Frank Westerman

Afvalligen en twijfelaars

Frank Westerman

Ingenieurs van de ziel

Uitg. Atlas, 287 blz., € 23,95

Een van de zaken waarin Josif Stalin zich onderscheidde van de andere grote dictators uit de vorige eeuw is zijn buitengewone passie voor de literatuur. Hij volgde literaire ontwikkelingen op de voet, las vijfhonderd pagina’s per dag en toen hij eenmaal zijn alleenheerschappij had verworven, gebruikte hij zijn macht om zich persoonlijk met schrijvers te bemoeien. Voor een aantal van hen trad hij op als persoonlijke censor (net zoals tsaar Nicolaas I dat voor Poesjkin had gedaan) en hij had er een kinderlijk plezier in een lastige schrijver onverwacht op te bellen om hem de stuipen op het lijf te jagen. Werd het een leuk gesprek, dan bleef de schrijver leven.

Onder Stalin werd literatuur een belangrijk onderdeel van de propagandamachine. Stalin begreep goed de mogelijkheden van radio en film, maar waar de nazi’s vrijwel alleen vertrouwden op deze moderne massamedia, werden de burgers van de Sovjet-Unie ook nog eens overspoeld met boeken. Iedereen moest lezen, en romans waren daarom goedkoper (en waarschijnlijk ook meer voorhanden) dan tabak en brood. Om de nieuwe sovjetmens te creëren, moest er ingegrepen worden in de ziel van de kameraden, en de literatuur werd gezien als het belangrijkste middel daartoe. «Ingenieurs van de ziel» doopte Stalin zijn schrijvers.

Dat is ook de titel van het nieuwe boek van Frank Westerman, oud-correspondent van NRC Handelsblad in Rusland. Westerman maakte eerder indruk met zijn boek De graanrepubliek, over herenboeren en communisten in Oost-Groningen. Het was vooral de gehanteerde methode die overtuigde: een combinatie van onderzoeksjournalistiek, geschiedschrijving en het verslag van een persoonlijke Werdegang. Zonder zichzelf op de voorgrond te dringen, liet Westerman merken waar zijn interesse voor het onderwerp vandaan kwam en hoe het onderzoek ook een vorm van zelfonderzoek was. Dezelfde methode gebruikt hij in Ingenieurs van de ziel, een studie van de sociaal-realistische romans onder Stalin, en dan in zijn meest hevige vorm: de productieroman.

Productieromans hadden tot doel de Russische burger op de hoogte te houden van de vorderingen van de industrialisatie en ze vooral enthousiast te maken. De alles meeslepende modernisering van de sovjetmaatschappij, zoals die was gevat in de verschillende vijfjarenplannen, vergde bovenmenselijke inspanning. Aan alles was gebrek en de, eventueel verzonnen, successen moesten breed uitgemeten worden.

De man die dat allemaal moest vormgeven was Maksim Gorki. De onder de tsaren immens populair geworden Gorki was min of meer de uitvinder van de sociaal-realistische roman en bezat de autoriteit om de immer moeilijke, vrijdenkende schrijvers te leiden naar een nieuwe literaire wereld van collectieve onderworpenheid. Probleem was wel dat Gorki kort na de revolutie naar Sorrento in Italië was verhuisd en volstrekt niet van zins was dat land te verlaten. Westerman wijdt een paar van zijn meest hilarische bladzijden aan de cultus rond Gorki en de pogingen van Stalin hem naar de Sovjet-Unie te lokken. Tientallen agenten van de geheime dienst schrijven, vermomd als eenvoudige arbeiders en schoolkinderen, dagelijks honderden brieven naar Sorrento om Gorki te bewerken. Uiteindelijk geeft de schrijver toe, natuurlijk niet zonder talrijke privileges voor zichzelf veilig te stellen in het nieuwe Rusland.

