijk clichématige teksten becommentarieert de artiest er zijn werk. Voorbeeld: 'Kunst is gevaarlijk omdat het geen vastgestelde functie heeft. Ik denk dat dat is waar mensen bang voor zijn.’ Okee Damien. Maar Damien lachte iedereen uit. Hij kon zeggen: nee, maar ik wil juist afstotelijk zijn. Dat is kunst! En dat was wat de dames en heren kunsthotemetoten wilden. Zij stelden verlekkerd vast dat dit wel kunst móest zijn, ze waren immers gechoqueerd. Dan wierpen zij allen zich op de vraag naar de betekenis om te eindigen bij de Grote Vraag: Wat is kunst? Helaas voor Damien is het sprookje inmiddels over, hij wordt weer uitgekotst. O nee, Damien kan weer lachen! Een museum in Amsterdam heeft die vitrinekast met ziekenhuisafval aangekocht. Een half miljoen gulden. En weet je wat ze zeggen? Het is 'een ontluisterende verwijzing naar de technocratische benadering van leven en dood’. Hahaha.