OPHEFFER

Afvallige

In mijn jonge jaren was ik communist. In mijn studietijd wisselde ik vaak van partij, maar al die partijen zaten aan de linkerkant: PSP, SP, PVDA, GroenLinks. Toen ik vader werd, stemde ik op Joop den Uyl, omdat ik Wiegel zo’n zak vond. Strategisch stemmen, heette dat. Ik ben nog een paar keer gewisseld tussen SP en PVDA.
Ik was links. Ik was sociaal-democraat. Want links, zei Renate Rubinstein, had meer gelijk dan rechts. Links stond voor een sociaal engagement, voor de waarheid, voor rationaliteit. En al mijn vrienden waren ook links.
Tot ik rechts werd.
Gewoon: anarcho-liberaal. Niet te veel overheid, geen ideologie, veel ruimte aan rationaliteit. De moord op Theo van Gogh had hier zeker mee te maken. Als men mij nu vraagt wat ik stem, dan zeg ik: ik stem niet, want ik zou niet weten waarop. De laatste keer dat ik heb gestemd, was op Ayaan Hirsi Ali. VVD dus.
Mijn ‘overgang’ werd niet gepikt. Ik verloor vrienden, vriendinnen, ik werd en word met wantrouwen bekeken en ik maakte mee wat ‘afvalligen’ volgens mij meemaken. Ik moest heel veel ‘je bent niet goed snik’-gesprekken voeren.
Onlangs was ik in De Smoeshaan, een café waar veel acteurs komen, en daar zei iemand tegen me, toen ik aan het discussiëren was: ‘Luister, onthoud nou maar gewoon dit: links is goed, en rechts is fout.’
Bijna iedereen knikte.
Ik schrok van het feit dat ik tien jaar geleden ook zo dacht.
Het is iets wat ik in debatten met moslims ook heb meegemaakt. Waarom, vroegen ze mij, ben ik zo tegen iets – de islam – wat ‘goed’ is en wat ook ‘het beste met de mens, met iedereen’ voor heeft? ‘Niemand wil u dood hebben, iedereen wil juist gastvrij en aardig zijn, zo is de islam.’
Vast en zeker. Iedereen is goed en ik hoop ook maar dat niemand mij dood wil hebben – en dat ik gestopt ben met debatteren, komt omdat ik wéét dat ik niemand kan overtuigen van het tegendeel door mee te doen met het debat. Ik krijg de ander overtuigd van het feit dat ik de uiteindelijke som van de islamideologie, alle aardige moslims ten spijt, een weerzinwekkende, fascistoïde ideologie vind.
In de laatste affaire-Wilders voel ik mij gedwongen om het voor Wilders op te nemen, omdat ik vind dat hij mag zeggen wat hij wil. Twee zaken zijn me daarbij opgevallen. Dat ik meteen als vriend van Wilders word gezien – vrijwel door iedereen. En dat – en dat is iets wat me veel onrustiger maakt – de meeste mensen helemaal niet van vrijheid houden.
Ik hoor nu kunstenaars, schrijvers, acteurs, journalisten, mensen met wie ik omga opeens argumenteren dat de vrijheid van meningsuiting ook grenzen kent. Grenzen die Wilders overtreden heeft. Het verwart ze soms om te moeten debiteren: ik vind dat Wilders ook moet kunnen zeggen wat hij wil.
Ikzelf ben voor de totale vrijheid van meningsuiting.
Persoonlijk leg ik een grens bij geweld. Maar zelfs als iemand oproept tot geweld zal ik niet snel geneigd zijn zo iemand het spreken te verbieden. Gevoelsmatig vind ik het bijvoorbeeld hypocriet om te zeggen: ja, ik steun de oorlog in Afghanistan, omdat we de kindertjes daar een goede toekomst moeten geven, en nee: de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt door een oproep tot geweld. Als de minister-president of de minister van Defensie zegt: ‘Onze steun is in Afghanistan vereist’, dan zegt hij eigenlijk: ‘We gaan Taliban vermoorden.’ Dat is een verkapte oproep tot geweld.
Laatst liep ik zo redenerend over straat en kwam ik tot de conclusie dat je dan eigenlijk ook voor de doodstraf bent…
Oeps, dat gaat weer vrienden kosten.