Onder Gorki wordt de invoering van een sociaal-realistische monocultuur kordaat ter hand genomen. Gecollectiviseerd, net als de boeren en arbeiders, trekken de literatoren in brigades naar grote bouwprojecten om die voor het nageslacht vast te leggen. Ingrediënten: dappere arbeiders, een romance tussen krui wagenrijder en komsomol-leidster, een saboterende ingenieur en een bouwproject dat ondanks alle tegenslag nog voor de geplande einddatum wordt opgeleverd. De schema’s lijken op die van een Amerikaanse actiefilm.

Het waren niet alleen literaire onbenullen die sociaal-realistische romans schreven. Een aantal zeer grote, zoals Platonov en Babel, en een forse groep uitstekende schrijvers, onder wie Paustovski en Pilnjak, hebben zich op een bepaald moment geconformeerd aan de eisen van het sociaal-realisme. Het zijn deze «halve meelopers, (…) bekeerlingen, afvalligen en twijfelaars» die, zo schrijft Westerman, hem het meest fascineerden. Meer dan «onaantastbare denkers» als Boelgakov en Brodski. Het onderscheid dat Westerman hier maakt, snijdt overigens geen hout. Boelgakov heeft ook vaker geprobeerd de autoriteiten voor zich te winnen, onder meer door het schrijven van een toneelstuk over de jeugd van Stalin. En Brodski debuteerde in de jaren zestig en hoort dus in geen van beide rijtjes thuis. Hoe dan ook, het is duidelijk dat Westerman zich heeft laten leiden door zijn eigen zeer persoonlijke voorkeuren en geen pretentie van volledigheid nastreefde.

In zijn zoektocht naar de achtergronden van dit soort schrijvers en de boeken die zij maakten, behandelt Westerman vooral een aantal romans die zijn gemaakt rondom waterbouwprojecten. Een uitstekende keuze, want juist de waterbouw heeft een paar van de meest absurde en groteske rampen opgeleverd die de sovjets over zich hebben afgeroepen. Ingenieurs van de ziel is daarmee ook een verslag van een aaneenschakeling van bureaucratische en wetenschappelijke miskleunen, resulterend in monsterlijke humanitaire en ecologische rampen. De lopen van rivieren moesten worden «omgekeerd» («Sovjetrivieren stromen waarheen de bolsjewieken willen»), binnenzeeën drooggelegd, dammen en kanalen door honderdduizenden krijgsgevangenen in recordtijd aangelegd.

Westerman beschrijft dit alles zonder moreel oordeel, met een afstandelijke, ironische blik. Dat is aantrekkelijk om te lezen, maar tegelijkertijd ook het probleem van het boek. De realiteit van de Sovjet-Unie onder Stalin is een andere dan die op het Groningse platteland en had misschien een andere aanpak gevergd. Vele situaties vragen om meer analyse en commentaar, of in ieder geval inleving. Soms is het bijna obsceen om iemand zo flegmatiek te horen praten over zoveel gruwelijks. Toch, vreemd genoeg, is het boek nog niet gruwelijk genoeg. Westerman verdedigt zijn aanpak in de «verantwoording» door te schrijven dat «hij met geen enkele maatstaf heeft willen zwaaien die op wijsheid achteraf is gebaseerd». Hoewel zo’n van cultuurrelativisme zinderende aanpak op zichzelf al twijfelachtig is, kan hij toch alleen verdedigd worden als dan ook werkelijk alle details, ook de meest stuitende, worden gegeven. Daarin overtuigt Westerman niet altijd. Te vaak worden dodencijfers niet genoemd, te vaak worden de omstandigheden waarin de honderdduizenden ten onder gingen, kort en zakelijk, bijna bureaucratisch afgedaan.

Ingenieurs van de ziel is een meeslepend en geestig boek geworden, maar onbetrouwbaar en eigenlijk hardvochtig. Dat is spijtig voor een werk dat in veel opzichten een toonbeeld van superieur investigate journalism is.